Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:3907

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
05-09-2019
Datum publicatie
04-11-2019
Zaaknummer
23-001187-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Poging tot afpersing (Prenatal) in vereniging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001187-19

datum uitspraak: 5 september 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 12 maart 2019 in de strafzaak onder de parketnummers 13-741110-18 en 13-107614-18 (TUL), 13-684243-16 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 22 augustus 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door rechtbank vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is, voor zover aan het oordeel van het hof is onderworpen, ten laste gelegd dat:

1.

primair
hij op of omstreeks 30 mei 2018 te Amsterdam, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een of meer goederen en/of een geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan (winkelbedrijf) Prénatal (gelegen aan de Arena Boulevard), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] en/of een of meer medewerkers van voornoemd (winkelbedrijf) Prénatal, te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) aan dat misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen, gekleed in dikke kleding (terwijl het warm weer was) voornoemd winkelbedrijf is binnen gegaan waarna hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (daarbij) een gezichtsmasker/gezichtsbedekkende middelen en/of een (open) (rug)tas heeft/hebben (mee)gedragen (met daarin een hakbijl/mes) en/of naar de kassa in voornoemd winkelbedrijf heeft/hebben gekeken en/of tegen elkaar heeft/hebben gezegd: "er staat daar niemand", althans woorden van gelijke aard of strekking;

subsidiair
hij op of omstreeks 30 mei 2018 te Amsterdam, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] en/of een of meer medewerkers van (winkelbedrijf) Prénatal te dwingen tot de afgifte van een of meer goederen en/of een geldbedrag, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan (winkelbedrijf) Prénatal (gelegen aan de Arena Boulevard), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), gekleed in dikke kleding (terwijl het warm weer was) voornoemde winkel is binnen gegaan waarna hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (daarbij) een gezichtsmasker/gezichtsbedekkende middelen en/of een (open) (rug)tas heeft/hebben (mee)gedragen (met daarin een hakbijl/mes) en/of naar de kassa in voornoemd winkelbedrijf heeft/hebben gekeken en/of tegen elkaar heeft/hebben gezegd: "er staat daar niemand", althans woorden van gelijke aard of strekking;
meer subsidiair
hij op of omstreeks 30 mei 2018 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenis van acht jaren of meer is gesteld, te weten diefstal met geweld en/of afpersing, opzettelijk een gezichtsmasker/gezichtsbedekkende middelen en/of een rugtas en/of een hakbijl/mes en/of een scooter (met draaiende motor) bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad;

3.
hij op of omstreeks 19 oktober 2018 te Eindhoven, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een trui en/of een jas en/of een trainingsbroek, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan winkelbedrijf de Bijenkorf (gevestigd Hoogoorddreef), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep –voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen– zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Vrijspraak

Ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde overweegt het hof dat, blijkens het zich bij de stukken bevindende vonnis van 19 januari 2019 van de rechtbank Amsterdam in de zaak van medeverdachte Zeegelaar, deze heeft verklaard dat het plan was om iemand van het personeel met een mes en woorden te bedreigen om de kassa te openen en het geld te geven. Nu het dossier ook overigens geen aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat het opzet van de verdachte en zijn mededader op diefstal was gericht, dient de verdachte te worden vrijgesproken van het onder 1 primair tenlastegelegde.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

subsidiair
hij op 30 mei 2018 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] en/of een of meer andere medewerkers van winkelbedrijf Prénatal te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag, toebehorende aan winkelbedrijf Prénatal gelegen aan de Arena Boulevard, gekleed in dikke kleding terwijl het warm weer was voornoemde winkel is binnen gegaan waarbij hij, verdachte, en zijn mededader gezichtsbedekkende middelen en een open rugtas hebben gedragen met daarin een hakmes en naar de kassa in voornoemd winkelbedrijf hebben gekeken en tegen elkaar hebben gezegd: "er staat daar niemand";

3.

hij op 19 oktober 2018 te Eindhoven, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een trui en een jas en een trainingsbroek, toebehorende aan winkelbedrijf de Bijenkorf gevestigd Hoogoorddreef.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Nadere bewijsoverweging

Door de raadsvrouw is aan de hand van haar pleitnotities ter terechtzitting in hoger beroep ten aanzien van feit 1 subsidiair bepleit dat het enkel een winkel binnenstappen met gezichtsbedekking onvoldoende is om te spreken van een begin van uitvoering. Nu er door de verdachte geen uitvoeringshandelingen zijn verricht, dient de verdachte hiervan te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 1 subsidiair en meer subsidiair heeft de raadsvrouw eveneens bepleit dat er geen sprake is van opzet, nu het ging om een zogenoemde ‘Prank’. De verdachte wilde voor de grap een winkel binnentreden en schreeuwen: “Dit is geen overval”. Nu de opzet op de tenlastegelegde feiten ontbreekt, dient de verdachte ook om deze reden te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Begin van uitvoering

De verdachte en de mededader gaan op 30 mei 2018 gezamenlijk op een scooter naar de Prénatal bij de Amsterdam Arena. De verdachte laat zijn spullen, waaronder zijn telefoon, in de scooter achter. De scooter wordt met draaiende motor voor de winkel geparkeerd. De verdachte en de mededader lopen vervolgens in donkere kleding, met hun gezichten deels bedekt met een panty, de Prénatal binnen.

Zij dragen openstaande rugtassen bij zich met in een van die tassen een hakmes. Zij hebben deze gang van zaken van te voren met elkaar besproken.

In de winkel kijken zij richting de kassa en constateren dat daar niemand staat. Vervolgens hebben zij, nadat zij door een winkelmedewerker waren aangesproken, met versnelde pas de winkel verlaten en zijn vervolgens ieder een andere kant opgerend waarbij zij hun rugtas en handschoenen hebben weggegooid.

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat deze gedragingen zijn aan te merken als een begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf, de overval op de Prénatal, omdat zij naar haar uiterlijke verschijningsvorm moet worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van het misdrijf. Door de hiervoor beschreven wijze van handelen hebben de verdachte en de mededader de grens van voorbereidingshandelingen overschreden en is sprake van een begin van uitvoering.

“Prank”

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij dezelfde grap wilde uithalen als Lexxxus; een bekende Youtube vlogger, door voor de grap een overval in scene te zetten en dan te roepen dat het geen overval is. Hij en zijn mededader zijn daartoe lachend de Prénatal binnen gelopen om te kijken of die locatie geschikt was om de grap te kunnen uithalen. Op het moment dat hij zag dat de Prénatal daarvoor niet geschikt was vanwege de aanwezigheid van kleine kinderen en zwangere vrouwen, hebben hij en zijn mededader op eigen initiatief de winkel weer verlaten.

Het hof acht deze verklaring van de verdachte niet aannemelijk. De gang van zaken wijkt sterk af van de door Lexxxus uitgehaalde en gefilmde grap bij de Burger King. Bovendien heeft de mededader een geheel andersluidende verklaring afgelegd, waarin niet is verklaard over een grap. Voorts hadden de verdachte en zijn mededader in de winkel geen telefoon bij zich om te filmen. Het hof hecht geen geloof aan de hiervoor – eerst ter terechtzitting in hoger beroep – door de verdachte afgelegde verklaring, dat zijn telefoon nog in de scooter lag omdat ze eerst alleen aan het kijken waren of de Prénatal geschikt was voor de grap, om deze grap eventueel later uit te halen.

Conclusie

De verweren van de raadsvrouw worden verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep aan de hand van haar pleitnotities subsidiair bepleit dat de verdachte ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging ten aanzien van feit 1 subsidiair en meer subsidiair, nu er sprake is van vrijwillige terugtred.

De verdachte en de mededader hebben op eigen initiatief de winkel verlaten, zonder daartoe aangezet te zijn door de winkelmedewerkster of een andere van buiten komende omstandigheid. Hierdoor is het niet voltooien van de overval, het gevolg geweest van een spontaan, eigen genomen besluit van de verdachte.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Er is sprake van vrijwillige terugtred in de zin van artikel 46b van het Wetboek van Strafrecht indien de verdachte vrijwillig is teruggetreden voordat het misdrijf is voltooid. Wanneer de dader uit innerlijke motieven als angst, schaamte, spijt, medelijden of gewetensnood terugtreedt, kan die terugtred als vrijwillig worden aangemerkt. Wanneer echter het risico op ontdekking de dader te groot wordt, kan niet meer worden gesproken van een vrijwillig besluit; het besluit werd de dader als het ware opgedrongen door factoren van buitenaf. Of de gedragingen van de verdachte toereikend zijn om de gevolgtrekking te wettigen dat het misdrijf niet is voltooid ten gevolge van omstandigheden die van zijn wil afhankelijk zijn, hangt – mede gelet op de aard van het misdrijf - af van de concrete omstandigheden van het geval.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij en zijn mededader de Prénatal hebben verlaten omdat deze niet geschikt was voor het uithalen van een grap.

Nu de verdachte naar eigen zeggen helemaal geen bedoeling had om een overval te plegen, is het beroep op vrijwillige terugtred onvoldoende onderbouwd.

Het hof verwerpt dan ook het verweer van de raadsvrouw.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 subsidiair en 3 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 subsidiair en 3 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 primair en 3 bewezen verklaarde veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 150 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 76 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met bijzondere voorwaarden.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straffen als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

De verdediging heeft in het kader van de strafmaat gesteld dat nu zij een integrale vrijspraak heeft bepleit voor feit 1, er enkel voor feit 3 een straf dient te worden opgelegd, welke dient te bestaan uit een werkstraf.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat het goed met hem gaat. Hij gaat naar school en hij heeft niveau 1 gehaald. Hij wil van de straat af, zijn school afmaken en werk zoeken. Hij staat open voor hulp van Akwaaba Zorg.

Door [naam 1], jeugdzorgwerker bij de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna: WSS Jb& Jr), is ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat de verdachte nu civiel verblijft in het orthopedagogisch behandelcentrum Groot Emaus te Ermelo. Zij kunnen de verdachte daar echter onvoldoende behandeling bieden. Hij is nergens van onder de indruk en staat niet open voor begeleiding. Hij heeft onvoldoende inzicht in oorzaak en gevolg. IFA is gestopt nu de verdachte te snel is gerecidiveerd. De verdachte heeft wel behandeling nodig.

Door [naam 2], zittingsvertegenwoordiger bij de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), is ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat er veel zorgen omtrent de verdachte zijn. Hij wordt bijna 18 en wat er dan gaat gebeuren is onzeker. Hij staat niet open voor behandeling, maar zonder behandeling is het recidive risico heel hoog. De Raad adviseert om aan de verdachte in geval van strafoplegging een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met als bijzondere voorwaarden meldplicht bij de WSS Jb&Jr en meewerken aan hulpverlening van Akwaaba Zorg met toezicht en begeleiding van de WSS Jb &Jr.

De noodzakelijkheid van hulp voor de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep onderschreven door de moeder van de verdachte.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft samen met een ander geprobeerd om op klaarlichte dag de Prénatal te overvallen. Hij is met zijn mededader de Prénatal binnengegaan met gezichtsbedekking, zwarte kleding en met – openstaande – rugtassen. In een van de tassen zat een wapen, een hakmes. Dergelijke feiten zorgen voor veel angst en gevoelens van onveiligheid bij de slachtoffers en daarnaast brengen dergelijke feiten onrust in de samenleving teweeg. Extra kwalijk is dat de verdachte en de mededader dit hebben gedaan bij een winkel waar veelal zwangere vrouwen, vaak met kleine kinderen, winkelen. Een overval zou enorm schadelijke gevolgen voor de – zwangere – vrouwen gehad kunnen hebben. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij, zonder zich op dat moment enige rekenschap te geven van de gevolgen van zijn handelen voor de slachtoffers, samen met de medeverdachte is overgegaan tot het plegen van dit ernstige feit en zich enkel heeft laten leiden door winstbejag. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal bij de Bijenkorf. Winkeldiefstallen zijn hinderlijke feiten die naast veel schade, ook overlast geven aan de gedupeerde bedrijven.

Het hof houdt ten nadele van de verdachte rekening met een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 7 augustus 2019, waaruit blijkt dat hij eerder ter zake van vermogensdelicten onherroepelijk is veroordeeld. Tijdens het plegen van de poging overval liep de verdachte in een proeftijd en tijdens het plegen van de winkeldiefstal zelfs in twee proeftijden. Het hof weegt dit in het nadeel van de verdachte mee.

Tevens heeft het hof acht geslagen op:

- het rapport van de Raad van 23 augustus 2018.

- het psychologisch Pro Justitia rapport van 3 januari 2018, opgemaakt door drs. [naam 3], GZ-psycholoog. Hieruit volgt dat bij de verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de zin van een oppositioneel opstandige stoornis en kenmerken van een normoverschrijdende gedragsstoornis. Tevens is sprake van een disharmonisch intelligentieprofiel met cognitieve vaardigheden op gemiddeld tot laagbegaafd/moeilijk lerend niveau. In de thuissituatie is sprake van ouder-kind relatieproblemen. Geadviseerd wordt de verdachte de feiten in een verminderde mate toe te rekenen. Het hof neemt dit advies van de deskundige over. De kans op recidive wordt door de deskundige als hoog ingeschat indien de verdachte geen adequate behandeling/begeleiding krijgt geboden. De verdachte groeit op in een achterstandsbuurt en is onvoldoende opgewassen tegen de druk die zijn peergroup op hem uitoefent. De verdachte wekt de indruk in zijn functioneren nog sterk afhankelijk te zijn van een omgeving waarin hij veel duidelijkheid, controle en structuur krijgt geboden. Een intensief coaching-traject zou een goede optie zijn. Daarnaast wordt geadviseerd de verdachte een deels voorwaardelijke straf en voortzetting van de jeugdreclasseringsbegeleiding van de WSS Jb&Jr op te leggen.

Het hof is van oordeel dat, gelet op de ernst van de poging overval, slechts volstaan kan worden met oplegging van een (deels) onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf. Het hof heeft voor het bepalen van de duur van de op te leggen jeugddetentie acht geslagen op de straf die bij een (poging tot) winkeloverval en een winkeldiefstal pleegt te worden opgelegd, welke straf zijn weerslag heeft gevonden in de Oriëntatiepunten voor straftoemeting en Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS)-afspraken jeugd. Deze oriëntatiepunten rechtvaardigen in beginsel een onvoorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 4 maanden ten aanzien van de poging tot winkeloverval en een werkstraf vanaf 20 uren ten aanzien van de winkeldiefstal. Nu er bij de winkeloverval echter sprake is van recidive en de strafverzwarende omstandigheden ‘aanwezigheid van een wapen’ en het ‘in vereniging plegen’ van de overval aan de orde zijn, acht het hof een jeugddetentie van 150 dagen passend en geboden voor beide feiten. Het hof zal echter een groot deel hiervan, te weten 76 dagen, voorwaardelijk opleggen.. Dit forse voorwaardelijke strafdeel dient er toe de verdachte ervan te doordringen dat hij zich in de toekomst verre moet houden van het plegen van strafbare feiten. Het hof acht het met het oog op het voorkomen van recidive voorts van belang dat de verdachte hulp en begeleiding blijft krijgen bij het op orde krijgen van zijn leven, ondanks dat de hulpverlening die reeds is ingezet tot onvoldoende resultaat heeft geleid. Daartoe zal het hof bij het voorwaardelijk strafdeel bijzondere voorwaarden stellen met toezicht en begeleiding door de WSS Jb&Jr, als door de deskundigen ter terechtzitting geadviseerd.

Verbeurdverklaring

Het onder 1 subsidiair, 3 ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan met behulp van de hierna te noemen in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen. Zij behoren de verdachte toe. Zij zullen daarom worden verbeurd verklaard.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 45, 63, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77gg, 310 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam van 25 september 2018 opgelegde voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 20 uren subsidiair 10 dagen jeugddetentie. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

De advocaat-generaal heeft de vordering tenuitvoerlegging gehandhaafd.

Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

Het hof ziet geen aanleiding om, zoals door de raadsvrouw bepleit, de proeftijd met een jaar te verlengen. De verdachte wist immers dat er nog een werkstraf boven zijn hoofd hing, en heeft er desondanks voor gekozen het bewezenverklaarde strafbare feit te plegen.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam van 7 november 2017 opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie van 52 dagen. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

De advocaat-generaal heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kinderrechter van de rechtbank Amsterdam van 7 november 2017 opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie en omzetting daarvan in een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 104 uren subsidiair 52 dagen jeugddetentie.

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging primair bepleit om de proeftijd te verlengen en de bijbehorende voorwaarden te laten staan. Subsidiair heeft zij bepleit om de vordering tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk oplegde jeugddetentie, conform de rechtbank, om te zetten in een taakstraf, bestaande uit een werkstraf.

Het hof overweegt als volgt.

Bij het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan maar liefst twee strafbare feiten heeft schuldig gemaakt. Voor de effectiviteit en de geloofwaardigheid van de regeling omtrent voorwaardelijke straffen en de daarbij behorende algemene (en bijzondere) voorwaarden, is het van essentieel belang dat overtreding van deze voorwaarden niet vrijblijvend is en dat daaraan gevolgen worden verbonden. Dat moet ook in deze zaak gebeuren. In de actuele persoonlijke situatie van de verdachte, zoals deze hierboven is beschreven, wordt echter reden gezien om, in plaats van de tenuitvoerlegging van laatstgenoemde straf, een taakstraf, bestaande uit een werkstaf, van 104 uren te gelasten, in geval van het niet naar behoren verrichten te vervangen door een jeugddetentie voor de duur van 52 dagen.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 150 (honderdvijftig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot 76 (zesenzeventig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde verplicht is zich gedurende de volledige proeftijd op door de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering te bepalen dagen en tijdstippen te melden bij de jeugdreclassering en/of Akwaaba Zorg, zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht.

Geeft opdracht aan de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

1. blauwe rugzak;

2. bivakmuts;

10. sjaal.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

4. sleutelhanger met Bijbeltekst;

5. OV-Chipkaart;

6. witte kabel;

7. Jeans, REBEL FOR LIFE;

8. groene jas;

9. rode Nike Air schoen.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

3. goudkleurige bril.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam van 25 september 2018, parketnummer 13-107614-18, te weten van een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 20 (twintig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 10 (tien) dagen jeugddetentie.

Gelast in plaats van de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam van 7 november 2017 met parketnummer 13-684243-16, te weten een jeugddetentie van 52 dagen, een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 104 (honderdvier) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 52 (tweeënvijftig) dagen jeugddetentie.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Iedema, mr. A.M. Kengen en mr. C. Fetter, in tegenwoordigheid van mr. M.S. de Boer, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 5 september 2019.

[…]