Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:3821

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-10-2019
Datum publicatie
25-10-2019
Zaaknummer
23-000563-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rijden zonder geldig rijbewijs. Bevestiging vonnis waarvan beroep. Geen toepassing jeugdstrafrecht. Deels voorwaardelijke gevangenisstraf, gelet op prille stijgende lijn in het leven van de verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000563-19

datum uitspraak: 24 oktober 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 12 februari 2019 in de strafzaak onder parketnummer

13-689182-17 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,

adres: zonder bekende woon- of verblijfplaats.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

10 oktober 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de strafoplegging. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 4 weken. Tevens heeft de politierechter aan de verdachte een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (OBM) opgelegd voor de duur van 10 maanden.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken, waarvan 3 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met de bijzondere voorwaarde een plicht zich te melden bij de reclassering. Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (OBM) wordt opgelegd voor de duur van 10 maanden.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De politierechter heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht het jeugdstrafrecht toegepast. De verdachte was ten tijde van het bewezen verklaarde feit 21 jaar oud.

Hoofdregel is dat het meerderjarigenstrafrecht van toepassing is wanneer de verdachte 18 jaar of ouder is ten tijde van het bewezenverklaarde feit. De verdachte kan, indien hij ten tijde van het plegen feit de leeftijd van 18 jaar maar nog niet die van 23 jaar heeft bereikt, op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht, volgens het minderjarigenstrafrecht berecht worden. Dat kan alleen als de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan daartoe aanleiding geven.

In het rapport van het Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering van 27 september 2019 wordt geadviseerd de verdachte te berechten volgens het meerderjarigenstrafrecht. Rapporteur [naam] ziet in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte geen aanleiding af te wijken van de hoofdregel.

Het hof sluit zich aan bij het advies zoals geformuleerd in het rapport.

Het hof ziet in de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan dan ook geen grond af te wijken van de hoofdregel en zal de verdachte derhalve berechten volgens het meerderjarigenstrafrecht.

De verdachte heeft een personenauto bestuurd, terwijl hij wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Daarmee heeft hij laten zien zich niets aan te trekken van de jegens hem genomen maatregel van ongeldigverklaring. Dit is een ernstig feit, waarmee de verdachte de verkeersveiligheid, ter bescherming waarvan de regels inzake rijbewijzen zijn gegeven, in gevaar heeft gebracht. Door aldus te handelen heeft de verdachte het openbaar gezag ondermijnd.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 1 oktober 2019 is de verdachter eerder ter zake van soortgelijke feiten onherroepelijk veroordeeld. Het hof rekent het de verdachte aan dat dit hem er niet van heeft weerhouden onderhavig feit te plegen.

Rapporteur [naam] adviseert in voornoemd rapport de verdachte een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen. De rapporteur ziet in de huidige werksituatie van de verdachte een beschermende factor.

Gelet op de ernst van het feit acht het hof geen andere straf dan een vrijheidsbenemende straf passend en geboden. Het hof zal gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte overgaan tot het opleggen van een deels voorwaardelijke straf. Het onvoorwaardelijk deel van de straf zal kleiner zijn dan door de advocaat-generaal gevorderd, teneinde de prille stijgende lijn in het leven van de verdachte niet te veel te doorkruizen.

Anders dan door de advocaat-generaal gevorderd, zal het hof niet overgaan tot het opleggen van een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen. Gelet op het feit dat het rijbewijs van de verdachte ongeldig is verklaard, acht het hof het opleggen van deze maatregel niet opportuun.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b en 14c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 9 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) weken.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 4 (vier) weken, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde verplicht is zich gedurende de volledige proeftijd te melden bij Inforsa Reclassering te Utrecht, zo vaak en zolang deze instelling dit noodzakelijk acht.

Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.H.C. van Ginhoven, mr. A.M. Kengen en mr. H. Durdu, in tegenwoordigheid van

mr. R.L. Vermeulen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

24 oktober 2019.

Mr. H. Durdu is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]