Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:3769

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-10-2019
Datum publicatie
29-10-2019
Zaaknummer
200.250.080/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2018:8026
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Kinder- en partneralimentatie. Niet verwijtbaar en niet voor herstel vatbaar inkomensverlies levert wijziging van omstandigheden ex artikel 1:401 lid 1 BW op. Herbeoordeling draagkracht man. Beoordeling verzoeken tot terugbetalingsverplichting en proceskostenveroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie -en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.250.080/01

zaaknummer rechtbank: C/15/267255/ FA RK 17-7012

beschikking van de meervoudige kamer van 15 oktober 2019 inzake

[X] ,

verder te noemen: de vrouw,

en

[A] ,

verder te noemen: [jongmeerderjarige] ,

beiden wonende te [woonplaats] , gemeente [Z] ,

verzoekster in het principaal hoger beroep (de vrouw),

verweerders in het incidenteel hoger beroep (de vrouw en [jongmeerderjarige] ),

advocaat: mr. D.W. Giltay Veth te Nieuw-Vennep,

en

[Y] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [Z] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. I.E. van der Bijl te Haarlem.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Holland (Haarlem) van 19 september 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De vrouw is op 22 november 2018 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 19 september 2018.

2.2

De man heeft op 15 januari 2019 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.

2.3

De vrouw heeft op 22 februari 2019 een verweerschrift in het incidenteel hoger beroep ingediend en daarbij tevens haar verzoek in principaal hoger beroep vermeerderd.

2.4

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 1 mei 2019 met bijlagen (producties 5 en 15 t/m 21), ingekomen op 2 mei 2019;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 1 mei 2019 met bijlagen (producties 6 t/m 8), ingekomen op 3 mei 2019.

2.5

De minderjarige [B] (verder te noemen: [minderjarige] ) is in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken met betrekking tot het verzoek in incidenteel appel, maar zij heeft daarvan geen gebruik gemaakt.

2.6

De mondelinge behandeling heeft op 13 mei 2019 plaatsgevonden.

De man en de vrouw zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. De advocaat van de vrouw en [jongmeerderjarige] heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

[jongmeerderjarige] is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

3 De feiten

3.1

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2

Het huwelijk van partijen is op 18 juli 2011 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 28 juni 2011 in de registers van de burgerlijke stand.

3.3

Partijen zijn de ouders van:

- [jongmeerderjarige] , geboren [in] 1999 te [geboorteplaats] ,

- [minderjarige] , geboren [in] 2001 te [geboorteplaats] (hierna gezamenlijk: de kinderen).

De kinderen verblijven bij de vrouw.

3.4

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

3.5

Bij echtscheidingsbeschikking van 28 juni 2011 van de rechtbank Haarlem is bepaald dat het echtscheidingsconvenant dat partijen hebben gesloten deel uitmaakt van de beschikking en dat de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (hierna ook: kinderalimentatie) zal betalen van € 332,50 per kind per maand. Partijen zijn voorts onder het kopje “Alimentatie vrouw” in artikel 1.3 van het echtscheidingsconvenant overeengekomen dat het bruto alimentatiebedrag vanaf 1 januari 2014 € 480,- per maand bedraagt.

3.6

Bij beschikking van 2 september 2015 heeft de rechtbank Noord-Holland – voor zover van belang – nader bepaald dat de man een kinderalimentatie van € 81,- per kind per maand zal voldoen en het verzoek van de vrouw tot wijziging van de partneralimentatie afgewezen.

Bij beschikking van 2 augustus 2016 van dit hof is voormelde beschikking vernietigd en – voor zover hier van belang - met ingang van 1 januari 2016 de kinderalimentatie nader bepaald op € 262,- per kind per maand en de partneralimentatie op € 397,- per maand.

Ingevolge de wettelijke indexering bedraagt met ingang van 1 januari 2019 de kinderalimentatie € 277,- per kind per maand en de partneralimentatie € 420,- per maand.

3.7

[jongmeerderjarige] is [in] 2017 meerderjarig geworden. Vanaf die datum is de door de man aan de vrouw te betalen kinderbijdrage voor [jongmeerderjarige] op grond van artikel 1:395b van het Burgerlijk Wetboek (BW) van rechtswege omgezet in een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden, uitvoerbaar bij voorraad verklaarde, beschikking is op verzoek van de man, met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van het hof Amsterdam van 2 augustus 2016, de door hem te betalen partneralimentatie met ingang van 29 november 2017 op nihil gesteld.

Afgewezen is het verzoek van de man om, met vernietiging van de beschikking van het hof Amsterdam van 2 augustus 2016 in zoverre, te bepalen dat hij met ingang van 1 oktober 2017 een kinderalimentatie zal betalen van € 103,50 per kind per maand en met ingang van 1 april 2018 van € 62,- per kind per maand. Voorts zijn afgewezen de over en weer gedane verzoeken van partijen de ander in de kosten van de procedure te veroordelen.

4.2

De vrouw verzoekt in principaal hoger beroep – naar het hof begrijpt –, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, het inleidend verzoek van de man tot nihilstelling van de partneralimentatie alsnog af te wijzen en hem te veroordelen in de kosten van beide instanties, met inbegrip van de door de vrouw te maken nakosten.

Na vermeerdering van haar verzoek (bij verweerschrift in incidenteel hoger beroep) verzoekt zij tevens de man te veroordelen tot terugbetaling aan haar van al hetgeen zij op grond van de bestreden beschikking aan hem heeft betaald, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der betaling door de vrouw tot de dag van terugbetaling door de man.

4.3

De man verzoekt – naar het hof begrijpt: primair - het door de vrouw in principaal hoger beroep verzochte af te wijzen en subsidiair, indien en voor zover een partneralimentatie wordt vastgesteld, te bepalen dat de alimentatieverplichting van de man zal eindigen een jaar na de datum van de te geven beschikking, dan wel (na) enige andere termijn als het hof juist zal achten.

In incidenteel hoger beroep verzoekt de man, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, alsnog zijn inleidend verzoek toe te wijzen inhoudende dat hij met ingang van 1 oktober 2017 een kinderalimentatie zal betalen van € 103,50 per kind per maand en met ingang van 1 april 2018 van € 62,- per kind per maand, althans een zodanig bedrag en ingangsdatum als het hof juist zal achten.

Daarnaast verzoekt hij de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure als ook tot terugbetaling van de door hem teveel betaalde partner- en kinderalimentatie van een nog nader te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 september 2018.

4.4

De vrouw en [jongmeerderjarige] verzoeken - naar het hof begrijpt - het door de man in incidenteel hoger beroep verzochte af te wijzen en hem te verwijzen in de kosten.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ten aanzien van de stukken in het dossier overweegt het hof allereerst het volgende. Alinea 1.1 tot en met 1.7 van het verweerschrift in incidenteel hoger beroep van de zijde van de vrouw behelst een inhoudelijke reactie op het verweerschrift in principaal hoger beroep van de zijde van de man. Dit betreft een extra schriftelijke ronde, die op grond van de zogeheten twee-conclusie-regel en de toepasselijke bepalingen in het procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken bij de hoven niet is toegestaan. Het hof zal, nu de man ter zitting daartegen bezwaar heeft gemaakt, geen acht slaan op voormelde alinea’s in het verweerschrift in incidenteel hoger beroep.

5.2

Het hof zal eerst ingaan op de grieven van de man in incidenteel hoger beroep betreffende de kinderalimentatie (draagkracht van de man). Vervolgens zal het hof ingaan op de grieven van de vrouw in principaal hoger beroep betreffende de partneralimentatie (behoefte van de vrouw en ingangsdatum). Daarna zal het hof de door beide partijen verzochte terugbetalingsverplichting en proceskostenveroordeling beoordelen.

Incidenteel hoger beroep: kinderalimentatie

Ingangsdata

5.3

De door de man verzochte ingangsdata voor wijziging van de kinderalimentatie zijn niet in geschil zodat het hof deze data als uitgangspunt neemt.

Hoogte behoefte kinderen

5.4

De in het echtscheidingsconvenant van 19 mei 2011 vastgestelde behoefte van € 332,50 per kind per maand, thans ingevolge de wettelijke indexering € 373,07 per kind per maand, is niet in geschil en staat daarmee vast. De man heeft ter zitting betoogd dat de kinderen volwassen zijn en een bijbaan kunnen nemen. Namens de vrouw en [jongmeerderjarige] is tegen deze stelling gemotiveerd verweer gevoerd.

Het hof overweegt als volgt. Ingevolge de artikelen 1:392 lid 2 jo. 1:395a lid 1 BW geldt de onderhoudsverplichting onverkort, dus ook als kinderen die de leeftijd van een en twintig jaren nog niet hebben bereikt niet behoeftig zijn. Het hof gaat dan ook aan de stelling van de man voorbij.

Draagkracht van de man

5.5

De vrouw stelt – kort en zakelijk samengevat - dat bij de man sprake is van verwijtbaar inkomensverlies, nu het de keuze van de man is geweest per 1 oktober 2017 minder te gaan werken en thans aan de slag te gaan in een andere sector met een aanzienlijk lager salaris dan hij voorheen als ICT-er genoot. De man heeft de stelling van de vrouw gemotiveerd weersproken. Vast staat dat de man per 1 oktober 2017 is teruggegaan van een 36-urige werkweek naar een 24-urige werkweek als ICT-er bij zijn toenmalige werkgever [bedrijf 1] . Vervolgens is zijn arbeidsovereenkomst, die op 31 maart 2018 afliep, niet verlengd. Met ingang van 4 april 2018 ontvangt hij een WW-uitkering. Met ingang van 1 maart 2019 is hij werkzaam gedurende 28 uur per week als woningbegeleider bij [bedrijf 2] met een aanzienlijk lager salaris dan hij voorheen genoot. De man heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij in september 2019 bij zijn huidige werkgever start met een zogeheten BBL-traject met baangarantie, hetgeen geen gevolgen heeft voor zijn huidige salaris, en dat hij tot april 2020 een aanvullende WW-uitkering ontvangt.

Beoordeeld dient te worden in hoeverre de inkomensvermindering aan de zijde van de man met ingang van 1 oktober 2017 voor herstel vatbaar is, en of deze vermindering verwijtbaar is. Uit de in eerste aanleg door de man overgelegde medische stukken blijkt onder meer dat de man een angststoornis heeft, al langere tijd onder behandeling is bij de GGZ en reeds drie maal een burn out heeft gehad. De man heeft ter zitting desgevraagd nader toegelicht dat hij per 1 oktober 2017 minder uren is gaan werken omdat hij de belasting van het werk niet aankon. Het werk bracht hem teveel stress. Na overleg met en op advies van de arbo arts is hij minder gaan werken bij zijn toenmalige werkgever om te voorkomen dat hij geheel zou uitvallen. Zijn contract is vervolgens eind maart 2018 niet verlengd in verband met zijn medische klachten en omdat de ICT-werkzaamheden bij zijn toenmalige werkgever zouden worden uitbesteed, hetgeen nadien ook daadwerkelijk is gebeurd. Zijn huidige werk, waarbij hij als woonbegeleider oudere mensen met een geestelijke beperking helpt, is op een rustiger niveau en levert een andere, betere belasting voor hem op waardoor hij dit werk langere tijd kan blijven doen, aldus de man ter zitting.

De vrouw heeft dit relaas van de man ter zitting niet, althans onvoldoende gemotiveerd weersproken. De man heeft bovendien met stukken onderbouwd dat hij inspanningen heeft verricht voor het vinden van ander werk, hetgeen hem met ingang van 1 maart 2019 ook is gelukt, zij het met een aanzienlijk lager salaris. Het hof acht mede in het licht van de onbetwiste toelichting van de man ter zitting, voldoende aannemelijk gemaakt dat de man geen verwijt valt te maken bij het terugbrengen van zijn uren bij de [bedrijf 1] , het niet verlengen van zijn dienstverband aldaar, en de nadien opgetreden terugval in inkomsten. Evenmin is de inkomstenvermindering voor herstel vatbaar. De inkomensvermindering levert een rechtens relevante wijziging van omstandigheden op in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW, die een herbeoordeling van de door de man met ingang van 1 oktober 2017 en (gelet op zijn WW-uitkering) met ingang van 1 april 2018 te betalen kinderalimentatie rechtvaardigt, zoals door de man verzocht.

5.6

Het hof neemt bij de herbeoordeling het NBI van de man in aanmerking. Dit inkomen wordt vastgesteld door de som te nemen van het bruto inkomen en de werkelijke inkomsten uit vermogen, verminderd met de belastingen en premies die daarover verschuldigd zijn. Het hof zal aldus een getrapte beschikking afgeven, waarbij:

- voor de periode vanaf 1 oktober 2017 tot 1 april 2018 wordt uitgegaan van het salaris bij [bedrijf 1] blijkens de stukken van € 2.190,- bruto per maand, hetgeen rekening houdend met vakantietoeslag en de algemene heffingskorting en arbeidskorting neerkomt op een NBI van € 1.894,- per maand;

- voor de periode vanaf 1 april 2018 zal het hof in redelijkheid uitgaan van het door de man als productie 7 bij de nagekomen stukken overgelegde print digitaal klantdossier van het UWV van 1 mei 2019, waaruit een tot en met 28 februari 2019 gemiddeld door hem ontvangen WW-uitkering van € 2.169,- bruto per maand inclusief vakantietoeslag blijkt. Rekening houdend met de algemene heffingskorting komt dit neer op een NBI van € 1.521,- per maand. Anders dan de vrouw ter zitting stelt, ziet het hof geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid c.q. volledigheid van de print digitaal klantdossier. Het betreft immers een van overheidswege verstrekt document, terwijl de daarin vermelde bedragen overeenkomen met eerder door de man overgelegde betaalspecificaties en de laatste WW-uitkering aansluit op de nieuwe dienstbetrekking van de man met ingang van 1 maart 2019. De omstandigheid dat er geen einddatum is vermeld op het digitaal klantdossier van 1 mei 2019 is te verklaren omdat de man naast zijn salaris uit huidige dienstbetrekking een aanvullende WW-uitkering ontvangt. Bovendien komt het huidige salaris van de man (€ 1.614,75 per maand, exclusief vakantietoeslag) vermeerderd met de door hem overgelegde proefberekening aanvullende WW-uitkering van € 412,15 per maand nagenoeg overeen met de blijkens de print digitaal klantdossier in de periode van 4 april 2018 tot en met 28 februari 2019 gemiddeld aan de man betaalde WW-uitkering.

5.7

Ter zitting in hoger beroep heeft de vrouw gesteld dat de man extra verdiencapaciteit heeft in die zin dat hij naast zijn huidige baan nog elders zou kunnen werken. De man heeft ter zitting onbetwist gesteld dat hij 28 uur per week werkt en wisselende diensten draait. Aannemelijk is daarmee naar het oordeel van het hof dat het hierdoor voor hem niet mogelijk is zijn huidige baan met een andere baan te combineren. Het hof gaat dan ook aan deze stelling van de vrouw voorbij.

5.8

De draagkracht met ingang van 1 oktober 2017 wordt vastgesteld aan de hand van de voor 2017 geldende formule 70% [NBI - (0,3 NBI + € 905,-)], nu het een netto besteedbaar inkomen betreft dat hoger is dan € 1.575,- per maand. Deze benadering houdt in dat aan de zijde van de man het draagkrachtloos inkomen wordt vastgesteld op 30% van het netto besteedbaar inkomen ter zake van forfaitaire woonlasten vermeerderd met een bedrag van € 905,- aan overige lasten en dat van het bedrag, dat van het netto besteedbaar inkomen resteert na aftrek van dit draagkrachtloos inkomen, 70% beschikbaar is voor kinderalimentatie. De draagkracht van de man bedraagt aldus 70% [€ 1894,- - (0,3 x € 1.894,- + € 905,-)] = € 294,- per maand.

5.9

De draagkracht met ingang van 1 april 2018 wordt vastgesteld aan de hand van de voor 2018 toepasselijke draagkrachttabel, nu het een netto besteedbaar inkomen betreft dat lager is dan € 1.600,- per maand. Uitgaande van die tabel leidt het inkomen van € 1.521,- per maand tot een beschikbare draagkracht van € 126,- per maand.

Aanvaardbaarheidstoets

5.10

De man verzoekt rekening te houden met zijn betalingsverplichting uit hoofde van de navolgende schulden:

1. een huurschuld van één maand van € 490,61;

2. een schuld bij de Rabobank in verband met een creditcard van € 2.459,99;

3. een doorlopend krediet schuld bij de Rabobank van € 2.499,87;

4. een schuld bij het Zilveren Kruis in verband met achterstallige ziektekostenpremie van in totaal € 939,14;

5. een schuld aan zijn ouders van € 2.375,-;

6. achterstallige advocaatkosten van € 14.890,31, waarop de man € 250,- per maand aflost.

Hij stelt daartoe - naar het hof begrijpt - dat het buiten beschouwing laten van die verplichting bij de vaststelling van de bijdrage voor hem tot een onaanvaardbaar resultaat leidt, omdat hij deze bijdrage met zijn inkomen niet meer in zijn noodzakelijke kosten van levensonderhoud kan voorzien.

De vrouw heeft het standpunt van de man gemotiveerd betwist.

5.11

Het hof overweegt als volgt. De man heeft onvoldoende gesteld om een beroep op de aanvaardbaarheidstoets te kunnen doen. Daarbij komt nog het volgende. De opgevoerde huurschuld betreft slechts één lopende huurtermijn (maart 2019). De man heeft onvoldoende inzicht geboden in het ontstaan van de onder 2 en 3 opgevoerde schulden en de noodzaak voor het aangaan daarvan. Voorts is niet gebleken dat de opgevoerde credit card schuld over een langere termijn is opgebouwd dan die waarop de reguliere maandelijkse afrekening ziet. Ook voor de onder 4 opgevoerde schuld is onvoldoende toegelicht waarom de ziektekosten niet van het draagkrachtloos inkomen konden worden voldaan.

De man heeft tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw het bestaan van de onder 5 opgevoerde schuld aan zijn ouders onvoldoende aannemelijk gemaakt. De enkele, niet ondertekende, schriftelijke verklaring van [S] is daartoe onvoldoende.

De opgevoerde advocaatkosten, ten slotte, prevaleren niet boven de onderhoudsverplichting voor de kinderen. De man zal de door hem gestelde aflossing van € 250,- per maand uit zijn draagkrachtloos inkomen en vrije ruimte moeten voldoen.

Dit brengt met zich dat het hof met de opgevoerde schulden geen rekening zal houden bij de bepaling van zijn draagkracht.

5.12

Het voorgaande leidt ertoe dat, met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van dit hof van 2 augustus 2016, de man met ingang van 1 oktober 2017 tot 1 april 2018 een kinderalimentatie respectievelijk bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van € 147,- per kind per maand en vervolgens met ingang van 1 april 2018 van € 63,- per kind per maand dient te betalen. Het hof zal de bestreden beschikking dan ook in zoverre vernietigen en beslissen overeenkomstig het voorgaande.

Partneralimentatie

5.13

Nu de man geen draagkracht resteert, kan bespreking van de grieven van de vrouw in principaal hoger beroep met betrekking tot de partneralimentatie (behoefte van de vrouw en ingangsdatum) verder achterwege blijven. De bestreden beschikking zal derhalve ten aanzien van de nihilstelling van de partneralimentatie worden bekrachtigd.

Terugbetalingsverplichting

5.14

De vrouw verzoekt de man te veroordelen tot terugbetaling aan haar van al hetgeen zij op grond van de bestreden beschikking aan hem heeft betaald, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der betaling door de vrouw tot de dag van terugbetaling door de man. De man op zijn beurt verzoekt de vrouw te veroordelen tot terugbetaling van de door hem teveel betaalde kinderalimentatie, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 september 2018. Volgens vaste rechtspraak geldt dat de rechter die een onderhoudsverplichting verlaagt met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum, aan de hand van hetgeen ten processe is gebleken, dient te beoordelen in hoeverre een daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting in redelijkheid kan worden aanvaard. Dat geldt ook voor de appelrechter die een door de eerste rechter bepaalde onderhoudsverplichting verlaagt. Gebleken is dat de vrouw in eerste aanleg in staat werd geacht tot terugbetaling van teveel ontvangen partneralimentatie vanwege de medio 2018 door haar ontvangen helft van de overwaarde van de echtelijke woning na verkoop. De rechtbank heeft de vrouw daarom veroordeeld tot terugbetaling. Het hof ziet op grond van hetgeen in hoger beroep is gebleken over de financiële situatie van partijen geen aanleiding daarover thans anders te oordelen. Het hof is evenwel van oordeel dat, gelet op die terugbetalingsverplichting en gelet op hetgeen voor het overige is gebleken ten aanzien van de financiële situatie van de vrouw in redelijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd dat zij ook de door haar met ingang van 1 oktober 2017 teveel ontvangen kinderalimentatie aan de man terug betaalt. Datzelfde geldt voor [jongmeerderjarige] ten aanzien van de door hem vanaf 1 oktober 2017 teveel ontvangen bijdrage in de kosten van studie en levensonderhoud.

Het hof wijst de verzoeken van de vrouw en van de man op dit onderdeel af.

Proceskosten

5.15

De vrouw verzoekt de man te veroordelen in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep. De man op zijn beurt verzoekt de vrouw te veroordelen in de proceskosten in deze procedure. Gelet op de familierelatie en de aard van de procedure heeft de rechtbank naar het oordeel van het hof de proceskosten in eerste aanleg op juiste gronden gecompenseerd, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt. Het hof zal de proceskosten in hoger beroep op dezelfde wijze compenseren. Het hof wijst de verzoeken van de vrouw en van de man dan ook af.

5.16

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking van 19 september 2018 van de rechtbank Noord-Holland (Haarlem) voor zover betrekking hebbend op de door de man te betalen kinderalimentatie en bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie, en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijzigt de beschikking van dit hof van 2 augustus 2016 en bepaalt dat de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] zal betalen:

- met ingang van 1 oktober 2017 tot 1 april 2018 van € 147,- (zegge: HONDERDZEVENENVEERTIG EURO) per maand; en

- met ingang van 1 april 2018 van € 63,- (zegge: DRIEËNZESTIG EURO) per maand, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

wijzigt de beschikking van dit hof van 2 augustus 2016 en bepaalt dat de man aan [jongmeerderjarige] een bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud en studie zal betalen:

- met ingang van 1 oktober 2017 tot 1 april 2018 van € 147,- (zegge: HONDERDZEVENENVEERTIG EURO) per maand; en

- met ingang van 1 april 2018 van € 63,- (zegge: DRIEËNZESTIG EURO) per maand, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen,

met dien verstande dat, voor zover de man over de periode vanaf 1 oktober 2017 tot heden meer heeft betaald en/of meer op hem is verhaald met betrekking tot de bijdrage voor [minderjarige] en [jongmeerderjarige] , de bijdrage tot heden wordt bepaald op hetgeen door de man is betaald en/of op hem is verhaald;

bekrachtigt de beschikking van 19 september 2018 van de rechtbank Noord-Holland (Haarlem) voor het overige;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.T. Hoogland, mr. A.N. van de Beek en mr. M. Groenleer, in tegenwoordigheid van mr. C.M. van Harten en is op 15 oktober 2019 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.