Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:3845

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-10-2019
Datum publicatie
04-11-2019
Zaaknummer
200.258.195/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Aannemingsovereenkomst met betrekking tot een tussenwoning. Verplichting tot het bouwen van een wachtmuur of het aanbrengen van isolatie? Vocht- en schimmelplekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200. 258.195/01 SKG

zaaknummer rechtbank: C/15/285230 KG ZA 19-25

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 22 oktober 2019

inzake

1 [appellant sub 1] ,

2. [appellante sub 2],

beiden wonend te [woonplaats] ,

appellanten,

advocaat: mr. K.G.O Afriyieh te Haarlem,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BBV DEVELOPMENT B.V.,

gevestigd te Heerhugowaard,

geïntimeerde,

advocaat: mr. B.J.P Komen te Alkmaar.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellanten] en BBV genoemd.

[appellanten] zijn bij dagvaarding van 16 april 2019 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Holland van 25 maart 2019, onder bovenvermeld zaaknummer in kort geding gewezen tussen [appellanten] als eisers en BBV als gedaagde. De voorzieningenrechter heeft in het vonnis de vorderingen van [appellanten] afgewezen. Deze vorderingen strekten kort gezegd tot veroordeling van BBV om over te gaan tot volledige verwijdering van schimmel aan de binnenzijde van de door [appellanten] bewoonde tussenwoning aan de [adres] (hierna: de tussenwoning) en tot volledig herstel van “de wachtmuur” op genoemd adres door deze muur geheel vochtvrij te maken en te isoleren.

De appeldagvaarding bevat de grieven en een wijziging van eis.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van antwoord met producties;

- een akte houdende wijziging van eis van [appellanten]

Partijen hebben de zaak ter zitting van 26 september 2019 doen bepleiten door de advocaten voornoemd, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Beide partijen hebben nog nadere producties in het geding gebracht. Partijen en advocaten hebben vragen beantwoord en inlichtingen verstrekt. Namens BBV is bezwaar gemaakt tegen de bij akte ingediende wijziging van eis.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellanten] hebben geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende - uitvoerbaar bij voorraad - zakelijk weergegeven,

primair: BBV zal gebieden een permanente en goed geïsoleerde gevelbekleding aan te brengen op kosten van BBV op straffe van een dwangsom;

subsidiair: BBV zal gebieden de tijdelijke folie die door BBV op de zijgevel is aangebracht te verwijderen, waarna de gehele zijgevel geïsoleerd dient te worden en het nieuwe regelwerk bekleed dient te worden met een deugdelijke waterkerende folie met een tijdelijk karakter. Bij de akte van eiswijziging hebben zij deze vordering versterkt met een dwangsom;

primair en subsidiair:

- BBV te gebieden een waterdichte dakrandafwerking aan te brengen conform bepaalde nader omschreven specificaties;

- BBV te gebieden schimmel en vochtplekken aan de binnenzijde van de tussenwoning te herstellen op straffe van een dwangsom, en

- BBV te veroordelen in de kosten van beide instanties, met nakosten.

BBV heeft geconcludeerd tot afwijzing van het hoger beroep met, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [appellanten] - zo begrijpt het hof - in de kosten van het geding in hoger beroep.

2 Feiten

De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.5 een aantal feiten opgesomd die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die volgen uit de niet (voldoende) bestreden inhoud van producties waarnaar zij ter staving van hun stellingen verwijzen, komen de feiten neer op het volgende.

2.1.

Partijen hebben in 2016 een overeenkomst tot aanneming van werk gesloten met betrekking tot het realiseren van de tussenwoning gelegen op een eerder door de gemeente [gemeente] verkochte bouwkavel (hierna: de aannemingsovereenkomst). Op de bijbehorende technische tekeningen van de tussenwoning staat aan de zijgevel een enkelzijdige muur getekend in de vorm van één gearceerde balk. De vrijstaande buitenmuren aan de voor- en achterzijde van de tussenwoning zijn aangeduid met een dubbele gearceerde balk. Blijkens de daarbij horende technische omschrijving ziet die dubbele gearceerde balk op buitenmetselwerk.

2.2

De tussenwoning staat in een blok van vijf deels nog te realiseren woningen, waarvan de eerste drie door BBV zijn gebouwd. De tussenwoning is gebouwd op de erfgrens met het perceel van de beoogde vierde woning (hierna: de buurwoning). Met de bouw van deze woning heeft BBV geen bemoeienis. Ten tijde van het sluiten van de aannemingsovereenkomst gingen partijen er van uit dat de buurwoning binnen afzienbare tijd zou worden gebouwd.

2.3

In koopovereenkomsten die de gemeente [gemeente] heeft gesloten met kopers van een kavel bouwgrond staat onder meer dat de koper de verplichting heeft de eigendom van de onroerende zaak terug te leveren aan de gemeente indien niet uiterlijk binnen drie jaar na de eigendomsoverdracht de bebouwing voltooid en gebruiksklaar is.

2.4.

Op 20 oktober 2017 heeft Vereniging Eigen Huis een opname rapport opgesteld van de tussenwoning met een overzicht van de geconstateerde gebreken. In het rapport staat dat de zijgevel moet worden afgewerkt door het aanbrengen van een tijdelijke bekleding.

2.5

Bij oplevering van de tussenwoning op 17 februari 2018 was de zijgevel aan de kant van de nog niet gebouwde buurwoning niet bekleed en niet geïsoleerd. In een rapport van tekortkomingen van die datum, opgesteld door BBV staat ten aanzien van die zijgevel: “wachtende muur [BBV] verantwoordelijk totdat er naast gebouwd (…) evt gevolgschade van buitenaf”. BBV heeft vervolgens tegen de zijgevel een folie aangebracht.

2.6

Op 13 november 2018 heeft [appellant sub 1] aan BBV bericht dat hem is gebleken dat er niet op korte termijn zal worden gestart met de bouw van de buurwoning. Hij heeft BBV verzocht om met het oog op de komende winter op korte termijn de zijgevel van de tussenwoning te isoleren.

2.7

Aan de binnenzijde van de tussenwoning zijn aan de kant van de zijgevel in de slaapkamer op de tweede verdieping op enig moment schimmelplekken ontstaan, alsmede in de kinderkamer die niet aan de zijgevel grenst.

2.8

Op enig moment na de oplevering van de woning hebben [appellanten] een hekwerk op het dak laten plaatsen. Daarbij zijn gaten geboord in het bitumen in of nabij de dakrand van de woning.

2.9

Bij brief van 18 januari 2019 heeft [appellant sub 1] BBV gesommeerd tot herstel (hetgeen hij daarvoor ook al had gedaan bij brief van 23 november 2018) van wat hij heeft aangeduid met het bij BBV bekende gebrek aan de woning. Hij heeft daarbij gewezen op de aanwezigheid van schimmel. In reactie op deze e-mail heeft BBV aan [appellant sub 1] geschreven, zakelijk weergegeven, dat (i) zij in de prijs, tekening en brochure (onderdeel van de overeenkomst) geen rekening heeft gehouden met een “wachtende muur”, (ii) BBV op eigen kosten en ter bescherming van de zijgevel een voorziening heeft getroffen in het kader van vochtdoorslag, zoals beschreven in het proces verbaal van oplevering van 17 oktober 2018, (iii) de gemeente er bij het verlenen van de bouwvergunning van de woning van uit is gegaan dat dat er tijdig naast de woning zou worden gebouwd, (iv) de gemeente de betreffende verplichting om binnen een bepaalde termijn te bouwen dient te handhaven. BBV heeft voorts geschreven dit alles graag nog een keer mondeling te willen toelichten.

2.10

Bij email van 20 april 2019 aan [appellant sub 1] heeft BBV aangekondigd het zeil aan de zijgevel te vervangen dan wel te herstellen. Op 25 april 2019 heeft BBV aangekondigd de daarop volgende dag de werkzaamheden te verrichten. [appellant sub 1] heeft daarop gemeld verhinderd te zijn. De door BBV ingehuurde ploeg om het zeil te vervangen is op 26 april 2019 toch bij de tussenwoning verschenen maar is toen weggestuurd door Batit. Op 9 mei 2019 heeft BBV opnieuw aangeboden het zeil te vervangen en daartoe als datum 31 mei 2019 voorgesteld. [appellanten] hebben dit niet toegestaan.

2.11

De kavel die grenst aan de tussenwoning, is nog niet bebouwd.

3 Beoordeling

3.1

Het hof acht de eiswijziging van [appellanten] niet toelaatbaar, mede gezien het door BBV naar voren gebrachte bezwaar daartegen ter terechtzitting. De eiswijziging laat zich niet verenigen met de zogenaamde - in beginsel strakke - tweeconclusieregel. Feiten of omstandigheden die een uitzondering op die regel rechtvaardigen zijn gesteld noch gebleken.

3.2

BBV heeft gesteld dat aan de zaak een spoedeisend karakter ontbreekt. Dit verweer wordt door het hof verworpen. Het enkele feit dat de tussenwoning van [appellant sub 1] . c.s. een niet geïsoleerde zijgevel heeft, maakt - met de herfst en de winter in aantocht - dat van hen niet kan worden gevergd dat zij een bodemprocedure afwachten. Daarmee is het spoedeisend belang bij de gevraagde voorzieningen gegeven.

3.3

De voorzieningenrechter heeft aan de afwijzing van de vorderingen van [appellanten] kort gezegd ten grondslag gelegd dat (i) het ontbreken van isolatie van de zijgevel geen tekortkoming is van BBV in de nakoming van de tussen partijen gesloten aannemingsovereenkomst omdat die overeenkomst geen daartoe strekkende verplichting bevat, (ii) BBV evenmin aanvullend een dergelijke verplichting op zich heeft genomen en (iii) [appellanten] niet aannemelijk hebben gemaakt dat de door BBV getroffen voorziening niet adequaat is en de schimmelvorming het gevolg is van die voorziening. Ten overvloede heeft de voorzieningenrechter overwogen dat nog onzeker is wanneer de buurwoning zal worden gebouwd, maar dat deze vertraging niet aan BBV kan worden toegerekend.

3.4

Tegen dit oordeel van de voorzieningenrechter en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen hebben [appellanten] vijf grieven aangevoerd, die zich als volgt laten behandelen.

3.5

Kern van het geschil tussen partijen is of er voldoende grond bestaat de vorderingen van [appellanten] met betrekking tot de afwerking van de zijgevel van de tussenwoning en de schimmelvorming in die woning in kort geding toe te wijzen. Om na te gaan of dit het geval is, dient het hof zich als in kort geding beslissende rechter te richten naar de waarschijnlijke uitkomst van de bodemprocedure.

3.6

Met betrekking tot de vraag of [appellanten] aannemelijk hebben gemaakt dat de met BBV gesloten aannemingsovereenkomst verplichtte tot het aanbrengen van een “wachtmuur” (in de stukken ook wel aangeduid met “wachtende muur” of “wachtgevel”), overweegt het hof het volgende. Een dergelijke muur voorziet, blijkens de door partijen gegeven toelichtingen, in een tijdelijke, erfgrens overschrijdende, gevelafwerking met isolatie en is bedoeld voor de periode tot het moment waarop de buurwoning wordt gebouwd. De wachtmuur wordt dan verwijderd opdat een gezamenlijke bouwmuur kan worden gerealiseerd. [appellanten] hebben gesteld dat de overeenkomst mede zag op de bouw van een wachtmuur. Het hof ziet voor die stelling onvoldoende aanknopingspunten. Blijkens de bij aannemingsovereenkomst horende tekeningen zag de afspraak met BBV op de bouw van een tussenwoning waarbij alleen de buitenmuren (dus aan de voor- en achterzijde) waren voorzien van metselwerk met isolatie. In de betreffende tekeningen is dat onderscheid duidelijk weergegeven met een enkele, respectievelijk een dubbele gearceerde balk. Dat de overeenkomst zich met betrekking tot de zijgevel beperkte tot een enkelzijdige muur, stemt overeen met de verwachting die ten tijde van het sluiten van deze overeenkomst bij beide partijen bestond over de aanstaande bouw van de buurwoning. Vanuit de verwachting dat die bouw binnen afzienbare tijd zou starten, zou meer dan een enkelzijdige muur niet nodig en met het oog op de overschrijding van de erfgrens ook niet wenselijk zijn. Informatie van de gemeente, zoals neergelegd in de brochure “Spelregels bij geschakeld bouwen”, waarnaar [appellant sub 1] .c.s. hebben verwezen, heeft naar het oordeel van het hof geen relevantie voor de vraag of BBV zich jegens [appellanten] had verplicht tot het bouwen van een in de brochure genoemde wachtmuur omdat die brochure geen onderdeel uitmaakte van de tussen partijen gesloten aannemingsovereenkomst. Evenmin is van belang dat, zoals [appellant sub 1] .c.s. hebben gesteld, elders in de straat of in de wijk huizen zijn gebouwd met een wachtmuur nu die omstandigheid afhangt van de inhoud van de overeenkomst die met de betreffende aannemer is gesloten. De overeenkomst met BBV staat hier buiten.

3.7

Overige feiten en omstandigheden waaraan [appellanten] ten tijde van het sluiten van de aannemingsovereenkomst de verwachting hadden kunnen ontlenen dat die overeenkomst voorzag in de bouw van een wachtmuur, zijn niet gesteld. De kwestie is voor het eerst besproken toen, tegen de verwachting in, bleek dat de bouw van de buurwoning niet binnen afzienbare tijd werd gerealiseerd. In de gegeven omstandigheden bestond naar het voorshands oordeel van het hof een deugdelijke oplevering uit de oplevering van een tussenwoning die nog geschakeld moest worden, met een zijgevel die daartoe geschikt was. Het hof acht het, gelet op het voorgaande, niet aannemelijk dat BBV zich had verplicht tot de bouw van een wachtmuur, te meer niet nu BBV onbetwist heeft aangevoerd dat in de prijs die [appellanten] hebben moeten betalen een dergelijke post niet was verdisconteerd, een afspraak hierover tot een hogere aanneemsom had moeten leiden en het bouwen van een wachtmuur onnodige kosten zou geven omdat die vervolgens met de aanvang van de bouw van de buurwoning verwijderd zou moeten worden.

3.8

Daarnaast kan uit de verplichting van BBV om ‘goed en deugdelijk werk’ te leveren niet worden afgeleid dat BBV een andere zijgevel had moeten bouwen dan zij heeft gedaan dan wel die zijgevel had moeten isoleren. ‘Goed en deugdelijk’ is een relatieve norm waaraan, afhankelijk van hetgeen partijen zijn overeen gekomen en van de omstandigheden van het geval, invulling moet worden gegeven. De norm strekt er niet toe aan een partij meer verplichtingen op te leggen dan zij met haar wederpartij is overeengekomen. Gelet op de aannemingsovereenkomst en de daarvan deel uitmakende tekeningen konden [appellanten] redelijkerwijs niet verwachten dat BBV een andere zijgevel of een geïsoleerde zijgevel zou bouwen. Dat wordt niet anders door de vermelding in de verkoopbrochure dat ‘het gebouw uitzonderlijk goed geïsoleerd is’. Ook in die brochure, waarvan de technische tekeningen deel uitmaken, is immers duidelijk dat het een tussenwoning betreft en dat de informatie over de isolatie de (gevelplaten op de) buitengevels betreft, althans het is niet aannemelijk dat daarmee ook de (aan buurwoningen grenzende) zijgevels zijn bedoeld.

Gelet op het voorgaande faalt het beroep dat [appellanten] hebben gedaan op een ondeugdelijke oplevering eveneens.

3.9

Uit het rapport van tekortkomingen (zie hierboven onder 2.5) kan naar het voorshands oordeel van het hof niet worden afgeleid dat BBV een aanvullende verplichting op zich heeft genomen om een wachtmuur te maken dan wel anderszins voor isolatie zorg te dragen. BBV heeft in het kader van de oplevering slechts toegezegd om de zijgevel te voorzien van een tijdelijke bescherming tegen vochtdoorslag door folie aan te brengen voor de periode tot de bouw van de buurwoning. Voor het aannemen van een aanvullende verplichting die ziet op meer isolatie, al dan niet in de vorm van een wachtmuur hebben [appellanten] onvoldoende gesteld. Er zijn geen schriftelijke toezeggingen gedaan, er heeft geen nader overleg plaatsgevonden waarvan een verslag is gemaakt en [appellant sub 1] . c.s. hebben ook overigens niet kunnen concretiseren waarop hun verwachting dat BBV zich op dat moment op enigerlei wijze had verplicht tot het aanbrengen van isolatie of het bouwen van een wachtmuur was gebaseerd. Enkele uitlatingen van BBV in de trant van “wij maken het in orde”, of “wij lossen het op” zijn in dat verband onvoldoende om de gerechtvaardigde verwachting te kunnen wekken dat verdergaande maatregelen getroffen hadden moeten worden. Het is al met al onvoldoende aannemelijk dat BBV zich aanvullend tot meer heeft verplicht dan tot het aanbrengen van de folie als tijdelijke bekleding van de zijgevel in afwachting van de bouw van de buurwoning.

3.10

Met betrekking tot de vraag of het aanbrengen van de folie beantwoordde aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden konden worden gesteld en of er mogelijk een causaal verband bestaat tussen deze getroffen voorziening en de vochtplekken en schimmelvorming in de woning, overweegt het hof als volgt.

3.11

[appellanten] hebben zich ter onderbouwing van hun stelling dat de schimmelvorming is veroorzaakt doordat de folie geen afdoende voorziening is om vocht tegen te houden, dan wel doordat de folie gaten vertoont, beroepen op een door hen in het geding gebrachte notitie van De Huizenarts van 26 maart 2019, welke is opgesteld naar aanleiding van een door De Huizenarts verricht onderzoek, in opdracht van [appellanten] , naar de oorzaak van de vocht- en schimmelplekken ter plaatste van de zijgevel van de woning. In de notitie staat onder meer het volgende:

De linker zijmuur van uw woning is tijdens de bouw voorzien van een tijdelijke foliobekleding, dit in afwachting van de bouw van de aangrenzende woning. Deze woning is tot op heden niet gebouwd waardoor er sprake is van een geïsoleerde zijgevel. De afgelopen periode is er schimmelvorming aan de binnenzijde van deze muur opgetreden en zijn er vochtplekken gevormd. (…) De vochtplekken worden veroorzaakt doordat de tijdelijke bekleding van de zijgevel op meerdere plaatsen kapot is, waardoor het regenwater achter deze folie kan stromen en in de halfsteensmuur wordt opgezogen. Daarnaast is de dakbedekking ter plaatse van de dakrand los van de ondergrond waardoor het regenwater ook hier achter de tijdelijke foliebekleding kan stromen en de muur verzadigd raakt met water. De aangebrachte folie is als tijdelijke voorziening aangebracht met de verwachting dat de bouw van de aangrenzende woning op korte termijn zou aanvangen, dit is echter nog steeds niet gebeurd waardoor de muur als gevolg van de langdurige vochtbelasting verzadigd is geraakt. (…) Samenvattend kan worden gesteld dat de vocht- en schimmelplekken het gevolg zijn van de ondeugdelijke zijgevel en dakrandafwerking waardoor lekkage is opgetreden (…). Bij een spoedige aanvang van de bouw van de belendende woning kunnen deze oorzaken en gebreken geheel worden verholpen. Indien dit niet het geval is dient de zijgevel geheel te worden afgewerkt als waterdichte en geïsoleerde buitenschil/gevel welke bouwfysisch gelijkwaardig is aan de overige buitengevels van uw woning.”

De notitie bevat onder het volgende advies:

Het verwijderen van de tijdelijke folie waarna de gehele zijgevel dient te worden geïsoleerd en het nieuwe regelwerk wordt bekleed met een deugdelijke waterkerende folie waarbij opgemerkt wordt dat ook de nieuwe folie van tijdelijke aard is.”

3.12

Uit deze notitie kan het hof niet afleiden dat het aanbrengen van folie op zichzelf een onvoldoende maatregel zou zijn om als tijdelijke voorziening vocht tegen te houden. Ook overigens hebben [appellanten] daartoe onvoldoende gesteld. Hiervan uitgaande rustte op BBV, gezien de aanvullende afspraak om de folie aan te brengen met het oog op mogelijke vochtinslag, de verplichting om gebreken in de folie te herstellen, dan wel naar aanleiding van die gebreken nieuwe folie aan te brengen. Daartoe heeft zij tot tweemaal toe een poging ondernomen. Nu [appellanten] BBV niet in de gelegenheid hebben gesteld aan die verplichting te voldoen en BBV hebben belet om de benodigde werkzaamheden uit te voeren (zie hierboven onder 2.10) kan niet worden gezegd dat BBV te kort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen.

3.13

Hoewel het hof aannemelijk acht dat gebreken in de folie, welke zijn geconstateerd door De Huizenarts, samenhangen met vocht- en schimmelplekken in de woning, kan dit niet leiden tot toewijzing van de vordering tot herstel hiervan op kosten van BBV. Die vordering ketst reeds af op hetgeen hierboven is overwogen met betrekking tot de pogingen die BBV heeft ondernomen om gebreken in de folie te herstellen. Doordat [appellanten] BBV hebben belet de noodzakelijke werkzaamheden uit te oefenen, hebben zij - nog daargelaten of dit handelen heeft geleid tot schuldeisersverzuim - niet voldaan aan hun schadebeperkingsplicht. Bovendien heeft BBV er op gewezen dat door [appellanten] een hekwerk op het dak is aangebracht, dat blijkens overgelegde foto’s door het bitumen is geboord en dat onduidelijk is hoe het hek vast zit aan de dakrand. Gelet op de constatering in de notitie van De Huizenarts dat de lekkage in de woning mede is veroorzaakt door de dakrandafwerking - waarover ten tijde van de oplevering geen kritische opmerkingen zijn gemaakt - , moet er voorshands van worden uitgegaan dat ook het plaatsen van het hek een bijdrage heeft geleverd aan de vocht- en schimmelproblemen. Ook dit brengt mee dat de vordering tot herstel van de vocht- en schimmelplekken niet toewijsbaar is.

3.14

Het hof overweegt voorts dat de vordering, strekkende tot een gebod aan BBV om een waterdichte dakrandafwerking aan te brengen moet worden afgewezen, nu voor die vordering geen grondslag is aangevoerd.

3.15

Samenvattend acht het hof het niet aannemelijk dat de overeenkomst tussen [appellanten] en BBV tot meer verplichtte dan tot het bouwen van een enkelsteens zijgevel en dat de aanvullende afspraak bij oplevering meer inhield dan het aanbrengen van een tijdelijke folie ter afscherming van vocht. BBV heeft gedaan wat er in de gegeven omstandigheden van haar gevraagd mocht worden door aan te bieden gebreken in de folie te herstellen dan wel nieuwe folie aan te brengen. [appellanten] hebben - nog daargelaten of hun handelen tot schuldeisersverzuim heeft geleid - niet voldaan aan de op hen rustende schadebeperkingsplicht door BBV te beletten deze werkzaamheden uit te voeren. Zij hebben bovendien niet aannemelijk gemaakt dat de door hen gestelde vocht- en schimmelplekken uitsluitend zijn veroorzaakt door gebreken in de folie nu zij zelf op het dak een hekwerk hebben geplaatst.

3.16

Ten overvloede overweegt het hof dat bij wijze van meerwerkpost een wachtmuur kan worden gebouwd. Daartoe is BBV bereid gebleken. De kosten daarvan - door BBV beraamd op € 4.200 - kunnen op grond van de aannemingsovereenkomst evenwel niet voor rekening komen van BBV.

3.17

Uit de voorgaande overwegingen volgt dat de grieven falen. Een bodemprocedure zou naar de verwachting van het hof niet leiden tot een toewijzing van de vorderingen van [appellanten] Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd en hetgeen overigens of anders is gevorderd zal worden afgewezen. [appellanten] zullen als in het ongelijk gestelde partijen worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van BBV begroot op € 741 aan verschotten en € 3.222 voor salaris;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.A.H.M. ten Dam, A.M.L. Broekhuijsen-Molenaar en M.A. Wabeke en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2019.