Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:3712

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-10-2019
Datum publicatie
28-10-2019
Zaaknummer
23-000223-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beroving in vereniging van een drank- en sigarettenbezorger op de openbare weg (art. 310 jo. 312 Sr). Toewijzing vordering herroeping VI.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000223-17

datum uitspraak: 10 oktober 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 5 januari 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-654166-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1993,

verblijfs- en postadres: [adres 1] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 26 september 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het Openbaar Ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis, waarbij de verdachte is vrijgesproken van het tenlastegelegde.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 21 september 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland op de openbare weg het Maarsenhof, in elk geval op een openbare weg tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van 229,05 euro en/of een tablet en/of een aantal pakjes sigaretten, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [winkel 1] , (gevestigd [adres 2] te Diemen), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en), dat hij verdachte en/of zijn mededader

- die [slachtoffer] naar het Maarsenhof heeft/hebben gelokt en/of

- het portier van de auto waarin die [slachtoffer] reed heeft/hebben opengetrokken en/of

- een scherp en/of puntig voorwerp aan die [slachtoffer] heeft/hebben getoond en/of

- tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd : "Uitstappen, uitstappen" en/of "Geef me geld", althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking en/of

- de kleding en/of de auto van die [slachtoffer] heeft/hebben doorzocht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof ten aanzien van de bewijsvraag tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 21 september 2016 te Amsterdam, op de openbare weg het Maarsenhof, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van 229,05 euro en een tablet en een aantal pakjes sigaretten, toebehorende aan [winkel 1] (gevestigd [adres 2] te Diemen), welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond, dat hij verdachte en zijn mededader

- het portier van de auto waarin [slachtoffer] reed hebben opengetrokken en

- een puntig voorwerp aan [slachtoffer] hebben getoond en

- tegen [slachtoffer] hebben gezegd: "Uitstappen, uitstappen" en "Geef me geld" en

- de kleding en de auto van [slachtoffer] hebben doorzocht.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de navolgende bewijsvoering.

Bewijsvoering

Redengevende feiten en omstandigheden
[slachtoffer] werkte als bezorger voor het bedrijf [winkel 1] (adres: [adres 2] te Diemen), dat op bestelling drank en sigaretten levert. Op 21 september 2016 na middernacht werd bij hem door de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer] een bestelling gedaan voor het adres [adres 3] te Amsterdam Zuidoost. [slachtoffer] is in zijn bestelbus naar dat adres gereden en arriveerde daar omstreeks 01.00 uur. Terwijl hij nog achter het stuur van zijn auto zat kwam vanaf een onderdoorgang bij woningen aan het Maarsenhof een man aangelopen die het portier opentrok. Er ontstond een gesprek waarbij die man (hierna: de eerste dader), die bij [slachtoffer] de indruk wekte dat hij alcohol had gedronken, steeds agressiever taal uitsloeg. Kort daarna kwam een tweede man aanlopen (hierna: de tweede dader), die naar het rechterportier liep. Toen deze daar bijna was haalde de eerste dader iets glimmends - een schroevendraaier of een mes - uit zijn broekzak en zei: “Uitstappen, uitstappen” en “Geef me geld”. Vervolgens doorzocht de eerste dader de zakken van [slachtoffer] . Die laatste haalde zelf geld uit zijn broekzak, dat door de eerste dader uit zijn handen werd getrokken. Ondertussen was de tweede dader de rechterzijde van de auto aan het doorzoeken. Vervolgens stopte de motor van de auto. [slachtoffer] vermoedde dat de autosleutel door de tweede dader uit het contactslot was gehaald. [slachtoffer] zei: “Niet de sleutel”. De eerste dader reageerde hierop met: “Je krijgt hem zo”. De eerste dader is de linkerzijde van de auto gaan doorzoeken en heeft muntgeld uit het zijvakje van het linker portier gepakt. Toen de daders weer uit de auto kwamen, zag [slachtoffer] dat zij daaruit een blauw-witte plastic koeltas van [tas] met inhoud hadden gepakt. Deze tas lag op de vloer voor de passagiersstoel en bevatte ballonnen. Ook zag [slachtoffer] dat vanaf de middenconsole of de passagiersstoel een tablet van het merk Samsung was verdwenen. Beide daders renden weg in de richting waarvan zij vandaan kwamen, onder de onderdoorgang door. [slachtoffer] riep: “Geef mijn autosleutel”. Hij zag dat de tweede dader stopte met rennen en zei: “Wacht daar, ik leg hem hier in het poortje”. De eerste dader, die al buiten het gezichtsveld van [slachtoffer] was gerend, schreeuwde vervolgens naar de tweede “Kom, kom, [verdachte] !”, waarna de tweede dader op een fiets sprong die aan de andere kant van het poortje stond en wegfietste. Hierop heeft [slachtoffer] 112 gebeld.

De eerste dader betrof een negroïde man van 20 tot 30 jaar met een bruine huidskleur en kort zwart haar, aan de zijkant veel korter dan bovenop. Hij droeg een donkerkleurig sportvest of trainingspak en had een gouden tand aan de bovenzijde van zijn gebit.

De tweede dader betrof een negroïde man van 18 tot 25 jaar met een donkerbruine huidskleur en kroeshaar. Hij droeg een donkerkleurig trainingspak, dat leek op het trainingspak van voetbalclub [club] ).1

Politieambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] kregen omstreeks 01.07 uur de opdracht om naar het [adres 3] te Amsterdam te gaan. Zij reden met hun politievoertuig in de richting van die locatie en kwamen daar omstreeks 01.14 uur aan. Zij parkeerden hun auto op het [hof] en zijn te voet dat hof in gelopen in de richting van [adres 4] , alwaar zich een onderdoorgang bevindt; daar waren geen andere mensen op straat. Vervolgens zijn zij richting de onderdoorgang bij [adres 5] gelopen; ook daar waren geen andere mensen op straat. Om 01.16 uur zagen de politieambtenaren dat er twee, in donkere sportkleding geklede jongens met een negroïde (het hof begrijpt: donkere) huidskleur op één fiets met hoge snelheid kwamen aangereden uit de richting van de Nieuwersluishof. De politieambtenaren blokkeerden de onderdoorgang. De jongens schrokken toen zij de in uniform geklede politieambtenaren zagen. De bestuurder van de fiets ging hierop harder trappen, waardoor het tweetal steeds harder ging. De jongens werden gemaand om te stoppen, maar gaven daaraan geen gevolg. De politieambtenaren hebben de jongens uit evenwicht gebracht, waarna zij in het gras terecht kwamen. Eén van de twee jongens kon direct worden aangehouden. Het bleek te gaan om [medeverdachte] , geboren op [geboortedag 2] 1993 (hierna: [medeverdachte] ). De andere jongen stond na zijn val direct op en rende weg. Politieambtenaar [verbalisant 2] zette de achtervolging in en schreeuwde: “Stop! Politie”. Pas na enige tijd ging deze jongen op zijn buik in het gras liggen en gaf zich over, waarna hij werd aangehouden. Het bleek te gaan om de verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedag 1] 1993.2

In het frame van de fiets waarop de verdachte en [medeverdachte] hadden gereden stond een geopend bierblikje van het merk Bavaria 8.6. Naast die fiets lag een mobiele telefoon.3 Die telefoon is in beslag genomen onder nummer 5256601.4 Toen de verdachte was geboeid bleek hij bloed aan zijn rechterhand te hebben en in zijn linker jaszak twee onaangebroken pakjes sigaretten van het merk Marlboro te hebben zitten.5 Dergelijke sigaretten worden door [winkel 1] verkocht. Bij de beroving is € 229,50 aan contant geld weggenomen. De autosleutel en de tablet zijn niet retour gekomen.6

Omstreeks 01.25 uur kwamen politieambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4] ter plaatse aan het Maarsenhof. Aan de achterzijde van het portiek naast de onderdoorgang die leidt naar perceel nummer [adres 3] zagen zij meerdere donkerblauwe bierblikjes liggen van het merk 8.6 (het hof begrijpt: Bavaria 8.6). [slachtoffer] verklaarde later dat dit de onderdoorgang was van waaruit de verdachten (het hof leest: daders) hem overvielen en in de richting waarvan zij wegvluchtten na de overval.7

Omstreeks 03.00 uur heeft een speurhond in het plantsoen aan de achterzijde van het Nieuwersluishof ter hoogte van [adres 6] in het plantsoen de buitgemaakte [tas] gevonden. Op een hengsel van die tas bevond zich bloed. Die tas is in beslaggenomen8 onder nummer 5256610.9 Het bloedspoor is door de technische recherche bemonsterd (SIN-nummer: AAJV0082NL).10 Van dat monster is door het NFI een enkelvoudig DNA-profiel verkregen dat met een maximale zeldzaamheid matcht met dat van de verdachte.11


De verdachte, die op 21 september 2016 drieëntwintig jaar was, droeg bij zijn aanhouding een donkerkleurig trainingspak van het merk Nike, voorzien van het logo van de [club] ).12 Hij had toen kort zwart haar en heeft een donkerbruine huidskleur.13 In de onder nummer 5256601 in beslag genomen mobiele telefoon bevond zich een simkaart met het telefoonnummer [telefoonnummer] .14 Dit nummer is geregistreerd op naam van [naam 1] , de broer van de verdachte.15 Dit nummer was bij de verdachte in gebruik.16

[medeverdachte] , die op 21 september 2016 tweeëntwintig jaar was, droeg bij zijn aanhouding een donkerkleurig trainingspak.17 Zijn haar was op dat moment aan de zijkant kortgeschoren aan de zijkanten van zijn hoofd, terwijl het haar bovenop zijn hoofd langer was.18 Hij heeft een bruine huidskleur19 en drie gouden tanden.20 Bij de fouillering van [medeverdachte] is een stuk gereedschap gevonden en in beslag genomen (met goednummer 5256608).21 Dit bleek een schroevendraaier van ongeveer 15 centimeter te zijn. De punt van die schroevendraaier glimt als deze wordt gedraaid.22 [slachtoffer] heeft [medeverdachte] bij een meervoudige fotoconfrontatie op 20 februari 2017 herkend als één van de daders.23 De grootmoeder van [medeverdachte] woont blijkens de politiesystemen op het adres [adres 3] te Amsterdam.24 [medeverdachte] is verslaafd aan alcohol en pleegt veel te drinken.25

Gevolgtrekkingen van het hof en bespreking standpunten verdachte en verdediging

Voorgaande feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, wettigen naar het oordeel van het hof de conclusie dat [slachtoffer] op 21 september 2016 is beroofd door [medeverdachte] en de verdachte, waarbij [slachtoffer] is bedreigd met een schroevendraaier. Daarbij heeft het hof in het bijzonder betrokken dat:
- [medeverdachte] en de verdachte zich korte tijd nadat [slachtoffer] alarm had geslagen in de onmiddellijke omgeving van de plaats van de beroving bevonden, terwijl door de ter plaatse gekomen politie geen andere personen zijn aangetroffen;

- [medeverdachte] en de verdachte (meer specifiek) samen en met grote vaart op een fiets reden, bij het zien van de politie zelfs vaart vermeerderden en maningen te stoppen negeerden;

- zij zijn in te passen in de door [slachtoffer] van de daders op gegeven signalementen: [medeverdachte] in dat van de eerste dader en de verdachte in dat van de tweede;

- de bestelling bij [slachtoffer] is geplaatst met behulp van het telefoonnummer dat op naam stond van de broer van de verdachte, maar dat bij hem - de verdachte - in gebruik was;

- een deel van de buit - de gevulde [tas] - is aangetroffen op de fietsroute van de verdachten;

- op het hengsel van die tas een bloedspoor is aangetroffen waarvan, zo concludeert het hof, de verdachte de donor is geweest;

- [medeverdachte] in het bezit was van een schroevendraaier, een voorwerp dat soortgelijk is aan het voorwerp dat door [slachtoffer] is beschreven;

- de eerste dader de tweede dader bij het wegvluchten heeft aangeroepen als ‘ [verdachte] ’, terwijl die naam fonetisch overeenkomt met de voornaam van de verdachte;

- [medeverdachte] door [slachtoffer] als één van de daders is herkend.

De verdachte heeft ontkend bij de beroving betrokken te zijn en heeft een scenario gepresenteerd waarin ene [naam 2] uit Bullewijk daarvoor verantwoordelijk zou zijn. Dat scenario behelst - langs de hoofdlijnen van hetgeen de verdachte in de verschillende stadia van de strafprocedure heeft verklaard - het volgende. [naam 2] heeft de verdachte die nacht bij een tunneltje gevraagd om met zijn telefoon te mogen bellen. Dat stond de verdachte toe. Na het bellen heeft de verdachte desgevraagd zijn fiets aan [naam 2] uitgeleend. Na een tijdje kwam [naam 2] terug. Als dank voor het lenen van de fiets heeft de verdachte van [naam 2] twee pakjes Marlboro sigaretten en wat kleingeld gekregen. Vervolgens vroeg [naam 2] of de verdachte [medeverdachte] richting het station wilde brengen. Om zijn woorden kracht bij te zetten heeft [naam 2] een schroevendraaier uit zijn zak gehaald en hiermee in de rug van de verdachte geprikt. Hierop is de verdachte hard weggefietst met [medeverdachte] , waarna hij werd aangehouden.

Het hof acht deze lezing onaannemelijk. Daartoe is allereerst redengevend dat de lezing van de verdachte, zoals [medeverdachte] blijkens diens mededelingen bij zijn aanhouding al voorzag, op verschillende punten niet strookt met die van [medeverdachte] . Die laatste heeft bijvoorbeeld niets verklaard over dreigende handelingen van [naam 2] met een schroevendraaier. Daarnaast zou [naam 2] volgens [medeverdachte] de beroving samen met zijn - [medeverdachte] ’s - neef [naam 3] hebben begaan, terwijl de verdachte heeft gezegd niemand anders dan [naam 2] en [medeverdachte] te hebben gezien. Sterker nog, [medeverdachte] heeft op 3 oktober 2016 beweerd dat zijn neef [naam 3] en de verdachte dingen gingen bespreken, terwijl de verdachte op de terechtzitting in eerste aanleg heeft verklaard dat hij [naam 3] , de neef van [medeverdachte] , niet eens kent. Bovendien heeft de verdachte zichzelf op in het oog springende onderdelen tegengesproken. Zo heeft hij tegenover de rechter-commissaris beweerd dat de jongen uit Bullewijk samen met een ander op de door hem uitgeleende fiets is weggegaan, terwijl hij op de terechtzitting in eerste aanleg heeft verklaard dat [naam 2] alleen was toen hij de fiets leende en toen deze terugkwam ook. Verder heeft hij, ter verklaring van het op zijn hand aangetroffen bloed, in eerste aanleg verteld dat hij bij de botsing bij zijn aanhouding zijn hand heeft verwond en dat hij vóór die botsing geen bloed op zijn hand had, terwijl hij op de terechtzitting in hoger beroep heeft beweerd dat hij eerder die dag al met de fiets was gevallen en dáárbij aan zijn hand gewond was geraakt. Hij heeft tegenover de eerste rechter ook nog eens verklaard dat hij zich niet kan herinneren of hij een [tas] heeft vastgehad, omdat hij dronken was, maar op de terechtzitting in hoger beroep dat de tas bij terugkomst van [naam 2] aan de fiets hing en dat de verdachte die tas toen van de fiets heeft gehaald en op de grond heeft gezet. Bij dit alles komt nog dat het politieonderzoek naar het bestaan van een [naam 2] niets heeft opgeleverd (p. 10 en p. 35).

Bij deze stand van zaken acht het hof wettig én overtuigend bewezen dat de verdachte zich met [medeverdachte] schuldig heeft gemaakt aan de beroving van [slachtoffer] . Hieruit spreekt dat het tot vrijspraak strekkende verweer van de raadsvrouw geen doel treft. Daaromtrent overweegt het hof nog als volgt.

Anders dan de raadsvrouw ziet het hof niet in op welke (wezenlijke) punten het door [slachtoffer] opgegeven signalement (naar het hof begrijpt: van de tweede dader) niet overeenkomt met dat van de verdachte. De raadsvrouw heeft verder gewezen op het Facebookbericht dat [naam 3] aan [medeverdachte] zou hebben gestuurd en waaruit zou kunnen worden afgeleid dat [naam 3] toegeeft samen met [naam 2] voor de beroving verantwoordelijk te zijn geweest. Dit kan de verdachte niet baten, omdat het hof niet kan uitgaan van de authenticiteit van dat bericht. Immers, [medeverdachte] heeft verklaard dat zijn zus toegang heeft tot zijn Facebookaccount en via haar in het bezit van dat bericht te zijn gekomen, terwijl (i) zijn zus heeft verklaard nog nooit op het account van haar broer te hebben gezeten en zijn wachtwoord niet te hebben (p. 04) en (ii) [naam 3] heeft verklaard dat er was ingebroken op zijn Facebookaccount, dat alleen [medeverdachte] zijn wachtwoord wist en dat hij het bericht niet herkent en niet heeft verstuurd (p. 10 en proces-verbaal van 20 oktober 2016 met documentcode 7249436). Het hof merkt overigens nog op dat de uiterlijke kenmerken van [naam 3] , die 1.67 meter lang is (p. 10) en zijn haar in lange stekels draagt (p. 13), maar matig in de van de daders bekende signalementen vallen te passen. Hetgeen de raadsvrouw verder te berde heeft gebracht is hetzij gestoeld op de niet aannemelijk geachte lezing van de verdachte, hetzij niet van dien aard dat dit het hof tot een ander oordeel leidt.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg en door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en daaraan de bijzondere voorwaarden te verbinden, zoals genoemd in het rapport van Leger des Heils, Jeugdbescherming en Reclassering, van 16 december 2016.

De raadsvrouw heeft het hof, in geval van een bewezenverklaring, verzocht een voorwaardelijke gevangenisstraf aan de verdachte op te leggen, al dan niet gecombineerd met een taakstraf. Zij heeft er in dat verband onder meer op gewezen dat de verdachte een verstandelijke beperking heeft en dat in het verleden is gebleken dat hij hierdoor in een penitentiaire inrichting geen aansluiting vindt bij medegedetineerden. Ook heeft zij gevraagd rekening te houden met het tijdsverloop sinds het tenlastegelegde. Verder is de verdachte gebaat bij het stellen van bijzondere voorwaarden, zoals door de advocaat-generaal is gevorderd. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou het in gang gezette hulpverleningstraject doorkruisen, hetgeen mede vanuit het oogpunt van preventie onwenselijk is, aldus de raadsvrouw.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Daarbij is in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich samen met een ander op de openbare weg schuldig gemaakt aan de beroving van een drank- en sigarettenbezorger. Het slachtoffer kwam midden in de nacht nietsvermoedend een bestelling bezorgen op een door de verdachte en zijn medeverdachte opgegeven adres. Bij aankomst werd het portier van zijn auto opengetrokken en vervolgens, onder bedreiging van een schroevendraaier, is zijn kleding en het voertuig doorzocht. Daarbij zijn diverse goederen buit gemaakt, waaronder een tablet en een geldbedrag. Aldus is inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en is op agressieve wijze een voor hem zeer intimiderende en angstaanjagende situatie in het leven geroepen. Het handelen is des te kwalijker omdat de drank- en sigarettenbezorger, die reed zonder bijrijder, zich in die nachtelijke uren in een kwetsbare positie bevond. Algemene ervaringsregels leren dat slachtoffers van feiten als het onderhavige nog langdurig de nadelige psychische gevolgen daarvan kunnen ondervinden. Bovendien versterken dergelijke delicten gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij zich kennelijk slechts heeft laten leiden door zijn eigen financiële gewin en zich niet heeft bekommerd om de gevolgen van zijn handelen voor anderen.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 26 augustus 2019 is hij bij – het zich in het dossier bevindende – vonnis van 28 mei 2014 onherroepelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaren ter zake van een poging tot doodslag. Ook is hij eerder ter zake van bedreiging veroordeeld, welke veroordeling ten tijde van het wijzen van dit arrest onherroepelijk is. Het hof weegt één en ander ten nadele van de verdachte.

Het hof heeft goed onder ogen gezien dat de verdachte zijn leven in het recente verleden met behulp van verschillende hulpverleningsinstanties een wending ten goede lijkt te hebben kunnen geven en dat hernieuwde detentie van de verdachte er niet aan zal bijdragen dat die positieve lijn kan worden doorgetrokken. Echter, vanuit de strafdoelen van vergelding en generale preventie kan er, gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit alsmede de recidive van de verdachte, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die vrijheidsbeneming van aanzienlijke duur met zich brengt.

Het hof heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf gelet op de straffen die in soortgelijke gevallen aan recidivisten plegen te worden opgelegd, bijvoorbeeld ter zake van berovingen van pizzabezorgers onder bedreiging van een wapen. Een gevangenisstraf van 24 maanden loopt daarmee in de pas. Deze straf neemt het hof tot uitgangspunt. De tijd die sinds het bewezenverklaarde is verstreken en de omstandigheid dat de verdachte beneden gemiddeld begaafd is weegt het hof vervolgens in straf verminderende zin mee.

Het hof acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 18 maanden passend en geboden. Hieruit spreekt enerzijds dat de straftoemeting die door de raadsvrouw is voorgesteld naar het oordeel van het hof te zeer aan de ernst van het bewezen verklaarde en de recidive van de verdachte voorbij gaat, en anderzijds dat de door de advocaat-generaal gevorderde straf te hoog wordt bevonden. Ook volgt hieruit dat het hof, anders dan de advocaat-generaal en de verdediging, thans geen meerwaarde ziet in het koppelen van bijzondere voorwaarden aan een voorwaardelijk strafdeel, reeds omdat dergelijke voorwaarden ook al bij een ander tegen de verdachte gewezen vonnis van 10 juli 2018 zijn gesteld en dit vonnis onherroepelijk is.

De benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ter hoogte van € 1.728,35 als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. De rechtbank heeft de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep dus niet meer te oordelen over de gevorderde schadevergoeding.

Vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling (zaaknummer v.i.: 99-000820-31)

De veroordeelde is bij het genoemde, onder parketnummer 13-650241-13 gewezen vonnis van de rechtbank Amsterdam van 28 mei 2014 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van het voorarrest. Deze uitspraak is onherroepelijk. De veroordeelde is krachtens een besluit van 21 december 2015 voorwaardelijk in vrijheid gesteld, onder (onder meer) de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De proeftijd liep van 22 december 2015 tot en met (in ieder geval) 8 juli 2017.

De officier van justitie heeft op 27 september 2016 een vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna: v.i.) ingediend bij de rechtbank Amsterdam. Deze vordering strekt tot de herroeping, groot 460 dagen, van de v.i. in verband met het ten laste gelegde feit.

De rechtbank heeft de vordering tot herroeping van de v.i. afgewezen in verband met de in eerste aanleg gegeven vrijspraak.

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de vordering tot herroeping van de v.i. moet worden toegewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft het hof verzocht om de vordering (gedeeltelijk) af te wijzen, naar het hof begrijpt primair gelet op de door haar bepleite vrijspraak van het ten laste gelegde en subsidiair omdat een (volledige) herroeping niet opportuun is, gelet op de verstandelijke beperking van de veroordeelde. Meer subsidiair heeft zij verzocht de gevangenisstraf om te zetten in een taakstraf.

Oordeel van het hof

Voor de effectiviteit van de regeling van de v.i. is van belang dat aan de overtreding van de gestelde voorwaarden gevolgen worden verbonden. Aan de hand van de omstandigheden van het geval zal moeten worden bepaald welke reactie op de overtreding van de voorwaarden passend is. Uitgangspunt is dat het gedeelte van de vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van de v.i. niet ten uitvoer is gelegd, alsnog geheel dient te worden ondergaan, tenzij de ernst van het feit dat tot de vordering tot herroeping heeft geleid zulks disproportioneel zou doen zijn of bijzondere omstandigheden gebleken of aannemelijk geworden zijn op grond waarvan van dit uitgangspunt dient te worden afgeweken.

In dit geval is in hoger beroep komen vast te staan dat de veroordeelde de genoemde, bij het besluit van 21 december 2015 gestelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De veroordeelde heeft immers het in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feit begaan, terwijl de aan de v.i. verbonden proeftijd nog niet was verstreken. Gelet op de ernst van dit feit (waarbij de veroordeelde – samen met zijn medeverdachte – net als in de zaak uit 2014 gebruik heeft gemaakt van een wapen) en hetgeen hiervoor tot uitgangspunt is genomen, is een volledige herroeping van de v.i. aan de orde. Het hof ziet in hetgeen door de raadsvrouw in dit verband ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht en ook overigens, geen aanleiding om ten gunste van de veroordeelde van dit uitgangspunt af te wijken. Daarom zal het hof de vordering geheel toewijzen en gelasten dat de vrijheidsstraf van 460 dagen, die als gevolg van de toepassing van de regeling van v.i. niet ten uitvoer is gelegd, alsnog moet worden ondergaan. Daarbij gaat het hof er vanuit dat bij de executie van deze beslissing rekening wordt gehouden met een eventuele eerdere gedeeltelijke herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 63, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling

Wijst de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling toe en gelast dat het gedeelte van de bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 28 mei 2014 onder parketnummer 13-650241-13 opgelegde vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd, alsnog geheel wordt ondergaan.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.J.I. de Jong, mr. A.P.M. van Rijn en mr. S.M.M. Bordenga, in tegenwoordigheid van mr. A.S.E. Evelo, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 oktober 2019.

========================================================================

[…]

1 Een ambtsedig proces-verbaal van aangifte met nummer 2016204926-1 van 21 september 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5] , inhoudende de verklaring van [slachtoffer] (p. A-1054 tot en met A-1057).

2 Een ambtsedig proces-verbaal van bevindingen met nummer 2016204926-9 van 21 september 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (p. A-1017 tot en met A-1019).

3 Een ambtsedig proces-verbaal van bevindingen met nummer 2016204926-9 van 21 september 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (p. A-1017 tot en met A-1019).

4 Een geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming van 21 september 2016 met nummer 2016204926-6, opgemaakt door [verbalisant 2] .

5 Een ambtsedig proces-verbaal van bevindingen met nummer 2016204926-18 van 21 september 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 6] en [verbalisant 7] (p. A-1009 tot en met A-1010).

6 Een ambtsedig proces-verbaal van bevindingen met documentcode 7151441 van 21 september 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 8] (p. A-1040), houdende de verklaring van [verbalisant 9] .

7 Een ambtsedig proces-verbaal van bevindingen met nummer 2016204926-21 van 21 september 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4] (p. A-1032 tot en met A-1033).

8 Een ambtsedig proces-verbaal van bevindingen met nummer 2016204926-21 van 21 september 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4] (p. A-1032 tot en met A-1033).

9 Een geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming van 21 september 2016 met nummer 2016204926-13, opgemaakt door [verbalisant 3] .

10 Een ambtsedig proces-verbaal van bevindingen met nummer 2016204926-34 van 27 september 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar en forensisch onderzoeker [verbalisant 10] .

11 Een deskundigenverslag, te weten een rapport van het NFI van 14 november 2016, opgemaakt door NFI-deskundige forensisch DNA-onderzoek ing. [naam 4] .

12 Een ambtsedig proces-verbaal van bevindingen met documentcode 7154985 van 22 september 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 8] (p. A-1051 tot en met p. A-1053).

13 De eigen waarneming van het hof op de terechtzitting van 26 september 2019 van de op 21 september 2016 van de verdachte [verdachte] genomen foto, die is opgenomen in het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen met documentcode 7634212 van 19 januari 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 11] (p. 01 en 02).

14 Een ambtsedig proces-verbaal van bevindingen van 21 september 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar en digitaal rechercheur [verbalisant 12] (p. A-1043 tot en met p. A-1046).

15 Een ambtsedig proces-verbaal van bevindingen met documentcode 7148537 van 21 september 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 8] (p. A-1035).

16 De verklaring van de verdachte [verdachte] op de terechtzitting in hoger beroep van 26 september 2019.

17 Een ambtsedig proces-verbaal van bevindingen met documentcode 7154985 van 22 september 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 8] (p. A-1051 tot en met p. A-1053).

18 Een ambtsedig proces-verbaal van bevindingen met documentcode 7634212 van 19 januari 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 11] (p. 01 en 02).

19 De eigen waarneming van het hof op de terechtzitting van 26 september 2019 van de op 21 september 2016 van de verdachte [medeverdachte] genomen foto, die is opgenomen in het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen met documentcode 7634212 van 19 januari 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 11] (p. 01 en 02).

20 Proces-verbaal van het onderzoek in raadkamer van 3 oktober 2016 in de zaak met parketnummer 13/654167-16, onder meer inhoudende de verklaring van de verdachte [medeverdachte] .

21 Een geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming van 21 september 2016 met nummer 2016204926-15, opgemaakt door [verbalisant 7] .

22 De eigen waarneming van het hof op de terechtzitting van 26 september 2019.

23 Een ambtsedig proces-verbaal van bevindingen met nummer 2016204926 van 20 februari 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 13] (p. 45 en 46).

24 Een ambtsedig proces-verbaal van bevindingen met nummer 2016204926-22 van 21 september 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 14] (p. A-1034).

25 Een ambtsedig proces-verbaal van verhoor met documentcode 7148621 van 12 september 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe opsporingsambtenaren [verbalisant 15] en [verbalisant 16] , houdende de verklaring van de verdachte [medeverdachte] (p. B-1015 tot en met B-1019).