Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:3778

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-10-2019
Datum publicatie
21-01-2020
Zaaknummer
200.261.608/01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2019:4744
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

tussenbeschikking, benoeming bijzondere curator

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.261.608/01

zaaknummer rechtbank: C/13/662451 /FA RK 19/1169

beschikking van de meervoudige kamer van 15 oktober 2019 in de zaak van

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. R. Korver te Amsterdam.

en

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. M. Nurdogan-Ferwerda te Amsterdam.

In zijn adviserende taak is in de procedure gekend:

Raad voor de Kinderbescherming Amsterdam

hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 17 april 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De man heeft op 27 juni 2019 hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank Amsterdam (zaaknummer: 200.261.608/01). Daarbij heeft hij verzocht om schorsing van de werking van de bestreden beschikking (zaaknummer: 200.261.608/02).

2.2.

De vrouw heeft op 19 juli 2019 een verweerschrift ingediend tegen het verzoek van de man in hoger beroep alsmede het verzoek tot schorsing.

2.3.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van man van 23 augustus 2019 met producties 17 tot en met 19, ingekomen op 23 augustus 2019;

- een journaalbericht van 2 september 2019 van de zijde van de vrouw met bijlagen 3 tot en met 9, ingekomen op 3 september 2019;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 4 september 2019 met producties 20 tot en met 22, ingekomen op 5 september 2019;

- een journaalbericht van 4 september 2019 van de zijde van de vrouw met producties 10 en 11, ingekomen op 5 september 2019;

- een journaalbericht van 5 september 2019 van de zijde van de vrouw met een bijlage, ingekomen op 5 september 2019;

- een journaalbericht van 24 september 2019 van de zijde van de vrouw met een bijlage, ingekomen op 25 september 2019;

- een journaalbericht van 25 september 2019 van de zijde van de man met een bijlage, ingekomen op dezelfde datum;

- een journaalbericht van 30 september 2019 van de zijde van de man met een bijlage, ingekomen op dezelfde datum;

- een journaalbericht van 30 september 2019 van de zijde van de vrouw met een bijlage, ingekomen op 1 oktober 2019;

- een journaalbericht van 2 oktober 2019 van de zijde van de man met een bijlage, ingekomen op dezelfde datum.

2.4

Bij beschikking van 10 september 2019 is de werking van de bestreden beschikking geschorst voor zover deze ziet op de verleende vervangende toestemming aan de vrouw om met de kinderen naar Spanje te verhuizen en de vastgestelde zorg- en vakantieregeling.

3 De feiten

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad en zij hebben van 2008 tot 2016 samengewoond. Tijdens deze relatie zijn geboren:

- [A] , geboren [in] 2011 te [geboorteplaats 1] (hierna: [kind A] );

- [B] , geboren [in] 2014 te [geboorteplaats 2] (hierna: [kind B] ).

Partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit. Partijen zijn na beëindiging van hun relatie een zorgregeling overeengekomen, waarbij de kinderen de ene week twee dagen bij de man, twee dagen bij de vrouw en drie dagen bij de man zijn en de volgende week twee dagen bij de vrouw, twee dagen bij de man en drie dagen bij de vrouw zijn.

4 Het verzoek

4.1.

Bij de bestreden beschikking is op verzoek van de vrouw aan haar vervangende toestemming verleend om met [kind A] en [kind B] te verhuizen naar Spanje. Daarnaast is een zorg- en vakantieregeling vastgesteld tussen de man en de kinderen aldus, dat zij bij de man verblijven:

- gedurende een weekend per maand van vrijdag tot en met zondag in [woonplaats] , waarbij de vrouw de kinderen haalt en brengt totdat zij als “unaccompanied minors” kunnen reizen;

- gedurende een weekend per maand van vrijdag na school tot maandag naar school in [plaats] ;

- gedurende de (Spaanse) kortdurende schoolvakanties bij de man in Nederland;

- gedurende de zomervakantie vier weken;

In het oneven jaar gedurende de kerstvakantie bij de vrouw en in het even jaar bij de man;

en voorts dat de man en de kinderen ten minste driemaal per week, op woensdag, vrijdag en zondag om 18:00 uur via Skype of Facetime contact met elkaar hebben;

waarbij de vrouw het verblijf van de man in [plaats] kosteloos zal faciliteren en waarbij de vrouw de kosten van de kinderen in verband met de internationale zorgregeling zal bekostigen.

4.2.

De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking:

I. te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de man zal zijn;

II. een bijzondere curator te benoemen;

III een verdeling van de zorg- en opvoedtaken te bepalen bestaande uit dat de kinderen:

- Een weekend per twee weken van vrijdag uit school tot en met maandag naar school bij de vrouw in [woonplaats] zullen verblijven;

- Tenminste driemaal per week, op woensdag, vrijdag en zondag, om 18.00 uur via Skype of Facetime contact hebben met de vrouw;

- Daarnaast een vakantieregeling vast te stellen die inhoudt dat de kinderen bij de vrouw verblijven gedurende de kortdurende Spaanse schoolvakanties, de zomervakantie gedurende drie weken, in de even jaren gedurende de Kerstvakantie en dat zij de andere vakanties bij de man verblijven,

- en voorts gedurende de verjaardag van de man bij de man en de verjaardag van de vrouw bij de vrouw;

- dan wel een zorgregeling vast te stellen door het hof in goede justitie te bepalen.

4.3.

De vrouw verzoekt, naar het hof begrijpt, de bestreden beschikking te bekrachtigen, de verzoeken van de man in hoger beroep af te wijzen en in het kader van de zorgregeling te bepalen dat de kinderen in de zomervakantie gedurende zes weken bij de man verblijven.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge artikel 1:250 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter, wanneer in aangelegenheden betreffende diens verzorging en opvoeding, dan wel het vermogen van de minderjarige, de belangen van de met het gezag belaste ouders of de voogd in strijd zijn met die van de minderjarige, een bijzondere curator benoemen, om de minderjarige ter zake zowel in als buiten rechte te vertegenwoordigen, indien de rechter dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk acht, daarbij in het bijzonder de aard van de belangenstrijd in aanmerking genomen.

5.2

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van het schorsingsverzoek heeft het hof de ouders verzocht zich uit te laten over de benoeming vaneen bijzondere curator voorafgaand aan de behandeling in de bodemzaak.

5.3

De man stelt zich in zijn hiervoor onder 2.3 genoemde brieven van 24 september 2019, 30 september 2019 en 2 oktober 2019 – anders dan in zijn verzoek bij zijn appelschrift – op het standpunt dat een onderzoek door de raad geraden is. Hij vreest dat in geval van benoeming van een bijzondere curator de kinderen met de strijd tussen de ouders worden belast.

De vrouw stelt zich in haar hiervoor onder 2.3 genoemde brieven van 25 september en 30 september 2019 op het standpunt dat het van belang is een bijzondere curator te benoemen.

5.4

Het hof overweegt als volgt. Gezien het belang van de vrouw bij toestemming om met de kinderen naar Spanje te verhuizen enerzijds en het belang van de man dat de kinderen niet naar Spanje verhuizen anderzijds, acht het hof het in het belang van de kinderen noodzakelijk om een bijzondere curator te benoemen. Deze dient de stem van de kinderen naar voren brengen. Het hof zal dan ook een bijzondere curator benoemen. Deze benoeming laat onverlet de mogelijkheid dat het hof, indien hij zich onvoldoende voorgelicht acht, een onderzoek door de raad gelast.

5.5

Gelet op de jonge leeftijd van de kinderen is het van belang om iemand te benoemen die kennis en ervaring heeft met betrekking tot de ontwikkeling van kinderen en de wijze waarop zij betrokken dienen te worden bij de vraag waar en bij wie zij (gaan) wonen en hoe de verdeling van de tijd tussen de man en de vrouw zou moeten zijn, zonder dat de kinderen met de strijd tussen de ouders worden belast.

5.6

De taak van de bijzondere curator in de onderhavige procedure is allereerst te waarborgen dat de belangen van de kinderen worden behartigd. De te benoemen bijzondere curator krijgt dan ook de opdracht om in gesprek te gaan met de kinderen met in ieder geval als onderwerpen:

- de wens van de vrouw om met de kinderen te verhuizen naar Spanje en de gevolgen die dat heeft voor het contact tussen de kinderen en de man en de invulling van de weekenden en vakanties;

- de wens van de man om de huidige regeling te handhaven.

Daarnaast dient de bijzondere curator te onderzoeken in hoeverre de kinderen zelf wensen hebben.

Het hof zal aan de bijzondere curator de keuze laten om de kinderen bij de man en/of de vrouw thuis te zien en te spreken dan wel op een neutrale locatie.

Voorts wordt verzocht al datgene te doen wat in het belang van de kinderen kan worden geacht en staat het haar ook vrij op eigen initiatief een gesprek met ouders of een derde te voeren, als wordt ingeschat dat deze belangrijke informatie kunnen verschaffen.

5.7

Het hof zal bepalen dat de advocaten van de ouders de bijzondere curator van adres-, email- en telefoongegevens zal voorzien zodat zo spoedig mogelijk afspraken kunnen worden gemaakt.

5.8

Teneinde de bijzondere curator in de gelegenheid te stellen op korte termijn van de zaak kennis te nemen zal de griffie van het hof een afschrift van de processtukken aan de bijzondere curator ter beschikking stellen.

5.9

Het hof heeft mevrouw A. van Teijlingen, MfN-Registermediator, Familiemediator en Crossbordermediator, bereid gevonden om als bijzondere curator voor de kinderen op te treden. Het hof zal thans tot benoeming van laatstgenoemde tot bijzondere curator overgaan.

5.10

Indien mevrouw Van Teijlingen is ingeschreven bij Raad voor Rechtsbijstand, dient zij daar zelf de aanvraag voor vergoeding in te dienen. Indien zij niet is ingeschreven, zullen de kosten van haar onderzoek ten laste komen van ’s Rijks kas, conform de gebruikelijke vergoeding bij de Raad voor Rechtsbijstand.

5.11

De bijzondere curator wordt benoemd over meerdere minderjarigen. Aannemelijk is echter dat ten aanzien van ieder kind verschillende rechtsbelangen spelen, waarmee de bijzondere curator rekening dient te houden.

5.12

Het hof wijst de ouders er op dat zij de verplichting hebben aan de door de bijzondere curator te geven instructies gevolg te geven.

Voorts verzoekt het hof de bijzondere curator de leidraad werkwijze en verslag bijzondere curatoren ex artikel 1:250 BW in acht te nemen. In afwachting van het verslag van de bijzondere curator wordt iedere verdere beslissing aangehouden.

5.13

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

- benoemt, alvorens verder te beslissen, met ingang van heden tot bijzondere curator als bedoeld in artikel 1:250 BW over de minderjarige [A] en [B] :

Mevrouw A. van Teijlingen, H. Knoopstraat 1, 2170 AA Sassenheim;

- verzoekt de bijzondere curator te voldoen aan het hiervoor onder 5.6 bepaalde en daaromtrent aan het hof, aan partijen en de Raad voor de Kinderbescherming schriftelijk verslag uit te brengen uiterlijk op 25 november 2019;

- bepaalt dat (de advocaten van) de partijen per ommegaande adressen, email- en telefoongegevens van de ouders aan de bijzondere curator ter kennis brengen, zodat zo spoedig als mogelijk afspraken kunnen worden gemaakt;

- benoemt tot raadsheer-commissaris mr. G.W. Brands-Bottema, met wie de bijzondere curator zich, indien daartoe aanleiding is, omtrent het verloop en de voortgang van het onderzoek kan verstaan;

- draagt de griffier van het hof op binnen één week na de datum van deze beschikking een afschrift van de processtukken aan de bijzondere curator ter beschikking te stellen;

- houdt iedere verdere beslissing aan tot de eerder bepaalde mondelinge behandeling op 9 december 2019 om 13.30 uur .

Deze beschikking is gegeven door mr. G.W. Brands-Bottema, mr. M.T. Hoogland en mr. P. Sliepenbeek, bijgestaan door mr. T. Mekkelholt als griffier, en is op 15 oktober 2019 in het openbaar uitgesproken.