Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:3883

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-10-2019
Datum publicatie
01-11-2019
Zaaknummer
23-003885-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rijden met ongeldig verklaard rijbewijs. Gelet op positieve ontwikkeling in het leven van verdachte gevangenisstraf voor de duur van 21 dagen, waarvan 12 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die reeds in deze zaak in detentie is doorgebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003885-18

datum uitspraak: 30 oktober 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 16 oktober 2018 in de strafzaak onder parketnummer 96-015379-18 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

16 oktober 2019.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij, op of omstreeks 5 augustus 2017 te Obdam, gemeente Koggenland terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de N507, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij, op 5 augustus 2017 te Obdam, gemeente Koggenland, terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een categorie van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie was afgegeven, op de weg, de N507, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie heeft bestuurd.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken, waarvan 1 week voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 dagen, waarvan 12 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, en met aftrek van de tijd die de verdachte van 19 december 2018 tot en met 27 december 2018 in deze zaak in detentie heeft doorgebracht.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft een personenauto bestuurd terwijl hij wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Hij heeft daarmee te kennen gegeven zich niets aan te trekken van de jegens hem in het kader van de verkeersveiligheid door het bevoegd gezag uitgevaardigde maatregel. Bovendien heeft hij een groot financieel risico voor andere weggebruikers in het leven geroepen, nu verzekeringsmaatschappijen in dergelijke gevallen veroorzaakte schade niet plegen te vergoeden.

Het hof heeft ten nadele van de verdachte meegewogen dat hij, blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 1 oktober 2019, eerder ter zake van verkeersmisdrijven onherroepelijk is veroordeeld. Gelet daarop en de straffen die in soortgelijke zaken aan recidivisten plegen te worden opgelegd, zou oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie weken in de rede hebben gelegen. Het hof ziet in het navolgende echter redenen hiervan af te wijken.

Op de terechtzitting in hoger beroep is naar voren gekomen dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan nadat hij in een neerwaartse spiraal terecht was gekomen ten gevolge van een verslaving aan GHB. Inmiddels heeft hij die verslaving het hoofd weten te bieden, onder meer door zich klinisch te laten opnemen. Hij is nu doende zijn leven weer op te bouwen. Het hof acht het in het belang van de verdachte èn in dat van de samenleving dat deze positieve ontwikkelingen niet worden doorkruist door een strafoplegging die hernieuwde vrijheidsbeneming met zich brengt. Daarom zal een deel van de op te leggen straf in voorwaardelijke vorm worden gegoten. Hiermee beoogt het hof tevens de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw schuldig te maken aan verkeersmisdrijven en andere strafbare feiten.

Uit een detentieverklaring van 24 december 2018 en de toelichting daarop van de raadsman en de verdachte is gebleken dat laatstgenoemde vanaf 19 december 2018 tot en met 27 december 2018 gedetineerd is geweest op de titel van het vonnis in de voorliggende zaak, ondanks dat hij tegen dat vonnis hoger beroep had ingesteld. Het hof zal bepalen dat deze tijd bij de executie van dit arrest op de op te leggen straf in mindering moet worden gebracht.

Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 9 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 (eenentwintig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 12 (twaalf) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die de verdachte van 19 december 2018 tot en met 27 december 2018 in deze zaak in detentie heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.J.I. de Jong, mr. H.A. van Eijk en mr. J.M.R. Vastenburg, in tegenwoordigheid van

mr. R.L. Vermeulen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

30 oktober 2019.

=========================================================================

[…]