Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:3761

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-10-2019
Datum publicatie
25-10-2019
Zaaknummer
23-002409-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering blaastest. Verdachte lijdt aan bipolaire stoornis, Psychische toestand ten tijde van weigering niet zodanig dat deze hem niet kan worden toegerekend. Verweer strekkende tot ontslag van alle rechtsvervolging verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002409-18

datum uitspraak: 15 oktober 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 3 juli 2018 in de strafzaak onder de parketnummers 96-063098-18 en 96-166473-17 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (NH) op [geboortedag] 1985,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

1 oktober 2019.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 20 maart 2018 te Bergen (NH), in elk geval in Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel

8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van genoemde wet, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en/of aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 20 maart 2018 te Bergen (NH), als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van genoemde wet, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en/of aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat hij op 20 maart 2018 in een manische periode verkeerde en volledig ontoerekeningsvatbaar was. Het ten laste gelegde kan hem daarom niet worden toegerekend.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de verdachte betreffende rapporten van psychologisch en psychiatrisch onderzoek van respectievelijk 26 mei 2018 en 10 oktober 2018, opgemaakt in een andere strafzaak, is gebleken dat bij de verdachte sprake is van psychiatrische problematiek, te weten een bipolaire I stoornis. Uit deze rapporten blijkt voorts dat de verdachte op 23 maart 2018 − drie dagen na het plegen van het onderhavige feit − (waarschijnlijk) een manische episode had.

De verdachte is in de onderhavige strafzaak op 20 maart 2018 op verdenking van overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 (rijden onder invloed) aangehouden en overgebracht naar het politiebureau, waar hem is gevorderd medewerking te verlenen aan een ademanalyse. Nadat de verdachte één keer had meegewerkt met de ademanalyse, heeft hij vervolgens medewerking geweigerd door te zeggen: “Nee, ik ga niet meer blazen”.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij ook ten tijde van het onderhavige feit al in een ontremde toestand verkeerde, omdat hij kort daarvoor op eigen initiatief was gestopt met het gebruik van het medicijn lithium dat aan hem was voorgeschreven in verband met zijn geestelijke toestand. De ontremde gemoedstoestand werd versterkt door het gebruik van alcohol.

Niet ter discussie staat dat de verdachte ten tijde van het onderhavige feit leed aan een bipolaire stoornis, waarvoor hem de lithium was voorgeschreven. Evenmin staat ter discussie dat hij met dit medicijn kort tevoren op eigen initiatief was gestopt en dat hij die avond een aanzienlijke hoeveelheid alcohol had gedronken. Uit de gang van zaken met betrekking tot het blazen die wordt geschetst in voornoemd proces-verbaal van politie, komt echter niet naar voren dat de verdachte de vordering om mee te werken aan de ademanalyse en de wederrechtelijkheid van zijn daarop volgende handelen niet heeft begrepen. Hij zegde immers eerst toe mee te werken, blies vervolgens een keer niet, toen een keer wel en bij de derde vordering heeft hij expliciet geweigerd om verder nog te blazen. Uit die gang van zaken leidt het hof af dat hij op dat moment de strekking van zijn uitdrukkelijke weigering om mee te werken aan de ademanalyse heeft begrepen. Daarmee komt het hof niet tot het oordeel dat zijn psychische toestand op dat moment dusdanig was dat deze weigering hem als gevolg van zijn psychische gesteldheid niet kan worden toegerekend. Het verweer wordt dan ook verworpen.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 10 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 179 Wegenverkeerswet 1994.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de politierechter opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft, nadat hij door de politie was aangehouden op verdenking van overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, geweigerd een bevel tot medewerking aan een ademanalyse op te volgen. De verplichting gevolg te geven aan een dergelijk bevel bestaat ter bevordering van de verkeersveiligheid, die in gevaar wordt gebracht als onder invloed van alcohol aan het verkeer wordt deelgenomen. Door te weigeren mee te werken aan een ademanalyse heeft de verdachte een door het bevoegd gezag gegeven bevel genegeerd.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 16 september 2019 is hij eerder ter zake van soortgelijke strafbare feiten onherroepelijk veroordeeld. Hem was in verband met één van die eerdere veroordelingen een voorwaardelijke rijontzegging opgelegd, waarvan de proeftijd nog liep op de pleegdatum. Dit weegt het hof in strafverzwarende zin mee.

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf voorts rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals deze ter terechtzitting in hoger beroep zijn toegelicht.

Het hof acht, alles afwegende, de door de politierechter opgelegde straf passend.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 163, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 5 december 2017 voorwaardelijk opgelegde ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 maanden, met een proeftijd van 2 jaren.

Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de tenuitvoerlegging van deze voorwaardelijke straf zal gelasten.

Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Ontzegt de verdachte ter zake van het bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 10 (tien) maanden.

Bepaalt dat de tijd gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 5 december 2017 met parketnummer 96-166473-17,

te weten: ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 (vier) maanden.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.M.J. Quaedvlieg, mr. P.F.E. Geerlings en mr. N.J.M. de Munnik, in tegenwoordigheid

van mr. P.M. Huizenga, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 15 oktober 2019.

mr. N.J.M. de Munnik is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]