Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:3811

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-09-2019
Datum publicatie
25-10-2019
Zaaknummer
23-003154-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak besturen motorrijtuig na ongeldigverklaring rijbewijs. Niet kan worden vastgesteld dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Weigeren medewerking ademanalyse en veroorzaken gevaar/hinder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-003154-18

Datum uitspraak: 19 september 2019

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 27 augustus 2018 in de strafzaak onder parketnummer 15-049803-17 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Oostenrijk) op [geboortedag] 1975,

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 5 september 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij, op of omstreeks 27 december 2015, te Alkmaar terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie A, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, te weten de Willem de Zwijgerlaan, de Vondelstraat, het Verdronkenoord, de Platte Stenenbrug, de Laat en/of de Hofstraat, als bestuurder een tweewielige motorfiets, van die categorie of categorieën heeft bestuurd;


2.
hij, op of omstreeks 27 december 2015, te Alkmaar, in elk geval in Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een tweewielige motorfiets te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van genoemde wet, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en/of aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen;

3.
hij, op of omstreeks 27 december 2015, te Alkmaar, als bestuurder van een tweewielige motorfiets, daarmee rijdende op de weg, de Willem de Zwijgerlaan, de Vondelstraat, het Verdronkenoord, de Platte Stenenbrug, de Laat en/of de Hofstraat,

- op de Willem de Zwijgerlaan, met een snelheid van (tenminste) 70 km/h heeft gereden, althans met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid van 50 km/h, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, en/of

- ( vervolgens) op de rotonde tussen de Willem de Zwijgerlaan en de Vondelstraat in de verboden, althans tegengestelde, rijrichting, over het fietspad heeft gereden, en/of

- ( vervolgens) op de Vondelstraat een voor hem, verdachte, rijdende personenauto rechts heeft ingehaald, en/of

- ( vervolgens) op de Vondelstraat met een snelheid van (tenminste) 130 km/h en/of (vervolgens) op het Verdronkenoord met een snelheid van (tenminste) 70 km/h heeft gereden, althans met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid van 50 km/h, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, en/of

- ( vervolgens) op de Platte Stenenbrug, de Laat en/of de Hofstraat met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid heeft gereden, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was en/of (daarbij) zich daar bevindende voetgangers rakelings heeft gepasseerd,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring en een andere strafoplegging komt dan de politierechter.

Vrijspraak feit 1

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat hij niet de bestuurder van de motorfiets was. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verbalisanten al vrij snel een gedetailleerde beschrijving van de bestuurder hebben, terwijl zij dit niet feitelijk konden waarnemen. Het was immers een donkere avond en de verbalisanten reden met hoge snelheid. Dit blijkt ook uit het feit dat er geen beschrijving is van de helm van de bestuurder en de aangehouden persoon niet in het bezit was van een helm. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat hij niet op de hoogte was van het feit dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.

Het hof overweegt als volgt.

Reeds op grond van de processen-verbaal van bevindingen van 28 december 2015 van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , en van de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] stelt het hof vast dat de verdachte degene is die de motorfiets op 27 december 2015 bestuurde nu de bevindingen van deze verbalisanten concreet en specifiek zijn beschreven en hierop eenduidig wijzen. In hetgeen door de raadsman is aangevoerd, te weten dat het een donkere avond was en er met hoge snelheid werd gereden kan geen solide aanknopingspunt worden gevonden voor de juistheid van de hierin besloten suggestie dat de verbalisanten niet hebben kunnen zien wat zij stellen te hebben waargenomen. Dat de verdachte volgens de raadsman bij de aanhouding geen helm (meer) bij zich zou hebben gehad maakt dit niet anders. Bovendien heeft de verdachte kort na zijn aanhouding verklaard “jullie weten nu toch al dat ik degene van de motor ben”.

Het voorgaande leidt echter niet tot een bewezenverklaring van feit 1. Met de raadsman, en anders dan de advocaat-generaal, is het hof namelijk van oordeel dat op grond van de thans beschikbare stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. De omstandigheid dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte per aangetekende brief en per niet aangetekende brief aan hem is verzonden is hiervoor niet voldoende. Ook de omstandigheid dat het er op lijkt dat de verdachte al eerder, vóór 27 december 2015, is aangehouden in verband met overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 en hij eerder is veroordeeld maakt dit niet anders nu processen-verbaal, of andere stukken waaruit met zekerheid kan worden afgeleid dat hij ervan op de hoogte is gesteld dat zijn rijbewijs ongeldig was, zich niet in het dossier bevinden.

De verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van het hem onder 1 tenlastegelegde.

Bewijsoverweging feit 3

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat hij niet de bestuurder van de motorfiets was en dat er geen sprake is van gevaar of hinder.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is het hof, anders dan de raadsman, van oordeel dat de verdachte de bestuurder was van de motorfiets en dat door de gedragingen van de verdachte – zoals die blijken uit de gebezigde bewijsmiddelen – gevaar op de weg kon worden veroorzaakt en het verkeer op de weg kon worden gehinderd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2.
hij, op 27 december 2015, te Alkmaar, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een tweewielige motorfiets te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van genoemde wet, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen;

3.
hij, op 27 december 2015, te Alkmaar, als bestuurder van een motorfiets, daarmee rijdende op de weg, de Willem de Zwijgerlaan, de Vondelstraat, het Verdronkenoord, de Platte Stenenbrug, de Laat en de Hofstraat,

- op de Willem de Zwijgerlaan, met een aanzienlijk hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid van 50 km/h heeft gereden, en

- vervolgens op de rotonde tussen de Willem de Zwijgerlaan en de Vondelstraat in de verboden rijrichting heeft gereden, en

- vervolgens op de Vondelstraat een voor hem, verdachte, rijdende personenauto rechts heeft ingehaald, en

- vervolgens op de Vondelstraat en vervolgens op het Verdronkenoord met een aanzienlijk hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was heeft gereden, en

- vervolgens op de Platte Stenenbrug, de Laat en de Hofstraat met een aanzienlijk hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid heeft gereden en daarbij zich daar bevindende voetgangers rakelings heeft gepasseerd,

door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg kon worden veroorzaakt en het verkeer kon worden gehinderd.

Hetgeen onder 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 2 en 3 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 2 en 3 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde veroordeeld tot:

  • -

    ten aanzien van feiten 1 en 2: een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis;

  • -

    ten aanzien van feit 3: een taakstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis;

  • -

    ten aanzien van feit 1: een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 maanden;

  • -

    ten aanzien van feit 2: een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 maanden;

  • -

    ten aanzien van feit 3: een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 maanden.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aandacht gevraagd voor de schending van de redelijke termijn en verzocht bij een eventuele strafoplegging rekening te houden met de alcoholproblematiek van de verdachte en de omstandigheid dat het rijbewijs van de verdachte aan hem wordt teruggegeven, zoals blijkt uit het besluit van het CBR van 5 juli 2019.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft geweigerd mee te werken aan een ademanalyse als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994. Door zo te handelen heeft de verdachte er blijk van gegeven zich niets gelegen te laten aan een door het bevoegd gezag gegeven bevel en verhinderd dat objectief kon worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, hij door zijn alcoholgebruik de wet heeft overtreden en zo de veiligheid in het verkeer in gevaar heeft gebracht. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Hij heeft in een “dollemansrit” diverse verkeersregels aan zijn laars gelapt en de veiligheid van andere (kwetsbare) verkeersdeelnemers, zoals voetgangers, in gevaar gebracht door (veel) te hard te rijden, op een verkeersrotonde in de verboden rijrichting te rijden, rechts in te halen en voetgangers rakelings te passeren.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 19 augustus 2019 is hij eerder ter zake van Wegenverkeerswetdelicten onherroepelijk veroordeeld hetgeen het hof in het nadeel van de verdachte meeweegt.

Het hof overweegt naar aanleiding van het desbetreffende verweer van de raadsman dat in eerste aanleg sprake was van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 eerste lid EVRM. Volstaan wordt echter met de constatering hiervan nu deze in voldoende mate is gecompenseerd doordat de berechting in hoger beroep zodanig voortvarend heeft plaatsgevonden, dat de totale duur van de berechting in feitelijke aanleg binnen vier jaren is afgerond.

Het hof acht, alles afwegende, taakstraffen en ontzeggingen van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 22c, 22d, 62 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 163, 176, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde:

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 8 (acht) maanden.

Ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde:

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 3 bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 (vier) maanden.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.L.M. van der Voet, mr. G. Oldekamp en mr. F.M.D. Aardema, in tegenwoordigheid van mr. G.G. Gielen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 19 september 2019.