Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:3860

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-10-2019
Datum publicatie
01-11-2019
Zaaknummer
23-003258-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vernieling. Geldboete passend. Vrijspraak bedreiging. De door de verdachte gebruikte woorden, ook al worden die bezien in de context waarin zij zijn geuit, leveren geen bedreiging op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003258-18

datum uitspraak: 28 oktober 2019

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 12 september 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-160847-18 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Gambia) op [geboortedag] 1988,

zonder vaste woon- of verblijfplaats.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

14 oktober 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 13 augustus 2018 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk een deur(dranger) en een plafondplaat, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan het [instelling] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

2.
hij op of omstreeks 13 augustus 2018 te Amsterdam T.A.J. [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen "If you dont go away I will do you something!" en/of "Ik maak je af!" en/of "Als je niet weggaat, dan doe ik je iets aan", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of daarbij vlak voor die [slachtoffer] te staan.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Vrijspraak feit 2

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 2 is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Het hof overweegt hiertoe als volgt.

Uit de bewijsmiddelen leidt het hof af dat de verdachte de woorden “If you don’t go away I will do you something” tegen aangeefster [slachtoffer] heeft geuit in het Engels. Gezien de omstandigheden waaronder deze uitlating is gedaan, kan het hof zich voorstellen dat dit onaangenaam en intimiderend is geweest voor [slachtoffer]. De door de verdachte gebruikte woorden, ook al worden die bezien in de context waarin zij zijn geuit, leveren echter geen bedreiging op als bedoeld in de op artikel 285, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, toegesneden tenlastelegging. Zelfs al zou “I will do you something” in de Engelse taal een dreigement inhouden, dan dient “something” nader ingevuld te worden om te kunnen vaststellen dat door het “iets” waarmee wordt gedreigd, bij [slachtoffer] redelijkerwijs de vrees voor zware mishandeling of erger kon ontstaan. Een dergelijke invulling kan echter in de onderhavige situatie niet aan dit woord worden gegeven. De omstandigheid dat de verdachte [slachtoffer] de betreffende uitlating met luide stem toevoegde, terwijl hij vlak voor haar stond, is daarvoor onvoldoende.

Niet is gebleken dat de verdachte de Nederlandse taal machtig is, zodat de andere (in de Nederlandse taal) tenlastegelegde bewoordingen niet te bewijzen zijn.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij op 13 augustus 2018 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk een deurdranger die geheel aan het [instelling] toebehoorde heeft beschadigd.

Hetgeen onder 1 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde (feit 1 en 2) veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één week.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken.

De raadsman heeft verzocht verdachte vrij te spreken van het onder 2 ten laste gelegde en voor het onder 1 ten laste gelegde een (voorwaardelijke) geldboete op te leggen of hem schuldig te verklaren zonder oplegging van straf.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Door de deurdranger van de woonvoorziening voor asielzoekers te beschadigen, heeft de verdachte inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van de [instelling]. De verdachte heeft daarmee een organisatie van algemeen nut financiële schade en overlast bezorgd. Dit is een ergerlijk feit.

Nu het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter, komt het hof ook tot een andere strafoplegging dan de advocaat-generaal – die van dezelfde bewezenverklaring uitging – heeft gevorderd. Het hof is van oordeel dat een geldboete een passende reactie is op (de ernst van) het bewezenverklaarde feit. Daarbij heeft het hof bij het bepalen van de hoogte van de geldboete rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

Het hof acht, alles afwegende, een geldboete van na te melden hoogte passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23, 24, 24c en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 200,00 (tweehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 4 (vier) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde geldboete in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van € 50,00 per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.M.D. Aardema, mr. H.A. van Eijk en mr. P.F.E. Geerlings, in tegenwoordigheid van

mr. S.H.M. van Gennip, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 28 oktober 2019.

Mr. H.A. van Eijk is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]