Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:3783

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-10-2019
Datum publicatie
01-11-2019
Zaaknummer
23-001894-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Diefstal in vereniging van € 9700 dmv valse sleutels in een ING-filiaal. Taakstraf en voorwaardelijke jeugddetentie. Verwerping van het alternatieve scenario van de verdediging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001894-19

datum uitspraak: 15 oktober 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam van 14 mei 2019 in de strafzaak onder parketnummer 13-232880-18 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2000,

adres: [adres 1] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 1 oktober 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de kinderrechter toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat hij:

op een of meer tijdstippen op of omstreeks 22 november 2017 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een of meer geldautomaten heeft/hebben weggenomen een of meer geldbedragen (in totaal 9700 euro), althans enig geldbedrag, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele toebehoorde aan [benadeelde] en/of ING-bank, in elk geval aan een ander of anderen dan aan de verdachte en/of zijn mededader(s), terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) die weg te nemen geldbedragen, onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door een pinpas en de daarbij behorende pincode, tot welk gebruik hij niet gemachtigd was;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

op of omstreeks 22 november 2017 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen, althans alleen, een goed te weten een pinpas (ten name gesteld aan [benadeelde] ) heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de kinderrechter.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs en de in hoger beroep gevoerde verweren 1

Ter terechtzitting in hoger beroep is door en namens de verdachte aangevoerd dat de verdachte op 22 november 2017 weliswaar in het ING-filiaal op het [adres 2] te Amsterdam is geweest, en dat hij degene is die in het proces-verbaal van bevindingen als NN42 wordt aangeduid,3 maar dat hij daar was om door hem gespaard muntgeld op zijn rekening te storten. Ter onderbouwing van dit verweer heeft de raadsvrouw een screenshot van het ING-rekeningoverzicht van de verdachte overgelegd, waaruit blijkt dat er op 22 november 2017 om 17:23 uur in het ING-filiaal [adres 2] te Amsterdam een bedrag van € 7,50 is gestort op het bankrekeningnummer van de verdachte. De verdachte heeft verklaard dat hij muntgeld onder zijn vrienden verdeelde zodat het storten sneller zou gaan. Zijn vrienden zouden een deel van het geld op hun eigen rekening storten, en het later naar de verdachte overmaken. De verdachte heeft ontkend op enigerlei wijze betrokken te zijn geweest bij de opname van het geldbedrag van € 9.700,00.

Door de raadsvrouw is als alternatieve scenario naar voren gebracht dat niet uitgesloten kan worden dat het geldbedrag van € 9.700,00 is opgenomen door een andere persoon die toevallig gelijktijdig met de groep – waar de verdachte toebehoorde – hetzelfde ING-filiaal heeft bezocht. Uit de beschrijving van de camerabeelden (p. 10) blijkt immers dat om 17:07:47 vijf personen vrijwel tegelijkertijd het bankfiliaal binnen lopen, en dat de eerste van de vijf personen om 17:07:51 direct doorloopt naar de rechter geldautomaat. Om 17:09:34, na de geldopname bij de rechter geldautomaat, loopt deze persoon direct weer naar de uitgang van het filiaal. Uit de beschrijving van de camerabeelden blijkt voorts dat deze persoon geen contact lijkt te hebben met de overige vier personen, waaronder de verdachte.

De raadsvrouw heeft geconcludeerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde, nu zijn alternatieve scenario dat mogelijk de voorste persoon van de vijf binnenkomende personen degene is geweest die het bedrag toen en daar heeft opgenomen, niet door de bewijsmiddelen kan worden uitgesloten. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat nader onderzocht dient te worden bij welke geldautomaat het genoemde geldbedrag is gepind. De zaak moet dan ook worden aangehouden zodat dit nader uitgezocht kan worden. Meer subsidiair heeft de raadsvrouw dit verzoek in voorwaardelijke vorm gedaan.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit het bankafschrift van de aangever volgt dat op 22 november 2017 om 17:08:26 een bedrag van € 9.700,00 is opgenomen door opname bij een geldautomaat van de ING op het [adres 2] .4 Uit de beschrijving van de camerabeelden van dat bankfiliaal blijkt dat de verdachte (te weten NN4) op 22 november 2017 van 17:08:31 tot 17:23:31 bij de middelste geldautomaat heeft gestaan.5 Uit het ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde stortingsbewijs blijkt dat op 22 november 2017 om 17:23 in datzelfde bankfiliaal een bedrag van € 7,50 op de rekening van de verdachte is gestort. Het hof is van oordeel dat het door de verdachte overgelegde stortingsbewijs nog geen afdoende verklaring vormt voor zijn aanwezigheid bij de middelste geldautomaat gedurende ruim een kwartier voorafgaand aan het storten. Het hof neemt daarbij tevens in aanmerking dat de verdachte, terwijl hij bij de geldautomaat staat, wordt omringd door meerdere jongens en dat er – blijkens de bewegende beelden – een opgewonden sfeer heerst. Zo blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen dat twee van de aanwezige jongens om 17:12:04 naar de middelste geldautomaat toe lopen en roepen ‘geef me doekoe, geef me doekoe!’6

Voorts acht het hof het alternatieve scenario van de verdediging dat een andere persoon het bedrag van € 9.700,00 heeft opgenomen – een scenario dat voor het eerst in hoger beroep naar voren is gebracht – niet aannemelijk geworden. Het hof overweegt in dit verband dat de persoon die volgens de raadsvrouw de opname zou kunnen hebben gedaan van 17:07:51 tot 17:09:347 in het filiaal is geweest, hetgeen het hof te kort voorkomt om een bedrag van € 9.700,00 op te kunnen nemen. Het hof wijst er in dat verband op dat de opname van een bedrag van € 9.700,00 bij een dergelijke geldautomaat – waar geen coupures worden uitgegeven met een waarde van meer dan € 50,008 – neerkomt op de opname van 194 coupures van € 50,00. Op basis van de beschrijving van de camerabeelden stelt het hof vast dat de groep waar de verdachte toebehoorde lang in het filiaal aanwezig is geweest, redelijkerwijs lang genoeg om een dergelijk bedrag op te kunnen nemen.

Het hof neemt derhalve op basis van het hiervoor weergegeven bewijs als vaststaand aan dat het wel degelijk de verdachte is geweest die samen met anderen naar de ING is gegaan en daar tezamen en in vereniging met anderen, met een pinpas en de daarbij behorende pincode, tot het gebruik waarvan hij en zijn medeverdachten niet gemachtigd waren9, een geldbedrag van in totaal € 9.700,00, toebehorende aan een ander of anderen dan de verdachte en zijn medeverdachten, heeft gepind.

Gelet op het feit dat het alternatieve scenario voor het eerst in hoger beroep wordt aangevoerd, alsmede op de onderbouwing van het in dat verband gedane verzoek tot nader onderzoek, mede in het licht van de inhoud van het dossier, ziet het hof geen enkele noodzaak om nader te (doen) onderzoeken bij welke geldautomaat het geldbedrag precies is gepind, zodat het daartoe strekkende (voorwaardelijke) verzoek van de raadsvrouw wordt afgewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:

op 22 november 2017 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een geldautomaat heeft weggenomen een geldbedrag (in totaal 9700 euro), dat toebehoorde aan een ander of anderen dan aan de verdachte en/of zijn mededaders, terwijl verdachte en zijn mededaders dit weg te nemen geldbedrag onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door een pinpas en de daarbij behorende pincode, tot welk gebruik hij niet gemachtigd was.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat,

zoals daarnaar is verwezen in de voetnoten bij de hiervoor opgenomen bewijsvoering.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De kinderrechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg primair bewezenverklaarde veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen jeugddetentie, waarvan 40 uren, subsidiair 20 dagen jeugddetentie, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarde dat de verdachte zal meewerken aan IFA.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen jeugddetentie waarvan 40 uren subsidiair 20 dagen jeugddetentie voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en een jeugddetentie voor de duur van 2 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met de bijzondere voorwaarde dat de verdachte zal meewerken aan IFA.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan diefstal door middel van valse sleutels door met een pinpas en de bijbehorende pincode, tot het gebruik waarvan hij niet gemachtigd was, bij een pinautomaat een zeer hoog bedrag van € 9.700,00 op te nemen. De verdachte heeft daarmee laten zien geen respect te hebben voor de eigendommen van anderen. Hij heeft daarmee puur uit financieel gewin het slachtoffer schade berokkend en overlast bezorgd en zichzelf onrechtmatig bevoordeeld. Het hof rekent dit de verdachte zwaar aan.

Het hof heeft gelet op de straf die in soortgelijke gevallen pleegt te worden opgelegd en die zijn weerslag heeft gevonden in de Oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS).

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft het hof kennisgenomen van hetgeen door mevrouw [naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) op de terechtzitting van 1 oktober 2019 naar voren is gebracht, waarbij het ter terechtzitting in eerste aanleg gegeven strafadvies is gehandhaafd. Mede gelet op het advies van de Raad is het hof van oordeel dat het noodzakelijk is dat de verdachte hulp en begeleiding krijgt van een IFA-coach. Gelet op de ernst van het feit, en om de verdachte ervan te weerhouden wederom strafbare feiten te plegen, zal het hof naast een werkstraf voorwaardelijke jeugddetentie van na te melden duur opleggen.

Het hof heeft tot slot acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 16 september 2019, waaruit blijkt dat hij niet eerder voor soortgelijke feiten strafrechtelijk is veroordeeld.

Het hof oordeelt dat de in eerste aanleg opgelegde straf onvoldoende recht doet aan de ernst van het feit en acht, alles afwegende, een werkstraf en een voorwaardelijke jeugddetentie van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 dagen jeugddetentie.

Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 2 (twee) weken.

Bepaalt dat de jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde gedurende de volledige proeftijd zal meewerken met de begeleiding van Intensieve Forensische Aanpak (IFA) op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling aan te geven.

Geeft opdracht aan Jeugdbescherming Regio Amsterdam, gevestigd te Amsterdam, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Plaisier, mr. M.J.A. Duker en mr. A. Dantuma-Hieronymus, in tegenwoordigheid van mr. K. Sarghandoy en mr. L. Pothast, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 15 oktober 2019.

=========================================================================

[…]

1 De door het hof in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen. Voor zover er in de voetnoten wordt verwezen naar een schriftelijk bescheid, is dit telkens slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.

2 Een proces-verbaal van bevindingen (met nummer 2017252445-8) van 9 april 2018, opgemaakt door [verbalisant 1] van de politie eenheid Amsterdam, met bijlagen 1 en 2, inhoudende onderzoek van de camerabeelden van ING Bank, filiaal [adres 2] , p. 10.

3 Verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep op 1 oktober 2019.

4 Bijlage bij een proces-verbaal van aangifte (met nummer 2017252445-1) van 30 november 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2] (p. 4) in verbinding met een proces-verbaal van bevindingen (met nummer 2017252445-13 van 12 juli 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] (p. 26).

5 Een proces-verbaal van bevindingen (met nummer 2017252445-8) van 9 april 2018, opgemaakt door [verbalisant 1] van de politie eenheid Amsterdam, met bijlagen 1 en 2, inhoudende onderzoek van de camerabeelden van ING Bank, filiaal [adres 2] , p. 10-20.

6 [naam 2], p. 11.

7 [naam 2], p. 10.

8 Een proces-verbaal relaas (met nummer PL1300-2017252445) van 2 oktober 2018, opgemaakt door [verbalisant 1] van de politie eenheid Amsterdam, blad 2.

9 Een proces-verbaal van aangifte (met nummer 2017252445-1) van 30 november 2017, opgemaakt door [verbalisant 2] van de politie eenheid Amsterdam, inhoudende de aangifte door [benadeelde] , p. 3.