Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:3911

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-09-2019
Datum publicatie
05-11-2019
Zaaknummer
23-002509-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraken diefstallen vzv nog aan de orde na terugwijzing HR.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002509-17

datum uitspraak: 26 september 2019

TEGENSPRAAK (raadsman gemachtigd)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 25 augustus 2014 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-660451-12 (zaak A) en 13-741024-13 9 (zaak B) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,

thans uit anderen hoofde gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Zaanstad te Westzaan.

Procesgang

De rechtbank heeft de verdachte voor het – in zaak A onder 1 primair en 2, en in zaak B onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde – veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 138 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met als bijzondere voorwaarde toezicht en begeleiding van het Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam dan wel de Stichting Reclassering Nederland.

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Het gerechtshof Amsterdam heeft in hoger beroep bij arrest van 24 december 2014 het vonnis vernietigd en opnieuw recht gedaan en de verdachte voor het in zaak A onder 1 primair en 2, en in zaak B onder 1, 2, 3, en 4 (feit 5 is afgesplitst) ten laste gelegde veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 128 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht waarvan 50 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht.

Namens de verdachte is tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.

De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 4 juli 2017 het bestreden arrest van het gerechtshof Amsterdam vernietigd, doch uitsluitend wat betreft de ten aanzien van het onder de in zaak A onder 1 en in zaak B onder 1 ten laste gelegde gegeven beslissingen (waaronder dus ook de beslissing ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij ter zake van feit A onder 1) en de strafoplegging, en de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teruggewezen teneinde deze in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 12 september 2019.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlasteleggingen

Aan de verdachte is ten laste gelegd, voor zover na terugwijzing door de Hoge Raad nog aan de orde, dat:

Zaak A
1.

primair
hij op of omstreeks 18 mei 2012 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (merk Blackberry, type Curve 8520), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en / of vergezeld en / of gevolgd van geweld en / of bedreiging met geweld tegen die [naam 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en / of gemakkelijk te maken en / of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, en / of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en / of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte (met kracht) - (met zijn ene hand) de keel/hals van die [naam 1] heeft vastgepakt en/of vastgegrepen en/of dichtgeknepen en/of - (vervolgens) (met zijn andere hand) die [naam 1] op zijn wang, althans in zijn gezicht heeft geslagen en/of - (vervolgens) (daarbij) voornoemde [naam 1] dreigend de woorden heeft toegevoegd: "Als je nu niet weggaat, dan haal ik mijn broer en knalt hij je hele familie af" en/of "als je nu niet weggaat, dan ga ik je neersteken", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

subsidiair
hij op of omstreeks 18 mei 2012 te Amsterdam [naam 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend (met kracht) - (met zijn ene hand) de keel/hals van die [naam 1] vastgepakt en/of vastgegrepen en/of dichtgeknepen en/of - (vervolgens) (met zijn andere hand) die [naam 1] op zijn wang, althans in zijn gezicht geslagen en/of - (vervolgens) (daarbij) voornoemde [naam 1] dreigend de woorden toegevoegd: "Als je nu niet weggaat, dan haal ik mijn broer en knalt hij je hele familie af" en/of "als je nu niet weggaat, dan ga ik je neersteken", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

Zaak B

1.
hij op of omstreeks 25 januari 2013 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (perceel [adres] heeft weggenomen veertig, in elk geval een of meer verpakking(en) munt(en) (van de Nederlandse Antillen en/of Aruba) en/of drie, in elk geval een of meer munt(en), in elk geval een of meer geldbedrag(en) en/of een muziekdoosje en/of twee, in elk geval een of meer (zilverkleurige) horloge(s) en/of een (gecammoufleerde) tas (met een goudkleurig anker-embleem), in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [naam 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader, waarbij verdachte en/of zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak op of verbreking van de (achter)deur van voornoemde woning;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep, voor zover na terugwijzing door de Hoge Raad aan het oordeel van het hof onderworpen, zal worden vernietigd, nu het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Vrijspraak

Ten aanzien van zaak A onder 1.

Naar het oordeel van het hof kan op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep, niet met een voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid worden vastgesteld dat sprake is van een diefstal met (bedreiging van) geweld, dan wel van een bedreiging, zodat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen hetgeen de verdachte in zaak A onder 1 primair en subsidiair is ten laste gelegd. De verdachte zal hiervan dan ook worden vrijgesproken.

Ten aanzien van zaak B onder 1.

Naar het oordeel van het hof is evenmin wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte in zaak B onder 1 is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan eveneens moet worden vrijgesproken

Het hof overweegt hiertoe dat het door de politie in deze zaak uitgevoerde onderzoek op zijn minst genomen gebrekkig is geweest en dat het onderzoek daardoor verschillende vragen onbeantwoord laat. Zo is aangekondigd door de verbalisant op pagina 32 van het dossier, dat nader onderzoek zal worden verricht naar de schoenzolen in combinatie met de aangetroffen sporen bij de woning, door de afdeling Forensische Opsporing. Van resultaten van dergelijk onderzoek blijkt echter niet uit het dossier. Voorts zijn de door de getuigen opgegeven signalementen van de verdachten onduidelijk en komen zij op essentiële punten onvoldoende overeen met de voor de woninginbraak aangehouden personen. Ook hier is nagelaten tijdig nader onderzoek te verrichten.

Gelet op de stukken van het op dat gebrekkige onderzoek gebaseerde dossier, kan niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat de verdachte bij de woninginbraak zoals ten laste gelegd, is betrokken. Het hof zal de verdachte daarom vrijspreken van dit feit.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het – in zaak A onder 1 primair en 2, en in zaak B onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde – veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 138 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met als bijzondere voorwaarde toezicht en leiding van het Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam dan wel de Stichting Reclassering Nederland.

De advocaat-generaal heeft na partiële terugwijzing door de Hoge Raad gevorderd dat de verdachte voor de feiten die thans niet meer aan het oordeel van het hof zijn onderworpen, te weten voor het in zaak A onder 2, en in zaak B onder 2, 3 en 4 bewezenverklaarde, wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 30 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. Ten aanzien van zaak A onder 1 primair en zaak B onder 1 heeft de advocaat-generaal gevorderd de verdachte te veroordelen tot een jeugddetentie voor de duur van 80 dagen waarvan 40 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De raadsman heeft ten aanzien van de strafmaat gesteld dat het zeer oude feiten betreft en dat de redelijke termijn ruimschoots is overschreden. Tevens is artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van toepassing. De raadsman heeft het hof verzocht in het geval van strafoplegging een straf op te leggen gelijk aan het voorarrest.

Het hof heeft na partiele terugwijzing door de Hoge Raad in hoger beroep de op te leggen straf voor het in zaak A onder 2 en in zaak B onder 2, 3 en 4 bewezenverklaarde, bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich tijdens zijn aanhouding met geweld verzet tegen de politieambtenaar. Hij heeft daarbij opsporingsambtenaren belemmerd bij hun werk, hun openbaar gezag aangetast en pijn bij de betrokkene veroorzaakt. Tevens heeft de verdachte gedurende een periode van in totaal ruim drie weken niet voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 de school te bezoeken. Deze verplichting is in het belang van de jongere om schoolverzuim en voortijdig schoolverlaten te voorkomen. Tot slot heeft de verdachte een paar handboeien weggemaakt door deze in de sloot te gooien. Hiermee heeft de verdachte geen respect getoond voor andermans eigendommen.

Ten nadele van de verdachte houdt het hof rekening met een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 20 augustus 2019, waaruit blijkt dat hij eerder ten aanzien van een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld. Nu de verdachte eerder al voor een geweldsmisdrijf tot jeugddetentie is veroordeeld, acht het hof een andere strafmodaliteit voor deze combinatie van feiten, waarin ook een geweldscomponent aanwezig is, een gepasseerd station. Daarmee is het hof van oordeel dat een andere dan een vrijheidsstraf niet passend is. Sinds de pleegdata is de verdachte verschillende keren veroordeeld, onder meer tot vrijheidsstraffen. Daarmee houdt het hof rekening in verband met artikel 63 Sr.

Het hof acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 30 dagen, zoals gevorderd door de advocaat-generaal, in beginsel passend. Nu het echter zeer oude feiten betreft en de redelijke termijn ruimschoots is overschreden zal het hof de verdachte een jeugddetentie voor de duur van 15 dagen opleggen.

Vordering van de benadeelde partij [naam 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van de materiële schade. Deze schade bedraagt € 151,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gehele vordering, nu deze in eerste aanleg geheel is toegewezen.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 130,00 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, omdat hij vrijspraak heeft bepleit ten aanzien van zaak A feit 1 primair en subsidiair. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de vordering van de benadeelde partij af te wijzen dan wel het bedrag van de telefoon te schatten, nu deze ten tijde van het feit al ruim een jaar oud was.

De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het in zaak A onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 26 van de Leerplichtwet 1969 en de artikelen 63, 77a, 77g, 77h, 77i, 77gg, 180 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan de orde na terugwijzing door de Hoge Raad, en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1 primair en subsidiair en in zaak B onder 1 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Ten aanzien van het in zaak A onder 2 en in zaak B onder 2, 3 en 4 bewezenverklaarde:

Veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 15 (vijftien) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [naam 1]

Verklaart de benadeelde partij [naam 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.F.E. Geerlings, mr. A.M.P. Geelhoed en mr. M.K. Durdu-Agema, in tegenwoordigheid van mr. M.S. de Boer, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 26 september 2019.

mr. Durdu-Agema is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[…]