Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:3735

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-10-2019
Datum publicatie
25-10-2019
Zaaknummer
200.230.325/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Effectenlease. Prejudiciële vragen aan de Hoge Raad. Rechtstreeks belang van de antwoorden op de te stellen rechtsvragen voor andere geschillen. Vernietiging van de leaseovereenkomst op grond van artikel 1:88 in verbinding met 1:89 BW. Verweer dat restitutievordering is verjaard slaagt niet. Als bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis is beslist dat de rechtsvordering tot vernietiging is verjaard in een procedure waarin één van de echtgenoten partij was, heeft dat vonnis dan tevens gezag van gewijsde jegens de andere echtgenoot? Strekking beschermingsgedachte 1:88 BW.

Zie ECLI:NL:GHAMS:2019:1101

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2019/562
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.230.325/01

zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam: 5701395 DX EXPL 17-42

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 15 oktober 2019

inzake

LEASEPROCES B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

appellante,

advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Bleiswijk,

tegen:

DEXIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna wederom Leaseproces en Dexia genoemd.

In deze zaak is op 2 april 2019 een tussenarrest (hierna: het tussenarrest) gewezen. Voor het verloop van het geding tot dan toe wordt verwezen naar het tussenarrest.

Ter uitvoering van het tussenarrest hebben beide partijen gelijktijdig een akte genomen.

Vervolgens is wederom een datum voor arrest bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1

In het tussenarrest heeft het hof kennis gegeven van zijn voornemen om de in dat arrest in rov. 3.13 geformuleerde vragen op de voet van artikel 392 Rv aan de Hoge Raad voor te leggen. Partijen hebben in hun onderscheiden akten zich uitgelaten over dat voornemen, alsmede over de inhoud van de te stellen vragen.

2.2

Dexia heeft opgemerkt dat (mogelijk) niet wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 392 lid 1 Rv. Volgens Dexia is het antwoord op de rechtsvraag die in deze zaak aan de orde is naar het zich laat aanzien niet ook van belang voor een veelheid van andere vorderingsrechten en/of talrijke andere geschillen. In dit verband wijst Dexia erop dat de onderhavige zaak de enige aanhangige zaak is waarin de aan de orde zijnde rechtsvraag zich voordoet. Nu hoogstens sprake is van potentiële vorderingsrechten en geschillen en het vrijwel uitgesloten is dat een andere partij dan Leaseproces ooit een vordering als de onderhavige zal instellen, meent Dexia dat het hof de zaak zelf zou moeten beslechten. Het hof volgt Dexia hierin niet. Naar verwachting zullen de antwoorden op de aan de orde zijnde rechtsvragen van rechtstreeks belang zijn voor andere geschillen, omdat, zo volgt ook al uit rov. 3.7 en 3.12 van het tussenarrest, pas geruime tijd nadat de collectieve procedure was geëindigd duidelijk werd dat die procedure stuitende werking heeft. Toen waren reeds grote aantallen procedures gevoerd over de vernietiging op grond van artikel 1:88 jo. 1:89 BW van leaseovereenkomsten die zijn gesloten met Dexia. In een deel daarvan is beslist dat de rechtsvordering tot vernietiging is verjaard; het is zeer wel denkbaar dat de andere echtgenoot die geen formele procespartij was in dat geding in een (reeds aanhangige) eigen procedure alsnog een beroep op (onder meer) de stuitende werking van de collectieve procedure zal willen doen. Ook Dexia erkent dat in een betekenisvol aantal gevallen dezelfde situatie aan de orde is als in de onderhavige zaak. Om die reden ziet het hof aanleiding om nu duidelijkheid omtrent de aan de orde zijnde rechtsvragen te verkrijgen. Dat mogelijk een (groot) deel van de procedures waarvoor de antwoorden op die vragen van belang zijn door Leaseproces is dan wel zal worden gestart, doet hieraan niet af.

2.3

Dexia heeft voorts opgemerkt dat het hof nog niet heeft geoordeeld over het verweer van Dexia dat de restitutievordering die met de vernietiging van de effectenleaseovereenkomst is ontstaan ten tijde van het uitbrengen van de inleidende dagvaarding al was verjaard en dat, indien dat verweer slaagt, niet is voldaan aan de voorwaarde dat de antwoorden op de voorgenomen rechtsvragen nodig zijn om op de vorderingen te beslissen.

De antwoorden op de voorgenomen rechtsvragen doen inderdaad niet meer ter zake, in het geval dat de vorderingen van Leaseproces - veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat [Y] niet als partij in de zin van artikel 236 Rv moet worden beschouwd en de verjaring van de vernietigingsbevoegdheid in deze procedure dus opnieuw aan de orde kan worden gesteld - reeds op andere gronden, zoals de door Dexia aangevoerde grond, niet toewijsbaar zijn. Daarom zal het hof genoemd verweer thans beoordelen.

2.4

De verjaringstermijn van een vordering uit onverschuldigde betaling is volgens artikel 3:309 BW vijf jaar nadat de schuldeiser zowel met het bestaan van de vordering als de persoon van de ontvanger bekend is geworden. Volgens Dexia is deze verjaringstermijn in het onderhavige geval aangevangen op de dag van (ontvangst van) de vernietigingsverklaring van 1 juli 2005 en heeft [Y] die termijn nimmer gestuit, zodat de restitutievordering bij het uitbrengen van de inleidende dagvaarding op 27 januari 2017 al ruimschoots was verjaard.

Leaseproces beroept zich in reactie hierop op de stuitende werking van de collectieve procedure alsmede van de (procedure tot) verbindendverklaring van de in de collectieve procedure getroffen schikking, inclusief de daarop volgende opt-out termijn. Verder voert Leaseproces aan dat zij bij brieven van 24 januari 2012 en

27 oktober 2016 (zie productie 12 bij akte van 10 juli 2018 van Leaseproces) voor al haar cliënten (waaronder [X] ) en de eega’s van de betreffende cliënten de verjaring van al hun rechten ten aanzien van al hun vorderingen jegens Dexia heeft gestuit.

De brief van 24 januari 2012 luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Namens de op de bijgesloten lijsten A en B vermelde personen berichten wij u dat zij hun vorderingen op Dexia onverkort handhaven en dat deze brief met bijlagen bedoeld is om de verjaring van deze vorderingen, voor zover nodig, te stuiten. Dit geldt ook voor de vorderingen van de eega’s (…) van de op deze lijst vermelde personen uit hoofde van de artikelen 1:88 en 1:89 BW.”

Dexia brengt daartegen in dat genoemde brieven dermate algemeen van aard zijn dat daaruit geenszins kan worden afgeleid welke specifieke vordering Leaseproces namens haar cliënten wenst te stuiten en dat [Y] niet in de bijlagen staat.

Voor zover Dexia met dit betoog het oog heeft op de vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling wegens de door [Y] ingeroepen buitengerechtelijke vernietiging, overweegt het hof dat in de brief van 24 januari 2012 deze bevoegdheid uitdrukkelijk wordt vermeld. Dit geldt eveneens voor de brief van 27 oktober 2016 die op dit punt gelijkluidend is. Het bestaan van en de inhoud van deze brieven heeft Dexia niet weersproken. Anders dan Dexia nog heeft betoogd, is het hof van oordeel dat met de verwijzing in de brieven naar de eega’s van de op de bijgesloten lijsten vermelde personen, hier: [X] , wel aan de eisen van artikel 3:317 BW is voldaan.

2.5

Dexia heeft verder aangevoerd dat Leaseproces niet gevolmachtigd was om namens [Y] enige verjaring te stuiten, althans dat Leaseproces - nadat Dexia bij brief van 31 oktober 2016 de vertegenwoordigingsbevoegdheid van Leaseproces uitdrukkelijk had bestreden - geen door [Y] aan Leaseproces verleende volmacht heeft overgelegd. Leaseproces stelt dat die volmacht er telkens wel was en dat Dexia dit ter zake van genoemde brieven ook niet heeft betwist; Dexia’s brief van 31 oktober 2016 verwijst naar een niet in het geding gebrachte brief van Leaseproces van 17 oktober 2016 en ziet niet op de brief van 27 oktober 2016.

Op grond van artikel 3:71 lid 1 BW kunnen verklaringen, door een gevolmachtigde afgelegd, door de wederpartij als ongeldig van de hand worden gewezen, indien zij de gevolmachtigde terstond om bewijs van de volmacht heeft gevraagd en dit bewijs niet op de in deze bepaling omschreven wijze wordt geleverd. Gesteld noch gebleken is dat Dexia destijds ten aanzien van de brief van 24 januari 2012 heeft betwist dat [X] als cliënt van Leaseproces haar heeft gevolmachtigd om namens hem de verjaring te stuiten en dat Leaseproces tevens gevolmachtigd was om dit ook namens zijn eega te doen, zodat ervan moet worden uitgegaan dat deze brief mede namens [Y] is verzonden. De stuitingsbrief van 27 oktober 2016 bouwt hierop voort. De betwisting van de volmacht van [Y] aan Leaseproces, zoals volgens Dexia vervat in haar brief van 31 oktober 2016, hetgeen Leaseproces betwist, doet derhalve niet meer ter zake, want hiermee is door Dexia sowieso niet terstond, namelijk onmiddellijk na ontvangst van de brief van 24 januari 2012, om bewijs van haar volmacht gevraagd. Daarna kan op artikel 3:71 lid 1 BW geen beroep meer worden gedaan, nu gesteld noch gebleken is dat [Y] op enig moment na 24 januari 2012 de volmacht heeft herroepen dan wel dat Leaseproces de volmacht heeft opgezegd.

Voorts is als gevolg van de op het moment van vernietiging van de leaseovereenkomst door [Y] (1 juli 2005) reeds aanhangige collectieve procedure de verjaring van de restitutievordering gestuit en wel tot zes maanden nadat dit hof in zijn beschikking van 25 januari 2007 de WCAM-overeenkomst verbindend heeft verklaard (zie Hoge Raad 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3018 en Hoge Raad 19 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:936). Uit het vorenstaande volgt dat de vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling tijdig is gestuit en dat het verjaringsverweer van Dexia moet worden verworpen.

2.6

Ten aanzien van de mogelijkheid om de leaseovereenkomst te vernietigen heeft het hof in rov. 3.7 van het tussenarrest reeds overwogen dat de stuitende werking van de collectieve procedure voor leaseovereenkomsten die ná 13 maart 2000 zijn aangegaan, zoals de leaseovereenkomst, tot gevolg heeft dat die mogelijkheid niet is verjaard. De verweren die Dexia in dit kader in eerste aanleg heeft aangevoerd, kort gezegd inhoudende (a) dat de belangenorganisaties afstand deden van rechten en vorderingen en (b) dat de vernietigingsverklaring niet aansluit bij de vorderingen in de collectieve procedure, worden, voor zover nog nodig, thans alsnog door het hof verworpen onder verwijzing naar voornoemd arrest van de Hoge Raad van 9 oktober 2015 en het arrest van dit hof van 1 november 2016 (ECLI:NL:GHAMS:2016:4318) alsmede, voor wat betreft het onder (a) genoemde verweer, naar het arrest van dit hof van 14 juni 2016 (ECLI:NL:GHAMS:2016:2291). Met haar brief van 1 juli 2005 heeft [Y] de leaseovereenkomst dus tijdig vernietigd.

2.7

Leaseproces heeft, voor het geval het hof prejudiciële vragen wenst te stellen, enkele opmerkingen ten aanzien van (de inhoud van) de te stellen vragen gemaakt. Hieruit begrijpt het hof dat zij zich wat betreft het voornemen van het hof om prejudiciële vragen te stellen aan het oordeel van het hof refereert.

Leaseproces meent dat aan de laatste zin van vraag 1 kan worden toegevoegd: “en/of verzet het feit dat artikel 3:171 BW niet van toepassing is zich hiertegen?”. Het hof zal deze suggestie niet overnemen, omdat tussen partijen nu juist in geschil is of sprake is van een gemeenschappelijke vordering en vraag 1 daarop ook ziet. Met betrekking tot vragen 2 en 3 heeft Leaseproces opgemerkt dat die overbodig lijken te zijn. Hetgeen Leaseproces daartoe naar voren heeft gebracht, brengt het hof echter niet tot een ander oordeel over de relevantie van deze vragen. Vragen 2 en 3 zullen dan ook worden gehandhaafd.

2.8

Dexia heeft geen opmerkingen over de te stellen vragen gemaakt. Wel heeft zij nog betoogd dat rov. 3.8 van het tussenarrest in strijd lijkt te zijn met de rest van dat arrest, namelijk waar het hof overweegt de vordering die aan Leaseproces is gecedeerd te zien “als een vordering van [Y] en van haar alleen”. Het hof wijst erop dat in diezelfde overweging - naar aanleiding van het andersluidende betoog van Dexia - reeds is overwogen, dat de cessie van 8 december 2016, waardoor thans niet [Y] zelf maar Leaseproces als haar rechtsverkrijgende procedeert, voor het antwoord op de vraag of sprake is van dezelfde partijen in de zin van 236 Rv er niet toe doet, ook al zijn in dezelfde akte van cessie ook vorderingen van [X] aan Leaseproces overgedragen. In deze context dient de door Dexia uitgelichte zinssnede te worden gelezen.

2.9

Artikel 392 lid 3 Rv schrijft voor dat de beslissing waarbij de vraag wordt gesteld ook het onderwerp van geschil, de door de rechter vastgestelde feiten en de door partijen ingenomen standpunten vermeldt. Het hof meent daartoe te kunnen volstaan met een verwijzing naar rov. 3.1 tot en met 3.11 van het tussenarrest en naar rov. 2.3 tot en met 2.6 van dit arrest. In rov. 3.12 van het tussenarrest is het belang bij de beantwoording van de prejudiciële vragen vermeld.

Samengevat weergeven is het volgende de aanleiding voor het stellen van prejudiciële vagen. De leaseovereenkomst is door de niet-handelende echtgenoot buitengerechtelijk vernietigd op grond van artikel 1:88 in verbinding met 1:89 BW. Beide echtgenoten zijn in beginsel bevoegd tot het instellen van vorderingen (i) tot een verklaring voor recht dat de leaseovereenkomst rechtsgeldig is vernietigd en (ii) tot restitutie van hetgeen ter uitvoering van de leaseovereenkomst is voldaan. Op haar beurt kan Dexia een verklaring voor recht vorderen dat de rechtsvordering tot vernietiging van de leaseovereenkomst is verjaard. Elk van de echtgenoten kan in de genoemde vorderingen worden ontvangen, ook als de andere echtgenoot geen procespartij is in het geding. Tegen de genoemde twee vorderingen die waren ingesteld door de handelende echtgenoot is met succes verweer gevoerd en is bij een in kracht van gewijsde gegaan vonnis beslist dat de rechtsvordering van de niet-handelende echtgenoot tot vernietiging van de leaseovereenkomst is verjaard.

2.10

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden totdat een afschrift van de beslissing van de Hoge Raad is ontvangen.

4 Beslissing

Het hof:

stelt de Hoge Raad ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing de volgende rechtsvragen:

1. Dienen de hiervoor in 2.9 genoemde vorderingen te worden beschouwd als gemeenschappelijke vorderingen die zijn ingesteld ten behoeve van de gezamenlijke echtgenoten, zodat de daarop gegeven beslissingen die zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis bindende kracht hebben voor beide echtgenoten, dus ook voor de echtgenoot die niet als formele procespartij is opgetreden, zodat zij beiden als partij in de zin van artikel 236 Rv moeten worden beschouwd, of verzet de beschermingsgedachte van artikel 1:88 BW zich daartegen?

2. Heeft de beslissing op het verweer van Dexia tegen de genoemde vorderingen, dan wel op de vordering van Dexia tot een verklaring voor recht dat de rechtsvordering tot vernietiging van de leaseovereenkomst is verjaard bindende kracht in de zin van artikel 236 Rv niet alleen jegens de echtgenoot die in het geding als procespartij is opgetreden, maar ook tegen de andere echtgenoot die geen formele procespartij was in dat geding?

3. Maakt het bij de beantwoording van de vragen 1 en 2 uit welk huwelijksgoederen- regime in het concrete geval van toepassing is?

4. Maakt het bij de beantwoording van de vragen 1 en 2 uit of de handelende of niet-handelende echtgenoot als formele procespartij is opgetreden in de procedure die heeft geleid tot het in kracht van gewijsde gegane vonnis?

draagt de griffier op onverwijld een afschrift van dit arrest en van het tussenarrest aan de Hoge Raad te zenden;

draagt de griffier op afschriften van andere op het geding betrekking hebbende stukken op diens verzoek aan de griffier van de Hoge Raad te zenden;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. Hoekzema, M.P. van Achterberg en J.W.M. Tromp en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2019.