Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:3697

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-09-2019
Datum publicatie
17-10-2019
Zaaknummer
23-000554-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bevestiging vonnis m.u.v. strafoplegging. Veroordeling ter zake van een poging tot woninginbraak in vereniging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000554-19

datum uitspraak: 27 september 2019

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 11 februari 2019 in de strafzaak onder parketnummer 13-158938-18 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 13 september 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de strafoplegging – in zoverre wordt het vonnis vernietigd – en met dien verstande dat het hof:

  • -

    het door de politierechter in het proces-verbaal van de terechtzitting van 11 februari 2019 onder 2 gebezigde bewijsmiddel verbeterd leest in die zin dat de in de aanhef genoemde naam ‘[naam]’ wordt vervangen door ‘[naam]’;

  • -

    het ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweer zal bespreken.

Bespreking van een in hoger beroep gevoerd verweer

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte van het ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Daartoe is, kort gezegd, aangevoerd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte (in vereniging) heeft gepoogd op het ten laste gelegde adres, zijnde de woning gelegen aan de [adres 2] in Amsterdam, in te breken.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt, kort gezegd, dat de politie op 11 augustus 2018 een melding ontving van de bewoonster van de woning aan de [adres 3] in Amsterdam. Zij hoorde gebonk op de deur en zag dat het kijkgaatje in de deur was afgeplakt. De direct daarna ter plaatse gekomen verbalisanten hebben op de derde etage van het portiekgebouw twee personen aangetroffen. Eén van deze personen droeg een tas bij zich waar een gedeelte van een breekijzer uit stak; die persoon bleek de verdachte te zijn. Beide personen probeerden hierna te vluchten. Onder de deurmat van perceel [adres 4] zijn twee schroevendraaiers aangetroffen. Naar aanleiding van een onderzoek naar braakschade aan de deuren in het portiek hebben de verbalisanten geconstateerd dat bij perceel [adres 2] de deurknop los zat, het deurbeslag verbogen was, aan de onderzijde van het deurbeslag een gat aanwezig was, de anti-braakstrip ontzet was en op sommige plekken een soort moet sporen zaten. Op de vloer voor die deur zagen zij witte schilfers liggen, vermoedelijk afkomstig van de lak op de deurstrip.

Gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen in onderling verband en in samenhang beschouwd is het hof, anders dan de raadsman, van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte tezamen met de medeverdachte heeft gepoogd in te breken in de woning aan de [adres 2] in Amsterdam.

Daartoe is in het bijzonder redengevend dat kort na de aanhouding van de verdachte en de medeverdachte schade aan de toegangsdeur van deze woning is geconstateerd en daarbij tevens schilfers, vermoedelijk afkomstig van de lak op de deurstrip, zijn aangetroffen op de vloer voor die deur. In combinatie met de omstandigheid dat de verdachte in het bezit was van een koevoet, gaat het hof er van uit dat het verse braaksporen betrof.

Aldus is sprake van een begin van uitvoering, omdat deze handelingen kunnen worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van een door verdachte (en medeverdachte) voorgenomen inbraak van de woning aan de [adres 2]. Het hof acht niet aannemelijk dat de verdachte ‘slechts’ heeft gepoogd in te breken bij een woning op een andere verdieping in hetzelfde gebouw, zoals de verdediging heeft geopperd. De door de raadsman genoemde omstandigheden laten het voorgaande immers onverlet. Het bewijsverweer van de raadsman wordt aldus weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met aftrek van het voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden.

De raadsman heeft, in geval van een bewezenverklaring, primair verzocht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf waarvan de duur gelijk is aan het door de verdachte ondergane voorarrest op te leggen, alsmede een werkstraf. Subsidiair is verzocht daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf aan de verdachte op te leggen. Daartoe is onder meer aangevoerd dat de verdachte momenteel een baan heeft.

Bovendien werd de desbetreffende woning toen niet bewoond zodat een lagere straf dient te worden opgelegd dan de voor woninginbraken doorgaans gebruikelijke.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Daarbij is in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich tijdens de voor de nachtrust bestemde tijd met de mededader schuldig gemaakt aan een poging tot woninginbraak. Daarbij hebben zij braakschade veroorzaakt. Dit is een ernstig feit, dat niet alleen overlast en materiële schade voor de gedupeerde veroorzaakt, maar ook aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving kan bijdragen, in het bijzonder bij bewoners van woningen in de buurt. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij zich kennelijk slechts heeft laten leiden door zijn eigen financiële gewin en zich niet heeft bekommerd om de gevolgen van zijn handelen voor anderen.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 20 augustus 2019 is hij eerder herhaaldelijk ter zake van soortgelijke feiten onherroepelijk veroordeeld. Het ten laste gelegde is bovendien gepleegd gedurende een lopende proeftijd in verband met een voorwaardelijke veroordeling ter zake van één van die veroordelingen. Het hof weegt deze omstandigheden ten nadele van de verdachte bij de strafoplegging.

Het hof heeft daarnaast acht geslagen op het relevante oriëntatiepunt voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), waarin voor recidive ten aanzien van een woninginbraak als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden wordt genoemd. Dat de woning niet zou zijn bewoond, zoals de raadsman heeft aangevoerd, is voor het hof geen reden om aansluiting te zoeken bij de (mildere) LOVS oriëntatiepunten voor bedrijfsinbraken. Het hof houdt er rekening mee dat in het onderhavige geval sprake is van een poging.

Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en de recidive van de verdachte kan echter niet worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Hetgeen de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte naar voren heeft gebracht, maakt dat niet anders.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. W.M.C. Tilleman, mr. M.L.M. van der Voet en mr. M.W. Groenendijk, in tegenwoordigheid van mr. A.S.E. Evelo, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 september 2019.

=========================================================================

[…]