Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:3843

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-10-2019
Datum publicatie
04-11-2019
Zaaknummer
200.254.129/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 7:268 lid 2 BW. Niet voldaan aan (verzwaarde) stelplicht ten aanzien van de vereiste gemeenschappelijke huishouding. Ambtshalve oordeel over de proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2019/365
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.254.129/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : 6749659 CV EXPL 18-6163

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 22 oktober 2019

inzake

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

advocaat: mr. A.A. Bouwman te Amsterdam,

tegen

WOONSTICHTING LIEVEN DE KEY,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. E. Goemans te Amsterdam.

Partijen worden hierna [appellante] en Lieven De Key genoemd.

1 Het geding in hoger beroep

[appellante] is bij dagvaarding van 20 december 2018 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam, (hierna: de kantonrechter), van 27 september 2018, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellante] als eiseres en Lieven De Key (en Lieven de Stad B.V.) als gedaagde(n).

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven;

- memorie van antwoord met een productie.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellante] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog haar vordering zal toewijzen, met veroordeling van Lieven De Key tot terugbetaling van hetgeen [appellante] op grond van het bestreden vonnis aan Lieven De Key heeft voldaan met rente en met een beslissing over de proceskosten.

Lieven De Key heeft geconcludeerd tot bekrachtiging.

[appellante] heeft in hoger beroep bewijs van haar stellingen aangeboden.

2 Feiten

2.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende, door de kantonrechter vastgestelde feiten die in hoger beroep niet of onvoldoende gemotiveerd zijn bestreden.

2.2.

Tussen Lieven De Key en mevrouw [X] , de moeder van [appellante] , is op 7 november 2002 een huurovereenkomst (hierna: de huurovereenkomst) gesloten met betrekking tot de woning aan het [adres] (hierna: de woning). De huurprijs bedroeg laatstelijk € 492,61 per maand.

2.3.

[appellante] heeft de Russische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1964. Zij heeft zich op 13 november 2013 samen met haar toen zesjarige zoon op het adres van de woning trachten in te schrijven bij de Gemeente Amsterdam. De zoon is toen ingeschreven, [appellante] niet.

2.4.

De moeder is op [overlijdensdatum] overleden. Zij was toen 77 jaar oud.

2.5.

Bij brief van 6 december 2017 heeft [appellante] Lieven De Key verzocht om de huur op de voet van het bepaalde in artikel 7:268 lid 2 BW te mogen voortzetten.

2.6.

Bij brief van 28 december 2017 heeft Lieven De Key dat verzoek afgewezen.

3 Beoordeling

3.1

[appellante] heeft gevorderd Lieven De Key (en Lieven de Stad B.V.) te veroordelen tot voortzetting van de huurovereenkomst met [appellante] met ingang van 1 maart 2018 of een andere datum, met kosten en uitvoerbaar bij voorraad verklaring. Daaraan heeft [appellante] ten grondslag gelegd dat zij sinds 2013 in de woning haar hoofdverblijf heeft en een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde met haar moeder in de zin van artikel 7:268 lid 2 BW.

3.2.

De kantonrechter heeft de vordering tegen Lieven de Stad B.V. niet ontvankelijk verklaard, de vordering tegen Lieven De Key afgewezen en [appellante] in de kosten veroordeeld. Kort gezegd en voor zover in hoger beroep nog van belang heeft de kantonrechter geoordeeld dat [appellante] niet heeft voldaan aan de op haar rustende (verzwaarde) stelplicht ten aanzien van de gemeenschappelijkheid van de huishouding.

3.3.

[appellante] is tegen dit vonnis, voor zover tussen haar en Lieven De Key gewezen, opgekomen met vier grieven. Lieven de Stad B.V. is niet in dit hoger beroep betrokken, zodat het tussen haar en [appellante] gewezen vonnis niet aan het hof ter beoordeling voorligt.

3.4.

De eerste drie grieven hebben betrekking op het begrip gemeenschappelijke huishouding als bedoeld in artikel 7:268 lid 2 BW. Het hof bespreekt deze grieven gezamenlijk.

Gemeenschappelijke huishouding?

3.5.

Samengevat en zakelijk weergegeven heeft [appellante] het volgende aangevoerd. Sinds 2013 woonde zij bij haar moeder. Zij zorgde voor haar moeder, deelde lief en leed met haar, at met haar en bracht samen met haar tijd door. [appellante] begeleidde haar moeder naar de dokter, deed boodschappen en kookte. Er was een wederkerige zorgrelatie. De financiële bijdrage van haar moeder aan de gezamenlijke huishouding zal groter zijn geweest dan die van [appellante] . Omdat [appellante] geen bankrekening in Nederland kon openen kan zij de door haar verrichte aankopen niet bewijzen, maar er was geen scheiding in de financiële huishouding, aldus nog steeds [appellante] .

3.6.

Lieven De Key heeft betwist dat [appellante] haar hoofdverblijf in de woning heeft en voorts dat zij een duurzame gemeenschappelijke huishouding met haar moeder heeft gehad.

3.7.

Het hof oordeelt als volgt.

Voor de beantwoording van de vraag of een duurzame gemeenschappelijke huishouding bestaat, zijn volgens vaste jurisprudentie zowel objectieve als subjectieve factoren, zoals de bedoeling van de betrokkenen, van belang. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan een samenleven van een kind en een ouder na het zelfstandig worden van het kind worden aangemerkt als een blijvende samenwoning met een gemeenschappelijke huishouding. Daarbij kan mede betekenis toekomen aan het ontbreken van wederkerigheid in de relatie tussen ouder en kind. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een gemeenschappelijke huishouding moeten verder alle omstandigheden van het geval in onderling verband worden gewaardeerd zoals het feitelijk gebruik van het gehuurde door de huurder en de medebewoner, alsmede de omstandigheid dat zij al dan niet (i) gezamenlijk voorzien in de kosten van de huisvesting en/of de kosten van levensonderhoud, (ii) gezamenlijk (of op grond van een afgesproken verdeling) huishoudelijke taken verrichten, (iii) gezamenlijk de maaltijden bereiden en gebruiken, (iv) gezamenlijk invulling geven aan vrije tijd en (v) gezamenlijk deelnemen aan het sociaal verkeer.

Ten aanzien van de gemeenschappelijke huishouding geldt voor degene die met een beroep op artikel 7:268 lid 2 BW voortzetting van de huur vordert een verzwaarde stelplicht.

3.8.

Het hof is evenals de kantonrechter van oordeel dat [appellante] , in het licht van de gemotiveerde betwisting door Lieven De Key, niet aan die verzwaarde stelplicht heeft voldaan. Zij heeft onvoldoende concrete informatie gegeven over de wijze waarop de huishouding werd gevoerd. Haar stellingen dat zij chartaal betalingen ‘kon verrichten’ en aankopen ‘kon doen’, dat daar ‘helaas weinig bewijzen’ van zijn, maar dat ‘er geen gescheiden huishoudens waren’ zeggen niets, althans te weinig over de vraag of en zo ja hoe [appellante] met haar moeder de kosten van de huishouding verdeelde. Een eventuele onmogelijkheid wegens onder meer haar nationaliteit om in Nederland een bankrekening te openen kan geen afbreuk doen aan de op [appellante] rustende verzwaarde stelplicht. Zij heeft voorts nagelaten om bonnetjes van uitgaven over te leggen en zij heeft evenmin concreet gesteld welke kosten zij voor haar rekening nam. Dat het om ‘een relatief kleine woning’ gaat, betekent niet dat wel sprake moet zijn geweest van een gemeenschappelijke huishouding. Daartoe is evenmin (voldoende) redengevend dat [appellante] in november 2013 tevergeefs heeft getracht zich in te schrijven op het adres van de woning, dat zij aan de school van haar zoon het adres van de woning heeft opgegeven als haar adres en dat artsen van haar moeder hebben bevestigd dat [appellante] voor haar moeder zorgde. Ook omtrent het uitvoeren van huishoudelijke taken, het gezamenlijk eten en het gezamenlijk doorbrengen van vrije tijd is [appellante] blijven steken in algemeenheden.

3.9.

De inhoud van de door [appellante] overgelegde verklaringen van mevrouw [A] en van de heer en mevrouw [B] leidt niet tot een ander oordeel. [A] heeft bijles gegeven aan de zoon van [appellante] . Zij heeft verklaard dat de moeder steeds meer verzorging nodig had en dat [appellante] daarom bij haar is komen wonen. Nog daargelaten dat dit een contra-indicatie is voor een wederzijdse zorgrelatie, bevat deze verklaring geen enkel aanknopingspunt voor het bestaan van een gemeenschappelijke huishouding. Ditzelfde geldt voor de verklaring van de getuigen [B] . Weliswaar spreken deze getuigen ook van een ‘gezamenlijke huishouding’, maar waar die uit bestond of hoe daaraan werd vormgegeven wordt niet verklaard.

3.10.

De jurisprudentie waarop [appellante] zich beroept (inl. dv. 16) kan haar niet baten, reeds niet omdat in die zaken was komen vast te staan dat de medebewoner concreet en structureel had bijgedragen aan de kosten van de gemeenschappelijke huishouding.

3.11.

[appellante] heeft in de toelichting op haar grieven aangevoerd dat zij ten onrechte niet is toegelaten tot bewijsvoering. Bewijslevering is echter niet aan de orde omdat, zoals hiervoor is uiteengezet, [appellante] ten aanzien van de door artikel 7:268 lid 2 BW vereiste gemeenschappelijke huishouding niet aan haar (verzwaarde) stelplicht heeft voldaan.

Overigens heeft [appellante] haar aanbod om voornoemde getuigen te horen toegelicht met de mededeling dat deze getuigen kunnen bevestigen hetgeen zij al verklaard hebben en dat zij ‘ten aanzien van de door hen waargenomen feiten’ kunnen verklaren. Daarnaast zou de dochter van [appellante] ‘de duurzame gemeenschappelijke huishouding kunnen bevestigen’. Deze bewijsaanbiedingen zijn onvoldoende specifiek aangezien geen bewijs wordt aangeboden van concrete stellingen die, indien bewezen, tot toewijzing van haar vordering zouden leiden.

3.12.

Omdat het bestaan van een gemeenschappelijke huishouding niet is komen vast te staan is de vordering niet toewijsbaar. De standpunten van [appellante] omtrent het hoofdverblijf en omtrent het al dan niet duurzame karakter van een gemeenschappelijke huishouding kunnen daarom onbesproken blijven.

Slotsom

3.13.

De slotsom is dat de grieven geen succes hebben en dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Gelet op het bepaalde in artikel 237 Rv dient het hof ambtshalve een oordeel te geven over de proceskosten. Nu [appellante] in het ongelijk is gesteld zal het hof haar veroordelen in de kosten van het geding in hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor zover dat aan het oordeel van het hof is onderworpen;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Lieven De Key begroot op € 726,- aan verschotten en € 1.074,- voor salaris;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.A.H.M. ten Dam, A.M.L. Broekhuijsen-Molenaar en M.A. Wabeke en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2019.