Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:3721

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-10-2019
Datum publicatie
01-11-2019
Zaaknummer
23-000663-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

jeugdzaak, diefstal telefoon en openlijk geweld, verwerping bewijsverweer (in vereniging) en verwerping beroep op noodweer exces

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000663-19

datum uitspraak: 10 oktober 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam van 5 februari 2019 in de strafzaak onder parketnummer 13-217733-18 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2001,

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 26 september 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

1.
zij op of omstreeks 2 november 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een telefoon, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde 1], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door de telefoon met kracht uit de hand(en) van die [benadeelde 1] weg te pakken en/of te grissen;

2.
primair

zij op of omstreeks 2 november 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, te weten op de Regulierssteeg, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2], welk geweld bestond uit het een of meermalen

- in/op/tegen het gezicht/hoofd, in elk geval het lichaam, van die [benadeelde 1] te slaan en/of te stompen en/of - die [benadeelde 1] met kracht tegen de muur aan te duwen en/of

- op/tegen het lichaam van die [benadeelde 1] te schoppen en/of te trappen en/of

- het haar van die [benadeelde 2] vast te pakken en/of (vervolgens) aan het haar van die [benadeelde 2] te trekken, waardoor die [benadeelde 2] op de grond valt en/of

- ( ongeveer) negen keer in/op/tegen het gezicht/hoofd, in elk geval het lichaam, van die [benadeelde 2] te slaan en/of te stompen en/of te schoppen en/of te trappen, terwijl die [benadeelde 2] op de grond ligt,

terwijl het door haar, verdachtes, gepleegd geweld enig lichamelijk letsel te weten

- een of meerdere blauwe plek(ken) en/of een of meerdere schaafwond(en) en/of een hersenschudding voor [benadeelde 2] en/of

- een of meerdere plauwe plek(ken) en/of een of meerdere schaafwond(en) voor die [benadeelde 1] ten gevolge heeft gehad;

subsidiair

zij op of omstreeks 2 november 2018 te Amsterdam [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] heeft mishandeld door:

  • -

    die [benadeelde 1] vast te pakken en/of

  • -

    die [benadeelde 1] tegen haar arm, in elk geval het lichaam te slaan en/of

  • -

    die [benadeelde 2] vast te pakken en/of (vervolgens) op die [benadeelde 2] te vallen en/of

  • -

    (ongeveer) negen keer in/op/tegen het gezicht/hoofd, in elk geval het lichaam van die [benadeelde 2] te slaan en/of te stompen en/of

  • -

    die [benadeelde 2] te schoppen en/of te trappen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen dan de kinderrechter komt ten aanzien van de bewezenverklaring, de kwalificatie, de strafoplegging, de vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregelen.

Overweging feit 1 (geweldscomponent)

Met de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte geweld heeft gebruikt bij de diefstal van de mobiele telefoon van [benadeelde 1]. Het hof zal om deze reden vrijspreken van de ten laste gelegde geweldscomponent.

Bespreking bewijsverweer feit 2 primair

De raadsvrouw heeft het hof ter terechtzitting verzocht de verdachte vrij te spreken van het onder feit 2 primair ten laste gelegde openlijke geweld omdat geen sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1].

Het hof gaat op basis van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep (waaronder de ter terechtzitting getoonde beelden) uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

Nadat de verdachte de mobiele telefoon van aangeefster [benadeelde 1] heeft gestolen rent zij snel weg. Vrijwel meteen rent [benadeelde 1] achter haar aan. Op een gegeven moment achterhaalt [benadeelde 1] de verdachte en er ontstaat over en weer geduw en getrek. Kort daarop bemoeit ook [benadeelde 2], vriendin van [benadeelde 1], zich ermee, en even later ook medeverdachte [medeverdachte 1], vriendin van de verdachte. Nadat medeverdachte [medeverdachte 1] en [benadeelde 1] zich van de andere twee af bewegen en kort erop [medeverdachte 1] weer terugkeert naar de verdachte en [benadeelde 2], is op de camerabeelden waarneembaar dat [benadeelde 2] door [medeverdachte 1] achterover wordt getrokken, waardoor zij op haar rug op de straat terecht komt. [medeverdachte 1] maakt dan een schoppende beweging richting [benadeelde 2]. De verdachte komt boven op [benadeelde 2] terecht en slaat/stompt haar meerdere malen. [medeverdachte 1] staat erbij en kijkt van zeer dichtbij toe. Nadat de verdachte van [benadeelde 2] is af gegaan trapt zij de nog op de grond liggende [benadeelde 2]. Ook [medeverdachte 1] trapt haar. Het geweld eindigt pas als een omstander tussenbeide komt.

Ten aanzien van het ten laste gelegde openlijke geweld jegens aangeefster [benadeelde 1] overweegt het hof als volgt.

Het hof zal, anders dan de kinderrechter, de verdachte hiervan vrijspreken. Op de beelden zijn de ten laste gelegde gedragingen jegens [benadeelde 1] niet voldoende duidelijk waarneembaar, waardoor het hof onvoldoende de overtuiging heeft bekomen dat deze zich hebben afgespeeld zoals ten laste is gelegd.

Ten aanzien van het ten laste gelegde openlijk geweld jegens [benadeelde 2] overweegt het hof als volgt.

Bij beantwoording van de vraag of sprake is van openlijk geweld is van belang dat dit kan bestaan uit een meer diffuus samenstel van uiteenlopende, tegen een persoon gerichte geweldshandelingen dat plaatsvindt binnen een ongestructureerd, mogelijk spontaan samenwerkingsverband met een eigen - soms moeilijk doorzichtige - dynamiek. De voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking kan juist bij openlijke geweldpleging verschillende verschijningsvormen hebben. In de onderhavige zaak is het hof gezien de vastgestelde feiten, waarbij de verdachte en de medeverdachte ieder een significante bijdrage hebben geleverd aan het geweld jegens [benadeelde 2], waarbij zij voortdurend in elkaars nabijheid verbleven, van oordeel dat sprake is van het in vereniging plegen van geweld.

Het hof verwerpt het verweer van de raadsvrouw.

Partiele vrijspraak strafverzwarende omstandigheid feit 2 primair

Het hof zal anders dan de kinderrechter en met de advocaat-generaal de verdachte vrijspreken van de ten laste gelegde strafverzwarende omstandigheid dat het openlijk geweld bij [benadeelde 2] lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad, nu niet kan worden vastgesteld dat specifiek het door de verdachte gepleegde geweld het letsel bij [benadeelde 2] heeft veroorzaakt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
zij op 2 november 2018 te Amsterdam, een telefoon toebehoorde aan [benadeelde 1], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

2.
primair

zij op 2 november 2018 te Amsterdam, met een ander op de openbare weg, te weten de Regulierssteeg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde 2], welk geweld bestond uit het

- aan die [benadeelde 2] trekken, waardoor die [benadeelde 2] op de grond valt en

- ( ongeveer) negen keer in/op/tegen het gezicht/hoofd, van die [benadeelde 2] slaan en/of te stompen en tegen het lichaam te schoppen, terwijl die [benadeelde 2] op de grond ligt;

Hetgeen onder 1 en 2 primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

diefstal.

Het onder 2 primair bewezen verklaarde levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Strafbaarheid van de verdachte

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep ten aanzien van het onder 2 zowel primair als subsidiair ten laste gelegde een beroep gedaan op noodweerexces, als bedoeld in artikel 41, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. De raadsvrouw heeft gesteld dat de verdachte, door de aanval van [benadeelde 1] en [benadeelde 2], weliswaar de grenzen van een noodzakelijke verdediging heeft overschreden, maar dat deze overschrijding het onmiddellijk gevolg is geweest van een door de ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding veroorzaakte, hevige gemoedsbeweging, waartegen zij geen weerstand kon en hoefde te bieden.

Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat geen sprake is geweest van een noodweersituatie, zodat het beroep op noodweerexces reeds daarom niet slaagt. Het duw-en trekwerk, nadat de verdachte de mobiele telefoon van [benadeelde 1] had gestolen, kan niet worden gekenschetst als een wederrechtelijke aanranding van de verdachte door [benadeelde 1] en [benadeelde 2]. Het handelen van [benadeelde 1] en later [benadeelde 2] werd ingegeven door de diefstal van de telefoon en niet is gebleken dat [benadeelde 1] en [benadeelde 2] hierbij buitenproportioneel hebben gehandeld. Het hof verwerpt om deze reden het verweer van de raadsvrouw.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

De kinderrechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen jeugddetentie, waarvan 40 uren subsidiair 20 dagen voorwaardelijk met algemene en bijzondere voorwaarden en met een proeftijd van twee jaren.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 90 uren subsidiair 45 dagen jeugddetentie waarvan 40 uren subsidiair 20 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De raadsvrouw heeft het hof ter terechtzitting verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met het feit dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is en met de beperkte draagkracht van de verdachte, een lagere straf dan door de advocaat-generaal gevorderd op te leggen en af te zien van het opleggen van bijzondere voorwaarden.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich in de nachtelijke uren onder invloed van alcohol allereerst schuldig gemaakt aan diefstal van een telefoon van [benadeelde 1]. Hiermee heeft zij geen enkel respect getoond voor het eigendomsrecht van [benadeelde 1] en enkel oog gehad voor haar eigen financieel gewin. Als [benadeelde 1] de diefstal bemerkt en achter de verdachte aanrent en haar vastgrijpt, daarbij geholpen door haar vriendin [benadeelde 2] komt het tot openlijk geweld door verdachte en [medeverdachte 1] jegens deze [benadeelde 2]. Daarmee heeft de verdachte de lichamelijke integriteit van [benadeelde 2] geschonden en haar pijn, angst en overlast bezorgd. [benadeelde 2] heeft ten gevolge van het op haar uitgeoefende geweld hoofdpijn en misselijkheid ondervonden. Ook had zij klachten aan haar nek en schouder. Vanwege deze klachten heeft zij zich onder behandeling van een huisarts en een fysiotherapeut moeten stellen. Zij sliep slecht en had concentratieproblemen. Dergelijk openlijk geweld bezorgt niet alleen bij [benadeelde 2] en haar naasten maar ook in de maatschappij gevoelens van onveiligheid. Het hof rekent dit de verdachte aan.

Het hof heeft gelet op de straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd en waarvan de oplegging haar weerslag heeft gevonden in de oriëntatiepunten voor minderjarigen van het LOVS. Daarin wordt voor openlijk geweld tegen personen voor een first offender een taakstraf genoemd voor de duur van 40 uur en voor diefstal van een mobiele telefoon een taakstraf voor de duur van 30 uren.

Het hof weegt ook mee dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is, maar betrekt daarbij eveneens dat de verdachte in de tussentijd onherroepelijk is veroordeeld ter zake van nota bene vermogensmisdrijven die na het onderhavige feit zijn gepleegd.

Het hof heeft acht geslagen zowel op het advies van de Raad voor de Kinderbescherming van 30 januari 2019 als op het briefrapport van 15 mei 2019 (hetwelk is opgesteld naar aanleiding van een ander strafbaar feit dan onderhavige strafbare feiten). Hierin wordt het volgende beeld van de verdachte geschetst.

De verdachte woont sinds oktober 2017 bij Spirit in een open ortho-psychiatrische setting na een eerder gesloten verblijf in De Koppeling in verband met zorgelijk grensoverschrijdend (seksueel) gedrag, negatieve sociale contacten en het gebruik van drank en drugs. Zij gaat niet naar school en heeft geen werk. Zij wil geen therapie, maar hoewel haar woedeuitbarstingen sinds november 2018 afnemen, ervaart zij ook zelf nog steeds een agressieprobleem. Het risico op recidive wordt hoog ingeschat.

De Raad voor de Kinderbescherming adviseert, indien de verdachte schuldig wordt bevonden, aan haar een deels voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen.

Ter terechtzitting in hoger beroep is door [naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming toegelicht dat er thans nog een maatregel toezicht en begeleiding loopt, dat een leerstraf niet zinvol wordt geacht en dat het opleggen van bijzondere voorwaarden thans contraproductief zou kunnen uitpakken. De Raad voor de kinderbescherming blijft bij eerder genoemd advies tot het opleggen van een deels voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf.

Verder heeft het hof acht geslagen op hetgeen door [naam 2], gezinsmanager, ter terechtzitting naar voren is gebracht. Zij heeft toegelicht dat de verdachte bij Spirit woont op de [adres 1] en weer naar school (Entree-onderwijs) gaat. Daarbij heeft zij toegelicht dat de verdachte moeite heeft mensen te vertrouwen en dat zij soms heel boos kan zijn.

Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke taakstraf bestaande uit een werkstraf van na te melden duur passend en geboden.

Anders dan door de raadsvrouw bepleit ziet het hof in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte geen aanleiding af te zien van het opleggen van een deels voorwaardelijke straf.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 350,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 100,00 en voor het overige niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen tot een bedrag van € 100,00 met toekenning van wettelijke rente en oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting bepleit dat de vordering van de benadeelde partij wordt afgewezen bij gebrek aan aantoonbaar tegen [benadeelde 1] gericht geweld van de verdachte waardoor zij verwondingen zou hebben opgelopen, dan wel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vordering. Ook heeft de raadsvrouw verzocht af te zien van een hoofdelijke veroordeling tot vergoeding van schade en van het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel.

Het hof overweegt dat de verdachte niet schuldig wordt verklaard ter zake van het onder 2 ten laste gelegde handelen ten aanzien van aangeefster [benadeelde 1].

De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt in totaal € 1.679,49 en bestaat uit

materiële schade te weten € 379,49 (reiskosten € 221,24, vervangen van sleutels € 82,00 en kosten behandeling fysiotherapeut € 76,25) en immateriële schade ter hoogte van € 1300,00.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 700,00 (materiële schade € 200,00 en immateriële schade € 500,00) en voor het overige niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen voor zover deze betrekking heeft op het vervangen van sleutels en de kosten voor behandeling door de fysiotherapeut en immateriële schade tot een bedrag van € 1000,00, met toekenning van wettelijke rente en oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting het hof verzocht de benadeelde partij in haar vordering niet ontvankelijk te verklaren dan wel de vordering af te wijzen. Ook heeft de raadsvrouw het hof verzocht af te zien van hoofdelijke veroordeling en van het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van het hof onvoldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 2] als gevolg van het handelen van de verdachte rechtstreekse schade heeft geleden en kosten heeft moeten maken ter vervanging van haar sleutels. De verdachte is niet tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering voor een bedrag van € 82,00 zal worden afgewezen.

Ten aanzien van de gevorderde reiskosten overweegt het hof als volgt.

Voor zover de benadeelde partij aanspraak heeft gemaakt op zogenaamde ‘verplaatste schade’ verklaart het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk. De gestelde schade – bestaande uit reiskosten in verband met bezoeken aan medische hulpverleners – die derden (de ouders) ten behoeve van de meerderjarige benadeelde partij hebben gemaakt, is niet aan te merken als rechtstreekse schade in de zin van artikel 51f, eerste lid, Sv (oud).

Ten aanzien van de kosten voor behandeling door een fysiotherapeut stelt het hof vast dat de benadeelde partij deze onvoldoende heeft onderbouwd. Om deze reden kan de benadeelde partij daarom ook in dit deel van haar vordering niet worden ontvangen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof tot slot voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden tot een bedrag van € 500,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering tot immateriële schadevergoeding een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij ook in dit deel van de vordering niet worden ontvangen.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed. Het hof ziet in hetgeen de raadsvrouw naar voren heeft gebracht geen aanleiding de verdachte niet hoofdelijk voor het gehele bedrag te veroordelen in het betalen van de schadevergoeding.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 63, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 141 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 90 (negentig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 45 (vijfenveertig) dagen jeugddetentie.

Bepaalt dat een gedeelte van de werkstraf, groot 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen jeugddetentie, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Bepaalt dat de verdachte en de benadeelde partij ieder hun eigen kosten dragen

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het onder 2 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 500,00 (vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 82,00 (tweeëntachtig euro) aan materiële schade af.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2], ter zake van het onder 2 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 500,00 (vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 2 november 2018.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.H.C. van Ginhoven, mr. M.J.A. Plaisier en mr. M.J.A. Duker, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Tilburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 oktober 2019.

=========================================================================

[…]