Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:3688

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-09-2019
Datum publicatie
17-10-2019
Zaaknummer
23-003202-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verkopen harddrugs (art. 2/B Opiumwet).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003202-18

datum uitspraak: 6 september 2019

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 5 september 2018 in de strafzaak onder de parketnummers 13-741009-18 en 13-684328-16 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedag] 1983,

adres: [adres].


Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 augustus 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Omvang van het hoger beroep

De rechtbank heeft het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging ter zake van het onder 2 aan de verdachte ten laste gelegde (zijnde een gevoegde zaak met parketnummer 13-746011-18). Het hoger beroep is door de verdachte bij akte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen die in eerste aanleg gegeven beslissing. Gelet op hetgeen hieromtrent door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in zijn hoger beroep tegen deze beslissing, met welk standpunt het openbaar ministerie instemde, zal het hof de verdachte in zoverre gelet op artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering niet-ontvankelijk verklaren, nu in zoverre tegen het vonnis in deze gevoegde zaak geen grieven zijn ingediend en ook mondeling geen bezwaren zijn opgegeven.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – voor zover in hoger beroep aan de orde – ten laste gelegd dat:

1.
hij op een of meer tijdstippen op of omstreeks 05 januari 2018 te Amsterdam, althans in Nederland, (telkens) opzettelijk heeft verkocht of afgeleverd of verstrekt aan
- [naam 1] (ongeveer) 1 bolletje (0,13 gram) cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een
materiaal bevattende cocaïne en/of
- [naam 2] (ongeveer) 1 wikkel/bolletje cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een
materiaal bevattende cocaïne,

in elk geval (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Bewijsoverweging

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte van het onder 1 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Daartoe is, kort gezegd, aangevoerd dat de verdachte de verweten gedragingen ten stelligste heeft ontkend en niet zonder meer van de juistheid van het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisant [verbalisant] van 5 januari 2018 kan worden uitgegaan, althans die waarnemingen andere opties c.q. de verklaring van de verdachte – te weten: dat hij een champagnefles cadeau kreeg – niet uitsluiten.

Het hof overweegt als volgt.

Uit voornoemd proces-verbaal van bevindingen van de verbalisant [verbalisant] volgt dat de verdachte op 5 januari 2018 in het Oosterpark te Amsterdam omstreeks 12.50 uur iets aan [naam 2] overhandigde. [naam 2] deed hetgeen hij aannam in zijn rechter jaszak en wees vervolgens naar een sporttas, waar de verdachte een champagnefles uit haalde. Kort daarop gaf de verdachte een witkleurig, plastic bolletje aan [naam 1], waarna deze een handvol muntgeld aan hem overhandigde en met het bolletje in zijn linkerhand wegliep. Uit de dossierstukken volgt voorts dat [naam 2] en [naam 1] omstreeks 13.10 uur respectievelijk 12.57 uur zijn aangehouden, waarbij eerstgenoemde een blauwe wikkel uit zijn rechter jaszak tevoorschijn haalde en laatstgenoemde een bolletje met poeder in zijn linkerhand vasthield. In zowel de wikkel als het bolletje is een materiaal bevattende cocaïne aangetroffen.

Anders dan de raadsman, ziet het hof geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de door [verbalisant] in zijn proces-verbaal neergelegde bevindingen. Te minder omdat die bevindingen worden ondersteund door de hiervoor geschetste onderzoeksbevindingen. Hetgeen de raadsman in dit kader ter terechtzitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht, doet daar niet aan af. Ten overvloede overweegt het hof dat, voor zover de verdachte de fles champagne cadeau zou hebben gekregen, dit geen afbreuk doet aan de waarnemingen van de verbalisant ten aanzien van het overhandigen van goederen door de verdachte aan [naam 2] respectievelijk [naam 1] en de daaropvolgende bevindingen ten tijde van hun aanhoudingen. Het verweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij op 5 januari 2018 te Amsterdam, telkens opzettelijk heeft verkocht of verstrekt aan
- [naam 1], 1 bolletje (0,13 gram) van een materiaal bevattende cocaïne, en
- [naam 2], 1 wikkel van een materiaal bevattende cocaïne.

Hetgeen onder 1 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 dagen, met aftrek van het voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

De raadsman heeft, in geval van een bewezenverklaring, primair verzocht op grond van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (Sr) geen straf of maatregel aan de verdachte op te leggen, gelet op de relatieve ernst van de feiten. Subsidiair heeft hij verzocht het vonnis ten aanzien van de strafoplegging te bekrachtigen. Daartoe is onder meer gewezen op het reclasseringsadvies van 14 augustus 2019, waaruit onder meer volgt dat het op alle leefgebieden beter gaat met de verdachte en dat vrijwel alle schulden zijn afgelost, alsmede het feit dat hij sinds september 2018 niet meer met politie of justitie in aanraking is gekomen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de verkoop of verstrekking van cocaïne op straat. De verspreiding van harddrugs vormt niet alleen een onaanvaardbaar risico voor de volksgezondheid, maar brengt ook onrust in de samenleving met zich en leidt veelal – direct en indirect – tot diverse (andere) vormen van criminaliteit.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 7 augustus 2019 is hij eerder ter zake van een soortgelijk feit onherroepelijk veroordeeld, hetgeen in het nadeel van de verdachte weegt.

Het hof heeft bij de strafoplegging voorts acht geslagen op het relevante oriëntatiepunt voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), waarin voor een hoeveelheid van 0 – 10 gram harddrugs een taakstraf van 30 uren wordt genoemd. Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van de feiten en de recidive van de verdachte, in dit geval echter niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt, laat staan met de toepassing van het bepaalde in artikel 9a Sr, zoals door de raadsman is verzocht. In verband met de huidige persoonlijke omstandigheden van de verdachte – met name het feit dat uit het reclasseringsadvies van 14 augustus 2019 blijkt dat zijn schulden- en alcoholproblematiek onder controle lijken te zijn en hij gedurende enige tijd niet voor overlast heeft gezorgd – alsmede de toepasselijkheid van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, acht het hof het in ieder geval niet opportuun de verdachte een straf op te leggen die zou meebrengen dat hij opnieuw gedetineerd raakt. Al met al zal het hof volstaan met oplegging van dezelfde als de door de rechtbank opgelegde straf.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 14 augustus 2017 opgelegde voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren.

Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Het hof acht – conform de vordering van de advocaat-generaal en het verzoek van de raadsman – termen aanwezig om de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover in hoger beroep aan de orde, en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

  • -

    een geldbedrag ter hoogte van € 45,00 (goednummer: 5498020);

  • -

    een geldbedrag ter hoogte van € 29,95 (goednummer: 5498021).

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Amsterdam van 20 juli 2018, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 14 augustus 2017, parketnummer 13-684328-16, voorwaardelijk opgelegde taakstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis met een proeftijd van 2 jaar.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. Kuiper, mr. H.M.J. Quaedvlieg en mr. B.A.A. Postma, in tegenwoordigheid van mr. A.S.E. Evelo, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 6 september 2019.

De jongste raadsheer en de griffier zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.

=========================================================================

[…]