Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:3704

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-09-2019
Datum publicatie
14-10-2019
Zaaknummer
23-002341-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oplichting. Wisseltruc met een biljet van 50 euro. Bespreking bewijsverweer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002341-18

datum uitspraak: 19 september 2019

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 20 juni 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-097656-18 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [Land] ) op [geboortedatum] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

adres in het buitenland: [adres] ( [Land] ).

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 5 september 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep doen instellen tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door de politierechter in de rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, Sv staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Tenlastelegging

Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging – en voor zover inhoudelijk aan het oordeel van het hof onderworpen – is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 18 mei 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [A] , Royal 98 heeft bewogen tot de afgifte van een of meer geldbedrag(en), in elk geval van enig goed, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid voornoemde [A] een of meer briefje(s) van vijftig euro getoond en/of (vervolgens) voorafgaand aan het verkrijgen van wisselgeld(en), dat/die briefje(s) van vijftig euro ongezien terug genomen en/of in zijn broekzak gestopt, waardoor voornoemde [A] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Bespreking van een bewijsverweer

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit van het onder 1 ten laste gelegde. Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Op 18 mei 2018 zag een politieambtenaar S. van Pluuren dat de verdachte liep naar het restaurant Royal 98, gevestigd aan het Damrak te Amsterdam. Door het raam had de politieambtenaar zicht op de kassa van het restaurant. Hij zag door het raam dat de verdachte bij de kassa een medewerkster aansprak. De kassière zette een flesje water voor de verdachte neer. De verdachte hield een biljet van 50 euro in zijn hand en hield deze voor de kassière. Vervolgens begon de verdachte met zijn vinger te wijzen naar de achterzijde van de toonbank. De kassière keek naar achteren. Zij verklaarde later dat de verdachte, nadat hij Spa Blauw had besteld, over zijn dochter begon te vertellen en zei dat hij een beker voor zijn dochter wilde hebben. Hij bleef maar praten, aldus de kassière. De politieambtenaar zag dat de verdachte, terwijl de kassière naar achteren keek, het 50 eurobiljet dat hij zojuist had getoond, in zijn broekzak stopte. De verdachte pakte vervolgens wat kleingeld. De kassière nam het kleingeld aan en gaf de verdachte vervolgens 48 euro aan wisselgeld.

Het hof is van oordeel dat de verdachte met voornoemd samenstel van misleidende gedragingen, te weten het doen van een bestelling voor een klein bedrag, het vervolgens tonen van het 50 eurobiljet, het vele praten, het wijzen waardoor de kassière haar gezicht afwendde en dus werd afgeleid opdat de verdachte het 50 eurobiljet in zijn broekzak kon stoppen en het daarna overhandigen van kleingeld, heeft bewerkstelligd dat de kassière in de onjuiste veronderstelling kwam te verkeren dat hij haar het 50 eurobiljet had overhandigd en zij vanuit die veronderstelling ten onrechte teveel wisselgeld aan de verdachte heeft teruggeven. Op grond van het bovenstaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte door middel van een listige kunstgreep de kassière heeft bewogen tot afgifte van 48 euro. Hetgeen de raadsvrouw in hoger beroep te berde heeft gebracht maakt dat niet anders.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 18 mei 2018 te Amsterdam, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen

door een listige kunstgreep [A] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - listiglijk voornoemde [A] een briefje van vijftig euro getoond en (vervolgens) voorafgaand aan het verkrijgen van wisselgeld, dat briefje van vijftig euro ongezien in zijn broekzak gestopt, waardoor voornoemde [A] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.

Hetgeen onder 1 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

oplichting.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken, met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan oplichting van een kassière van een restaurant. Met een gewiekste wisseltruc heeft hij, na een bestelling gedaan te hebben, de kassière ertoe bewogen hem ten onrechte een groot bedrag aan wisselgeld terug te geven. Dit betreft een ernstig feit, dat naast financiële schade vaak gevoelens van onmacht en onveiligheid bij slachtoffers teweeg pleegt te brengen en het vertrouwen in de medemens schaadt. Het hof neemt het de verdachte kwalijk dat hij zich hierom kennelijk niet heeft bekommerd, maar zich bij het plegen van het onderhavige feit uitsluitend heeft laten leiden door zijn zucht naar geldelijk gewin.

Blijkens het hem betreffende uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 19 augustus 2019 is de verdachte kort voor dit vergrijp onherroepelijk veroordeeld voor een gekwalificeerd vermogensdelict. Dit weegt het hof in zijn nadeel. De omstandigheid dat hij hieruit geen lering heeft getrokken, leidt het hof in het licht van de ernst van bewezenverklaarde tot de slotsom dat nu slechts een vrijheidsbenemende straf op zijn plaats is.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [A]

De benadeelde partij [A] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 50,50, te vermeerderen met de wettelijke rente, en strekt tot compensatie van materiële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 50,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden, mede omdat de gemotiveerde stellingen van de benadeelde partij van de zijde van de verdachte niet gemotiveerd zijn betwist. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover in hoger beroep inhoudelijk aan de orde, en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [A]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [A] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 50,00 (vijftig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [A] , ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 50 (vijftig euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 1 (één) dag hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 18 mei 2018.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.M. van der Nat, mr. J.J.I. de Jong en mr. S.J. Riem, in tegenwoordigheid van

mr. O.F. Qane, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

19 september 2019.

De voorzitter en de jongste raadsheer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[…]