Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:376

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-02-2019
Datum publicatie
19-02-2019
Zaaknummer
200.238.784/01 en 200.238.791/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie. Wijziging van omstandigheden ex artikel 1:401 lid 1 BW. Omvang en samenstelling en wijze van verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummers: 200.238.784/01

200.238.791/01

zaaknummer rechtbank: C/13/629589 / FA RK 17-3486 (LH/JE)

C/13/638277 / FA RK 17-7384 (LH/JE)

beschikking van de meervoudige kamer van 12 februari 2019 inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. J. Schouten te Amsterdam,

en

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. B.J. den Hartog te Amsterdam.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar beschikking van de rechtbank Amsterdam van 7 februari 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De man is op 4 mei 2018 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 7 februari 2018.

2.2.

De vrouw heeft op 2 juli 2018 een verweerschrift ingediend.

2.3.

Bij het hof is voorts op 28 september 2018 ingekomen een journaalbericht van de zijde van de man van 28 september 2018, met bijlagen (8 t/m 12).

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2018. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De feiten

3.1.

Het huwelijk van partijen is op 17 april 2018 ontbonden door inschrijving van de beschikking tot echtscheiding van 7 februari 2018.

3.2.

Partijen zijn de ouders van:

- [kind a] , geboren [in] 2015;

- [kind b] , geboren [in] 2017;

(hierna: de kinderen).

3.3.

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

3.4.

De peildatum voor de omvang en samenstelling van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen is 23 mei 2017.

3.5.

De behoefte van de kinderen bedraagt (samen) € 800,- per maand. Partijen zijn op 9 maart 2017 een ouderschapsplan overeengekomen, waarin een bijdrage ten laste van de man en ten behoeve van de kinderen is opgenomen van € 85,- per kind per maand.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang:

a. bepaald dat de man € 85,- per kind per maand dient te betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (hierna: kinderalimentatie) met ingang van de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand;

b. de wijze van verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vastgesteld als volgt:

- aan de vrouw wordt toegedeeld:

* de inboedel, onder de verplichting de helft van de waarde, € 1.500,-, te vergoeden aan de man;

* de saldi op de bankrekeningen op haar naam op 23 mei 2017, onder de verplichting de helft van de waarde daarvan te vergoeden aan de man;

- aan de man wordt toegedeeld:

* de auto van het merk Lexus, onder de verplichting de helft van de waarde daarvan, € 4.000,-, te vergoeden aan de vrouw;

* de saldi op de bankrekeningen op zijn naam op 23 mei 2017, onder de verplichting de helft van de waarde daarvan te vergoeden aan de vrouw.

c. bepaald dat ieder der partijen voor de helft draagplichtig is voor de op naam van partijen bestaande schulden op de peildatum, 23 mei 2017.

De rechtbank heeft geen beslissing genomen over de sieraden, Volkswagen Touran, scooter, visspullen, laptop, kleding van de vader van de man, camera, gereedschap en desktopcomputer, nu niet is komen vast te staan dat (en, zo ja, bij wie van partijen) deze goederen aanwezig waren op de peildatum en aldus deel uitmaken van de te verdelen huwelijksgoederengemeenschap van partijen.

4.2.

De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre:

a. te bepalen dat hij met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand een kinderalimentatie van € 25,- per kind per maand zal betalen;

b. de wijze van verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap als volgt vast te stellen:

- aan de vrouw wordt toegedeeld:

* de inboedel, onder de verplichting de helft van de waarde ad € 1.500,- te vergoeden aan de man;

* de saldi op de bankrekeningen op haar naam op 23 mei 2017 onder de verplichting de helft van de waarde daarvan te vergoeden aan de man;

* de laptop, de scooter en de Volkswagen Touran, onder de verplichting de volledige waarde ad € 15.800,- te vergoeden aan de man;

* de sieraden, onder de verplichting de volledige waarde ad € 35.000,- te vergoeden aan de man.

- aan de man wordt toegedeeld:

* de auto van het merk Lexus, onder de verplichting de helft van de waarde ad € 4.000,- te vergoeden aan de vrouw;

* de saldi op de bankrekeningen op zijn naam op 23 mei 2017, onder de verplichting de helft van de waarde daarvan te vergoeden aan de vrouw;

* de kleding van de man;

* de oude camera;

* de kleding van de overleden vader van de man;

* zijn visgerei;

* het gereedschap;

* de desktopcomputer.

c. vrouw te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 100,- voor elk(e) dag(deel) dat de vrouw in gebreke blijft om de hiervoor vermelde goederen aan de man af te geven, met een maximum van € 50.0000,-;

d. te bepalen dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de schulden die bestonden op de peildatum 23 mei 2017;

e. de vrouw te veroordelen tot voldoening van € 1.757,50 aan de man.

4.3.

De vrouw verzoekt het beroep van de man in zijn geheel af te wijzen en de man te veroordelen in de kosten van de procedure in hoger beroep.

5 De motivering van de beslissing

5.1.

Aan het hof ligt allereerst voor welk bedrag de man ter zake van kinderalimentatie aan de vrouw dient te betalen (grief 1 van de man) en daarnaast de omvang en samenstelling en de wijze van verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen (grieven 2 tot en met 8 van de man).

Kinderalimentatie

5.2.

De man stelt in hoger beroep dat zijn inkomen inmiddels is gewijzigd, waardoor de in eerste aanleg vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet. Volgens de man heeft hij thans een lager netto besteedbaar inkomen (een WW-uitkering van € 1.290,- per maand) dan toen partijen het ouderschapsplan opstelden (€ 1.572,60 per maand). Hij heeft een tweetal ongelukken gehad als gevolg waarvan hij letsel heeft opgelopen, zodat hij thans nog aan het revalideren is en hij niet op korte termijn aan het werk kan. Hij heeft om die reden niet langer draagkracht voor een bijdrage van € 85,- per kind per maand, wel voor € 25,- per kind per maand. De bereidverklaring van de man in eerste aanleg tot betaling van € 85,- berust op een dwaling omtrent de juridische en feitelijke werkelijkheid. Ter zitting heeft de man hieraan toegevoegd dat in zijn draagkrachtberekening nog rekening moet worden gehouden met schulden die hij moet afbetalen en met een bedrag van € 444,- dat hij schuldig is aan zijn advocaat.

5.3.

De vrouw heeft zich in eerste aanleg op het standpunt gesteld dat de man een inkomen heeft van € 1.700,- netto per maand en dat hij in staat is een bijdrage voor de kinderen te betalen van € 241,- per maand. De vrouw voert thans in hoger beroep primair aan dat de man niet-ontvankelijk is in zijn verzoek, omdat hij zich - kort samengevat - definitief verbonden heeft aan een kinderalimentatie van € 85,- per kind per maand en daarmee afstand heeft gedaan van de mogelijkheid alsnog een vermindering van die bijdrage te kunnen verzoeken. Zij beroept zich in dit kader onder meer op randnummer 26 van het verweerschrift van de man alsmede het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg. Volgens haar is geen sprake van een wijziging van omstandigheden. De man heeft in ieder geval (ter zitting) ingestemd met een bijdrage van € 85,- per kind per maand, terwijl hij wist dat zijn inkomen op dat moment lager lag dan zijn netto-inkomen uit arbeid van € 1.572,60, aan de hand waarvan het bedrag van € 85,- is bepaald.

Subsidiair voert de vrouw aan dat de man een hoger inkomen heeft dan hij stelt, te weten € 1.290,- te vermeerderen met vakantietoeslag. Tot slot stelt de vrouw zich op het standpunt dat de man meer verdiencapaciteit heeft. Er blijkt nergens uit dat de man niet kan solliciteren en werken en zich een hoger inkomen kan verwerven, aldus nog steeds de vrouw.

5.4.

Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:401 lid 1 BW kan een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een wijziging van omstandigheden is het volgende van belang.

In punt 26 van het verweerschrift van de man, in zijn pleitaantekeningen en in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 9 januari 2018 (pag. 4) staan respectievelijk de volgende passages vermeld:

“De man is bereid om € 85,- per kind per maand te betalen, waarbij hij aantekent dat hij pas kan betalen als hij het achterstallige loon heeft ontvangen. Hij is nu gedwongen een bijstandsuitkering aan te vragen om te kunnen overleven.”

“Wat betreft de kinderbijdrage handhaaft de man zijn standpunt. Zijn inkomenssituatie is onveranderd. Hij heeft inmiddels, omdat hij nog altijd arbeidsongeschikt is, wel een WIA-uitkering aangevraagd bij het UWV, waarop nog niet is beslist. De man leent van vrienden om te overleven. Hij blijft bereid het overeengekomen bedrag van € 85,- per kind per maand te betalen. Zijn arbeidsongeschiktheid zit de man danig in de wet. Niet alleen fysiek, maar ook psychisch gaat het nog niet goed met hem. (…).”

“De man:

Ik heb de rechtszaak gewonnen, maar de tegoeden bevriezen kan niet, omdat het is opgeheven. Ik krijg ook geen daklozenuitkering of andere uitkering.”

Mr. Muller:

De werkgever van de man is opgehouden te betalen en daarna opgehouden te bestaan. Er was geen faillissement, maar het bedrijf is opgeheven. De man betaalt € 500,- per maand voor zijn huisvesting, dus het is geen opvang die niets kost. U vraagt of ondanks alles toch € 85,- per maand kan worden toegewezen. Ja. Zijn ziekte en de hele situatie zitten de man in de weg. Zodra de situatie anders is dan zal de man meer gaan betalen. (…)

De man:

Ik heb informatie van het UWV en van mijn arbeidsdeskundige. Ik heb e-mails. Daar staat duidelijk in dat de WIA is afgewezen. Alles is te onderbouwen. Die € 85,- ben ik bereid te betalen uit leningen voor mijn kinderen. Ik heb het gevoel dat ik geen vader meer ben. Ik wil iets betekenen voor mijn kinderen. Ik heb niets, anders betaal ik niets”.

Tot slot is van belang de overweging van de rechtbank:

“Nu is komen vast te staan dat de man op dit moment geen inkomen heeft, is de rechtbank van oordeel dat de man geen draagkracht kan worden toegerekend. De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van de vrouw dat de man op dit moment geen woonlasten heeft, nu de man heeft gesteld dat hij voor de opvang waar hij verblijft een bedrag van € 500,- per maand moet betalen. De rechtbank zal bepalen dat de man een bijdrage van € 85,- per kind per maand dient te betalen aan de vrouw, nu hij zich desondanks bereid heeft verklaard dit te betalen.”

Aldus kan worden vastgesteld dat de man in beginsel, ondanks dat hij wist dat zijn inkomenssituatie verslechterd was, bereid was de overeengekomen kinderalimentatie te blijven voldoen.

5.5.

Naar het oordeel van het hof doet de situatie als bedoeld in artikel 1:401 lid 4 BW zich niettemin voor. Weliswaar hebben partijen in hun ouderschapsplan afgesproken dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen zal voldoen een bedrag van € 85,- per kind per maand, doch nadien zijn de omstandigheden van de man gewijzigd. Hij heeft een tweetal ongevallen gehad, heeft zijn baan verloren en krijgt een WW-uitkering die aanzienlijk lager uitvalt dan het inkomen waarvan partijen zijn uitgegaan bij het opstellen van het ouderschapsplan. De man heeft ter zitting in hoger beroep uiteen gezet dat hij bij de rechtbank weliswaar heeft ingestemd met betaling van € 85,- per kind per maand maar dat hij dat alleen heeft gedaan vanwege de goede verstandhouding met de vrouw destijds en vanuit een stabiele achtergrond; de man had op dat moment de verwachting dat hij snel een eigen woning en werk zou kunnen vinden. Een en ander is uiteindelijk toch niet mogelijk gebleken door alles wat daarna is gebeurd tussen partijen, waardoor de verstandhouding enorm is verslechterd. De man ontvangt vanaf februari 2018 een UWV-uitkering en hij is er, ondanks een veroordelend vonnis te zijnen gunste, niet in geslaagd het achterstallige loon van zijn werkgever te innen. De man had wel de verwachting dat hij van het achterstallig loon een deel zou kunnen innen en hij heeft meerdere malen te kennen gegeven, onder die voorwaarde het bedrag van € 85,- te willen voldoen. Dat de man zich, door in te stemmen ter zitting in eerste aanleg definitief voor het bedrag van € 85,- per kind per maand heeft verbonden, is naar het oordeel van het hof dan ook niet het geval. Het hof is van oordeel dat sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden, die tot een hernieuwde beoordeling van de kinderalimentatie dient te leiden. De man is dan ook ontvankelijk in zijn verzoek.

5.6.

De man heeft een bruto WW-uitkering per maand van € 1.738,-, te vermeerderen met vakantiegeld. Hij is alleenstaand. Rekening houdend met de algemene heffingskorting heeft hij een netto besteedbaar inkomen in 2018 van € 1.362,- per maand. Het hof ziet geen aanleiding uit te gaan van een hogere verdiencapaciteit, zoals de vrouw voorstaat. De man geniet een WW-uitkering en is gebonden aan de daaraan gestelde voorwaarden, waaronder in de regel een sollicitatieplicht en de controle van het UWV. Het hof gaat ervan uit - nu niet anders is gesteld of gebleken - dat de man aan de voorwaarden van het UWV voldoet.

De draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de toepasselijke draagkrachttabel, nu het een netto besteedbaar inkomen betreft dat lager is dan € 1.600,- per maand. Uitgaande van die tabel leidt het netto besteedbaar inkomen van € 1.362,- per maand tot een beschikbare draagkracht van € 75,- per maand en dus € 37,50 per kind per maand.

Anders dan de man heeft verzocht, zal het hof geen rekening houden met afbetaling van schulden. De man heeft dit standpunt onvoldoende onderbouwd. Naar het hof begrijpt gaat het om de volgende schulden. Allereerst een schuld aan de advocaat van de man van € 440,- waarvan niet is gesteld en ook niet aangetoond dat hiervoor een betalingsregeling is getroffen en zo ja voor welk bedrag. Vervolgens een schuld aan Santander die de man intussen heeft afgelost en waarvoor hij regres heeft op de vrouw tot een bedrag van € 1.757,50. Daarnaast is de man voor de helft draagplichtig voor de studieschuld van de vrouw en het doorlopend krediet aangegaan door de vrouw. Voor zover de man nog andere schulden zou hebben, zijn deze niet onderbouwd en/of onvoldoende gespecificeerd.

Juist is dat op de draagkracht in beginsel alle schulden van de man van invloed zijn, ook schulden die zijn ontstaan na het tijdstip waarop de onderhoudsplicht is komen vast te staan en ook schulden waarop niet wordt afgelost (zie bijv. HR 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1843, NJ 2008/402). Het hof gaat desondanks ervan uit dat de man zich kan bevrijden van de schuld aan de advocaat, gelet op zijn regresrecht op de vrouw van € 1.757,50 (Hof: zie overweging 5.9), en dat de man daarnaast voldoende armslag heeft of zal hebben om in de toekomst zijn aandeel in de schulden van de vrouw te voldoen en/of daarvoor in de toekomst een betalingsregeling met haar te treffen. Voor zover dit anders zou zijn, heeft de man niet aan zijn stelplicht voldaan.

Grief 1 slaagt in zoverre dat het hof de kinderalimentatiebijdrage van de man zal vaststellen op € 37,50 per kind per maand.

5.7.

De echtscheidingsbeschikking is op 17 april 2018 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Als gevolg van de verlaging van de kinderalimentatie ontstaat een terugbetalingsverplichting voor de vrouw van € 95,- per maand. In het algemeen geldt dat van de bevoegdheid om met terugwerkende kracht een wijziging aan te brengen in een eerder vastgestelde onderhoudsbijdrage met behoedzaamheid gebruik moet worden gemaakt, met name als dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de onderhoudsgerechtigde in verband met een daardoor in het leven geroepen verplichting tot terugbetaling van hetgeen in de daaraan voorafgaande periode in overeenstemming met de behoefte tot levensonderhoud is uitgegeven. Daarbij dient te worden beoordeeld of en in hoeverre in redelijkheid van de onderhoudsgerechtigde terugbetaling kan worden verlangd. De man stelt dat de vrouw het teveel betaalde dient terug te betalen, nu hetgeen zij sinds 13 september 2016 aan alimentatie heeft ontvangen, boven haar behoefte is uitgestegen.

Het hof overweegt als volgt. De vrouw geniet een eigen inkomen uit arbeid en heeft vanaf 4 mei 2018 (de datum van indiening van het appelrekest) rekening kunnen houden met een verlaging van de kinderalimentatie. De vrouw dient het bedrag dat de man achteraf te veel heeft voldaan vanaf die datum terug te betalen.

Verdeling

5.8.

De stellingen van de man in zijn grieven 2 tot en met 7 komen erop neer dat de rechtbank bij de vaststelling van de omvang en samenstelling van de huwelijksgoederen-gemeenschap ten onrechte de Volkswagen Touran, een laptop, de kleding van de vader van de man, een oude camera, gereedschap, een desktopcomputer en sieraden niet heeft meegenomen en dat de rechtbank ten onrechte deze zaken alsmede de scooter, visspullen en inboedel niet in de verdeling heeft betrokken. De man is uit de echtelijke woning vertrokken met achterlating van al zijn spullen. Hij kon ook geen spullen meenemen, omdat hij geen eigen nieuwe woonruimte had. Partijen hebben wel geprobeerd afspraken te maken over overdracht van zijn spullen, maar de feitelijke overdracht heeft nooit plaatsgevonden. De man beroept zich op de door hem overgelegde producties 3 en 4 waaruit volgens hem blijkt dat enige spullen, te weten scooter, visgerei en gereedschap, wel degelijk nog aanwezig waren in één van de schuurtjes bij de echtelijke woning en dus in het bezit van de vrouw. Daarnaast beroept hij zich op correspondentie en op productie 6 bij het appelschrift waarop te zien is dat de vrouw de sieraden draagt.

Tot slot stelt hij dat de vrouw geen aanspraak meer kan maken op deze tot de gemeenschap behorende goederen en dat zij haar aandeel hierin heeft verbeurd op de voet van artikel 3:194 lid 2 BW, omdat zij deze opzettelijk heeft zoekgemaakt of verborgen houdt.

5.9.

De vrouw voert verweer. Volgens haar heeft de man de goederen waarover het hier gaat al meegenomen of hebben deze niet tot de gemeenschap behoord. Meer specifiek betwist zij dat de sieraden waarop de man doelt op enig moment deel hebben uitgemaakt van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen. Volgens haar zijn de desbetreffende sieraden, zoals gebruikelijk in de Marokkaanse gemeenschap, ter gelegenheid van het huwelijk van partijen door een visagiste ter beschikking gesteld. Ter onderbouwing daarvan legt zij foto’s over van de internetsite van deze visagiste, waarop beelden zijn te zien van vrouwen, die deze sieraden dragen alsmede een e-mailbericht van de visagiste. Zij betwist dat een Volkswagen Touran deel uitmaakt van de gemeenschap en dat zij de beschikking heeft gehad over de scooter en deze heeft gebruikt. Ten aanzien van de overige goederen voert zij aan dat de man deze heeft meegenomen. Zij beroept zich op een verklaring van de buurvrouw ten bewijze van haar standpunt dat de man de schuurtjes heeft leeggehaald op 17 maart 2017. Zij bestrijdt de lezing van de man over deze schuurtjes en over de komst en rol van de politie op genoemde datum als ook de lezing van de man over de correspondentie met mevrouw [X] . Volgens haar heeft de man, na medeneming van zijn spullen, een kapotte kar, een matras, een strijkplank en een aantal vuilniszakken achtergelaten. Deze goederen zijn nu niet meer voorhanden. Voor de laptop verwijst de vrouw naar een e-mail aan ene Amel, ter onderbouwing van haar stelling dat zij er geen heeft. De vrouw verklaart de desktopcomputer niet te kennen.

5.10.

Gelet op de verschillende lezingen door partijen staat naar het oordeel van het hof niet vast dat de door de man opgesomde goederen (de Volkswagen Touran, een laptop, de kleding van de vader van de man, een oude camera, gereedschap, een desktopcomputer en sieraden) (nog) tot de gemeenschap van goederen behoorden, en kan het hof ook niet de wijze van verdeling gelasten ten aanzien van voormelde en andere door de man opgenoemde goederen (de scooter, visspullen en inboedel). De man heeft zijn stellingen tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw onvoldoende onderbouwd. De man heeft het politierapport waarop hij zich beroept niet overgelegd en de foto’s waarnaar hij verwijst geven in het licht van hetgeen de vrouw daarover heeft aangevoerd geen uitsluitsel. De man heeft ook geen bewijsaanbod gedaan, zodat zijn stellingen in dit kader niet zijn komen vast te staan. De grieven 2 tot en met 7 falen.

5.11.

Grief 8 richt de man tegen overweging 2.7.27 van de bestreden beschikking, die ziet op de schulden behorende tot de huwelijksgemeenschap. De man stelt - kort gezegd - dat ook voor een persoonlijke schuld van de man aan zijn oude werkgever een draagplicht bij helfte moet worden bepaald en dat hij na de peildatum de volledige schuld bij Santander heeft afgelost, zodat hij een regresrecht heeft op de vrouw van € 1.757,50.

De vrouw voert alleen verweer tegen de draagplicht bij helfte voor een persoonlijke schuld van de man aan zijn oude werkgever.

5.12.

Het hof overweegt als volgt. De vrouw heeft het bestaan van de persoonlijke schuld van de man aan zijn oude werkgever betwist. De man heeft nagelaten de schriftelijke overeenkomst waarop hij zich beroept over te leggen en deze schuld aldus niet (nader) onderbouwd. Hij heeft ook geen bewijsaanbod gedaan, zodat het hof hieraan voorbijgaat en deze grief in zoverre faalt.

De vrouw voert geen verweer ten aanzien van de gestelde aflossing van de schuld aan Santander en het daarmee samenhangende verzoek tot veroordeling van de vrouw tot betaling van € 1.757,50. In zoverre slaagt grief 8.

6 De slotsom

6. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, op het onderdeel van de vastgestelde kinderalimentatie vernietigen en op het door de man verzochte ten aanzien van de gemeenschappelijke schulden en zijn recht van regres op de vrouw beslissen als volgt.

7 De beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking van de rechtbank voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

bepaalt dat de man € 37,50 (ZEVENENDERTIG EURO EN VIJFTIG CENT) per kind per maand dient te betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de beide kinderen, met ingang van de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat partijen in hun onderlinge verhouding gehouden zijn de schulden die bestonden op de peildatum 23 mei 2017 bij helfte te dragen, waartoe in ieder geval behoren de hiervoor besproken studieschuld van de vrouw en het doorlopend krediet bij Santander;

veroordeelt de vrouw tot betaling aan de man van een bedrag van € 1.757,50 overeenkomstig rechtsoverweging 5.12 hiervoor;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor het overige;

compenseert de kosten van de procedure aldus, dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;

wijst af het meer over of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.A. van den Berg, mr. C.M.J. Peters en mr. A.R. Sturhoofd, in tegenwoordigheid van mr. C.M. van Harten als griffier en is op 12 februari 2019 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.