Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:3784

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-10-2019
Datum publicatie
24-10-2019
Zaaknummer
23-003772-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Volledig arrest. Diefstal parfum van aanzienlijke waarde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003772-18

datum uitspraak: 18 oktober 2019

VERSTEK (niet-gemachtigd raadsman)

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 23 oktober 2018 in de strafzaak onder parketnummer

13-702596-18 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Roemenië) op [geboortedag] 1993,

adres: [adres 1]).

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 4 oktober 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 24 september 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meerdere fles(sen) parfum, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan winkelbedrijf [winkel], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd om proceseconomische redenen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 24 september 2018 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen flessen parfum, toebehorende aan winkelbedrijf [winkel].

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de hieronder weergegeven bewijsmiddelen zijn vervat:

1. Proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2018199438-l van 2 oktober 2018 in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1], pagina’s 3-5 van het doorgenummerde dossier.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van [naam]:

Ik ben namens het slachtoffer, [winkel], gevestigd aan de [adres 2] te Amsterdam, gerechtigd tot het doen van aangifte. Op 24 september 2018 zijn twee medewerkers in onze winkel om 15:00 uur gaan lunchen en stond er niemand meer op de bovenverdieping van de winkel. Toen de medewerkers terugkwamen van de lunch, zagen zij dat er bijna een heel vak leeg was. Zij hebben het hoofdkantoor gebeld om de videobeelden veilig te laten stellen. Op die camerabeelden heb ik gezien dat er tijdens de lunchpauze een man is binnengekomen. Deze man heeft acht parfums in zijn tas gestopt van het merk Penhaligon’s van de lijn Portraits. Deze parfums kosten € 235 per stuk. Het totaalbedrag van de weggenomen parfum bedraagt

€ 1.880.

2. Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2018199438-2 van 10 oktober 2018 in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2], [verbalisant 3] en [verbalisant 4], pagina’s 6-13 van het doorgenummerde dossier.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaringen van de verbalisanten of van één van hen:

Wij, [verbalisant 2], brigadier van politie Eenheid Amsterdam, [verbalisant 3], hoofdagent van politie Eenheid Amsterdam en [verbalisant 4], brigadier van politie Eenheid Amsterdam, verklaren het volgende.

Op 10 oktober 2018 bevond ik, [verbalisant 2], mij in politiebureau Nieuwmarkt te Amsterdam. Ik bekeek in het gesloten intranetsysteem van de politie de rubriek aandachtvestigingen. Ik zag daar de melding staan betreffende een winkeldiefstal in de winkel [winkel], [adres 2] te Amsterdam. Er was parfum gestolen voor een totaalbedrag van ruim 1800 euro. Op de aandachtvestiging stonden foto’s (het hof begrijpt: stills van de bewakingscamera’s van de betreffende winkel) van de dader. Bij het zien van deze beelden herkende ik direct de mij bekende Roemeense winkeldief [verdachte]. Ik herken hem aan zijn gezicht, gezichtsuitstraling, haardracht en postuur. Ik heb [verdachte] al meerdere keren aangehouden ter zake winkeldiefstal in de binnenstad van Amsterdam.

Op 10 oktober 2018 zag ik [verdachte] in de Oudebrugsteeg te Amsterdam. Wij, [verbalisant 3], [verbalisant 4] en [verbalisant 2], zagen dat [verdachte] een identieke jas aan had als tijdens de diefstal in de [adres 2]. Op de linkermouw was op voornoemde foto’s 1 en 2 een embleem te zien. Dit embleem had [verdachte] nu ook op zijn jas zitten.

Ik, [verbalisant 4], zag na de aanhouding en tijdens de insluitingsfouillering op het cellencomplex, dat de door mij aangehouden [verdachte] 100 procent dezelfde persoon was die met foto’s in het gesloten intranetsysteem van de politie in de rubriek aandachtvestigingen stond. Ik zie 100 procent gelijkenis in de vorm van zijn gezicht, neus, wenkbrauwen en oren met foto’s die geplaatst zijn in de aandachtvestigingen. [verdachte] had ook nog dezelfde jas aan, net als op de aandachtvestiging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken met aftrek van het voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal van acht flesjes parfum, met een aanzienlijke waarde. De verdachte heeft door zijn gedrag laten zien geen respect te hebben voor andermans eigendommen. Door feiten als het onderhavige ontstaat naast schade ook overlast voor de gedupeerde bedrijven.

De verdachte is blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 16 september 2019 eerder wegens soortgelijke misdrijven veroordeeld, onder meer tot gevangenisstraffen. Deze veroordelingen hebben hem er niet van weerhouden het criminele pad te blijven bewandelen. Het hof houdt hiermee rekening ten nadele van de verdachte.

Gelet op de waarde van de gestolen goederen en de recidive in het bijzonder, kan niet worden volstaan met een andere straf dan een vrijheidsbenemende straf.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) weken.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.M.J. Quaedvlieg, mr. M.J.A. Duker en mr. S.M.M. Bordenga, in tegenwoordigheid van mr. S. Pesch, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 18 oktober 2019.