Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:3714

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-10-2019
Datum publicatie
29-10-2019
Zaaknummer
23-003546-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

OVAR t.a.v. feit 2 (feit niet strafbaar). Veroordeling ter zake van twee bedreigingen waarbij gebruik is gemaakt van een mes (art. 285 Sr). Afwijzing vordering BP strekkende tot vergoeding van immateriele schade, nu niet is voldaan aan de stelplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003546-18

datum uitspraak: 10 oktober 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 5 oktober 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-702247-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 26 september 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door politierechter vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 3 is ten laste gelegd, alsmede van de onder 4 impliciet cumulatief tenlastegelegde bedreiging van [slachtoffer 1]. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, Sv staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraken.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is, voor zover in hoger beroep inhoudelijk nog aan de orde, ten laste gelegd dat:

1
hij op of omstreeks 06 juli 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte voornoemde [slachtoffer 2] opzettelijk dreigend de woorden toegevoegd: "Ik snij je open" en/of "Kom dan kanker Nederlander. Ik maak je dood Kankerleijer!" en/of "Ik maak je dood", althans woorden van gelijke strekking, waarbij hij, verdachte, met een mes in de richting van voornoemde [slachtoffer 2] heeft bewogen/gezwaaid/gestoken;

2
2.
hij, op of omstreeks 06 juli 2016, te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een wapen van categorie IV, te weten een mes, voorhanden heeft gehad;

4
hij op of omstreeks 14 september 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers is verdachte opzettelijk dreigend met een pijp en/of buis van een stofzuiger, in elk geval een stalen voorwerp, en/of een mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp, de slaapkamer binnengekomen en/of (vervolgens) met voornoemd mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp, stekende bewegingen heeft gemaakt in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 3] en/of dreigend de woorden toegevoegd: "ik ga je doodsteken" en/of "ik ga je joeken", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal, voor zover inhoudelijk nog aan de orde, worden vernietigd, omdat het hof komt tot een andere bewezenverklaring ten aanzien van het onder 1 en 4 ten laste gelegde en een andere beslissing ten aanzien van de strafbaarheid van het onder 2 ten laste gelegde dan de politierechter.

Bespreking van een in hoger beroep gevoerd bewijsverweer

De raadsman heeft zich op de terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 4 ten laste gelegde, kort gezegd op de grond dat er discrepanties bestaan tussen de verklaringen van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] en er ook overigens geen wettig bewijs is voor de ten laste gelegde bedreiging van [slachtoffer 3].

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe dat de verklaringen van de aangever [slachtoffer 3] en de getuige [slachtoffer 1] elkaar op essentiële onderdelen in toereikende en overtuigende mate ondersteunen. Het hof ziet geen reden deze verklaringen voor wat betreft de bewijsvraag terzijde te stellen. Voor zover de verklaringen van de aangever en [slachtoffer 1] op detailniveau niet volledig op elkaar aansluiten doet dat aan het oordeel over de bruikbaarheid van hun verklaringen ten aanzien van hun lezing van het ten laste gelegde incident als geheel niet af.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1
hij op 6 juli 2016 te Amsterdam [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte voornoemde [slachtoffer 2] opzettelijk dreigend de woorden toegevoegd: "Ik snij je open" en "Ik maak je dood Kankerleijer!", waarbij hij, verdachte, met een mes in de richting van voornoemde [slachtoffer 2] heeft gezwaaid;

2
2.
hij op 6 juli 2016 te Amsterdam een wapen van categorie IV, te weten een mes, voorhanden heeft gehad;

4
hij op 14 september 2016 te Amsterdam [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers is verdachte opzettelijk dreigend met een mes de slaapkamer binnengekomen en heeft vervolgens met voornoemd mes een stekende beweging gemaakt in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 3] en hem dreigend de woorden toegevoegd: "Ik ga je doodsteken" en "Ik ga je joeken", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen

Ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde

Nu de verdachte het onder 1 en 2 bewezenverklaarde heeft bekend en door of namens hem ter terechtzitting in hoger beroep ten aanzien van deze feiten geen vrijspraak is bepleit, wordt op de voet van artikel 359, derde lid, Sv volstaan met de navolgende opgave van de bewijsmiddelen:

1. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2016146729-22 van 7 juli 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1], houdende de verklaring van [slachtoffer 2] (doorgenummerde pagina’s 4 tot en met 6).

2. Een proces-verbaal van bevindingen aanhouding [verdachte] met nummer PL1300-2016146729-5 van 6 juli 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3], houdende een relaas van verrichtingen en bevindingen van de verbalisanten (doorgenummerde pagina’s 9 tot en met 11).

3. Een proces-verbaal van verhoor verdachte met nummer PL1300-2016146729-15 van 7 juli 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4], houdende de verklaring van de verdachte (doorgenummerde pagina’s 31 tot en met 37).

4. Een proces-verbaal van onderzoek wapen met nummer PL1300-2016146729-14 van 7 juli 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar en taakaccenthouder (vuur) wapens [verbalisant 5], houdende het relaas van verrichtingen en bevindingen van de verbalisant (doorgenummerde pagina 49).

5. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2016146729-9 van 6 juli 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 6] en [verbalisant 7], houdende het relaas van verrichtingen en bevindingen van de verbalisanten (doorgenummerde pagina’s 13 en 14).

6. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 26 september 2019.

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde

7. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2016199114-1 van 14 september 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 8] (doorgenummerde pagina’s 9 tot en met 11).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 14 september 2016 tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van de aangever [slachtoffer 3]:

Op dinsdag 13 september 2016 heb ik de dag doorgebracht met mijn neef en mijn vrouw in het Mirandabad in Amsterdam. Mijn neef is genaamd [verdachte] [het hof begrijp hier en verder: [verdachte]. Ik en mijn vrouw zijn na het zwemmen met mijn neef meegegaan naar zijn woning op het adres [Adres 2], omdat wij tijdelijk geen onderkomen hebben. Omstreeks 00:00 besloten mijn vrouw en ik te gaan slapen. Op 14 september 2016 omstreeks 4:10 uur bevond ik mij [het hof: nog steeds] in de woning. Aldaar ben ik door mijn neef bedreigd. Omstreeks 4:00 uur werd ik wakker. Ik begon gelijk te zoeken naar mijn telefoon. Ik hoorde van mijn vrouw dat [verdachte] had gevraagd om de pincode van mijn telefoon. Ik besloot te vragen aan [verdachte] waar mijn telefoon was. Ik zag en hoorde dat hij boos werd. Ik hoorde dat [verdachte] zei: “Jullie moeten eruit, ik ga je doodsteken.” Ik zag dat [verdachte] in de richting van de keuken rende. Ik hoorde dat [verdachte] bleef schelden en schreeuwen. Ik zag dat [verdachte] de slaapkamer binnenliep met een mes in zijn hand. Ik zag dat het een keukenmes betrof. Ik zag dat [verdachte] op mij afliep. Ik zag dat [verdachte] een stekende beweging in mijn richting maakte. Ik voelde mij heel erg bedreigd en vreesde voor mijn leven.

8. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2016199114-6 van 14 september 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 9] (doorgenummerde pagina’s 14 en 15).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 14 september 2016 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [slachtoffer 1]:

Op 14 september 2016 was ik samen met mijn vriend [slachtoffer 3] bij zijn neef [verdachte] [het hof begrijpt hier en verder: [verdachte] thuis. Hij woont op [Adres 2]. [slachtoffer 3] en ik waren in de slaapkamer op het bed van [verdachte] aan het slapen. [verdachte] kwam ineens de slaapkamer [in]. Hierop ontstond een discussie. [slachtoffer 3] vroeg meerdere malen om zijn telefoon en [verdachte] zei steeds: “Die heb ik niet.” Ik zag dat [verdachte] boos de slaapkamer uitliep. Ik zag dat [verdachte] na enkele seconden terug de slaapkamer instormde. Ik zag dat [verdachte] een keukenmes in zijn handen had. Ik hoorde [verdachte] meerdere malen roepen: “Ik ga je joeken”. Ik weet dat dit op straat staat voor ‘ik ga je neersteken’.

9. Een proces-verbaal van verhoor van verdachte van 16 september 2016, opgemaakt door mr. H.P.H.I. Cleerdin, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Amsterdam.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 16 september 2016 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van de verdachte:

Ik was woensdag [het hof begrijpt: dinsdag 13 september 2016] met mijn neef en zijn vrouw naar De Mirandabad gegaan. We zijn naar mijn huis gegaan. ’s Ochtends werd mijn neef wakker en begon hij te schreeuwen, omdat zijn telefoon kwijt was. Even later kwam de politie en heeft mij aangehouden voor bedreiging.

10. Een proces-verbaal van aanhouding met nummer PL1300-2016199114-2 van 14 september 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 10] en [verbalisant 9] (doorgenummerde pagina’s 16 en 17).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededelingen van de verbalisanten (of één van hen):

Op woensdag 14 september 2016 omstreeks 4.55 uur hielden wij op de locatie [Adres 2] als verdachte aan:

Achternaam : [verdachte]
Voornamen : [verdachte]

Geboren : [geboortedag] 1993
Geboorteplaats : [geboorteplaats] in Nederland.

Grond aanhouding
Op heterdaad als verdachte van overtreding artikel 285/1 Wetboek van Strafrecht.

11. De verklaring van de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep van 26 september 2019, voor zover inhoudende en zakelijk weergegeven:

Mijn roepnaam is [verdachte].

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 2 bewezen verklaarde feit levert naar het oordeel van het hof geen strafbaar feit op, omdat
- voor zover hier van belang - in het bepaalde in artikel 27, eerste juncto artikel 54 van de Wet wapens en munitie het dragen van een wapen van categorie IV strafbaar is gesteld en niet het voorhanden hebben van een dergelijk wapen, zoals in casu ten laste is gelegd, en de situatie als bedoeld in artikel 26, vijfde lid, van die wet zich hier niet voordoet. De verdachte zal terzake van dat feit daarom worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 4 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 en 4 bewezen verklaarde levert telkens op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 4 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 2 maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van twee jaren, en heeft daaraan de bijzondere voorwaarde verbonden dat de verdachte zal meewerken aan een klinische behandeling.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 4 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.

De raadsman heeft het hof, in geval van een bewezenverklaring, verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de lange duur van de procedure in eerste aanleg, alsmede de toepasselijkheid van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Daarnaast is erop gewezen dat de verdachte al geruime tijd niet meer met justitie in aanraking is gekomen. Bovendien heeft hij zijn leven inmiddels op de rit en verkeert hij in afwachting van de komst van zijn derde kind. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur zou deze positieve wending volledig laten stagneren, aldus de raadsman.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Daarbij is in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich binnen een tijdsbestek van circa twee maanden schuldig gemaakt aan twee bedreigingen. In beide gevallen heeft hij niet alleen gezegd dat hij de slachtoffers van het leven zou beroven, maar heeft hij deze uitlatingen ook kracht bij gezet door een mes ter hand te nemen en daarmee zwaaiende respectievelijk stekende bewegingen in hun richting te maken. Dit zijn ernstige feiten, die getuigen van onbeheerst gedrag van de verdachte. Hij heeft op agressieve wijze een voor de slachtoffers zeer bedreigende situatie in het leven geroepen. Feiten als de onderhavige kunnen bovendien bijdragen aan gevoelens van onveiligheid in de maatschappij.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 26 augustus 2019 is hij eerder ter zake van diefstal uit een woning, mishandelingen, bedreigingen en een overval onherroepelijk veroordeeld, onder meer tot al dan niet voorwaardelijke vrijheidsstraffen, hetgeen het hof in zijn nadeel weegt.

De ernst van de onder 1 en 4 ten bewezenverklaarde bedreigingen, waarbij telkens gebruik werd gemaakt van een mes, brengen in het licht van de recidive van de verdachte mee dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden in beginsel passend moet worden geacht. Daarbij is de gelet op de straffen die in soortgelijke gevallen aan recidivisten plegen te worden opgelegd. Nu echter (i) de nodige tijd sinds het bewezenverklaarde is verstreken, (ii) de verdachte licht verstandelijk beperkt is en (iii) het hof de verdachte bij arrest van heden in een andere strafzaak (parketnummer 23-000222-17) heeft veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest, zal het hof de straf in de voorliggende zaak matigen tot 2 maanden, zoals door de advocaat-generaal gevorderd.

Het hof heeft daarbij goed onder ogen gezien dat de verdachte zijn leven in de afgelopen jaren heeft weten te stabiliseren, dat hij na 26 augustus 2017 geen nieuwe strafbare feiten heeft begaan die ter kennis van justitie zijn gekomen en dat hernieuwde detentie van de verdachte er niet aan zal bijdragen dat die positieve lijn kan worden doorgetrokken. Echter, vanuit de strafdoelen van vergelding en generale preventie kan er, gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit alsmede de recidive van de verdachte, niet worden volstaan met een andere sanctie dan een straf die vrijheidsbeneming met zich brengt. Gelet op de actuele persoonlijke situatie van de verdachte ziet het hof, anders dan de politierechter, geen aanleiding om de verdachte middels het stellen van een bijzondere voorwaarde te verplichten tot het ondergaan van een behandeling.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft zich terzake van het onder 1 ten laste gelegde in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 410,00, te vermeerderen met de wettelijke rente, als compensatie voor immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 300,00, vermeerderd met de wettelijke rente. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen tot een bedrag van € 300,00, vermeerderd met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedings-maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr.

De verdediging heeft zich ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Het hof overweegt als volgt.

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft ter onderbouwing van zijn vordering gesteld dat hij van het onder 1 ten laste gelegde psychische gevolgen heeft ondervonden. Deze heeft hij beschreven als een bedreigend gevoel ten tijde van het incident en een alerte en schrikkerige houding nadien. Hij heeft daar echter aan toegevoegd dat hij er inmiddels vrij nuchter onder is en ‘het na een dag of twee kwijt was’.

De vraag die door deze stellingen rijst is, of de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast in de zin van art. 6:106 lid 1, aanhef en onder b, BW. Van de in art. 6:106 lid 1 en aanhef onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon op andere wijze is in ieder geval sprake indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan, waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld (vgl. HR 23 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2551). Voor het aannemen van een persoonsaantasting is niet voldoende dat sprake is geweest van meer of minder sterk psychisch onbehagen of een zich gekwetst voelen. Daarnaast kunnen de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van de in art. 6:106 lid 1, onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon op andere wijze sprake is (vgl. HR 29 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1519). In beginsel zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. In voorkomend geval kunnen de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen (vgl. HR 15 maart 2019, ECLI:HR:2019:376 en HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793).

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij [slachtoffer 2] onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit het bestaan van de aantasting in zijn persoon kan worden vastgesteld. Voor zover hij heeft bedoeld schade wegens geestelijk letsel te vorderen, is onvoldoende onderbouwd dat sprake is van schade die voor vergoeding in aanmerking komt. Dat bij de benadeelde partij meer aan de hand is geweest dan een relatief kortdurend psychisch onbehagen is niet gesteld. Enig bewijs is niet bijgebracht. Verder doet zich in de onderhavige zaak niet het geval zich voor dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.

Bij die stand van zaken dient de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] te worden afgewezen. Dat de verdachte de vordering niet heeft betwist, maakt dat niet anders, nu de benadeelde partij niet heeft voldaan aan zijn stelplicht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57, 63 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing tot vrijspraak van het onder 3 ten laste gelegde en de onder 4 ten laste gelegde bedreiging van [slachtoffer 1].

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor het overige en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 bewezen verklaarde feit niet strafbaar en ontslaat de verdachte terzake daarvan van alle rechtsvervolging.

Verklaart het onder 1 en 4 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst af de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2].

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.J.I. de Jong, mr. A.P.M. van Rijn en mr. S.M.M. Bordenga, in tegenwoordigheid van mr. A.S.E. Evelo, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 oktober 2019.

=========================================================================

[…]

.