Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:3687

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-09-2019
Datum publicatie
17-10-2019
Zaaknummer
23-004609-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opzettelijke brandstichting (art. 157 Sr).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-004609-17

datum uitspraak: 6 september 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 22 december 2017 in de strafzaak onder de parketnummers 13-654017-17 en 13-020701-14 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedag] 1976,

verblijfadres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 augustus 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

primair
hij op of omstreeks 15 januari 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk brand heeft gesticht in/bij een trappenportaal/portiek behorende bij/gelegen aan een woning aan de [adres 2], immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk:

- ( (open) vuur en/of een brandende sigaret in aanraking gebracht met een of meer nabij/tegen de voordeur van voornoemde woning liggend(e) kledingstuk(ken) en/of deurmat en/of papier, althans met (een) brandbare stof(fen),

ten gevolge waarvan voornoemde kledingstuk(ken) en/of deurmat en/of papier en/of voordeur van voornoemde woning geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan

  • -

    gemeen gevaar voor voornoemde woning en/of naastgelegen woning(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of

  • -

    levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een of meer bewoner(s) van en/of aanwezigen in voornoemde woning en/of naastgelegen woning(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;


subsidiair
hij op of omstreeks 15 januari 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam (open) vuur en/of een brandende sigaret in aanraking heeft gebracht met een of meer nabij/tegen een voordeur van een woning gelegen aan de [adres 2] liggend(e) kledingstuk(ken) en/of deurmat en/of papier, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan het aan zijn schuld te wijten is geweest, dat voornoemde kledingstuk(ken) en/of deurmat en/of papier en/of voordeur van voornoemde woning geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval dat er brand is ontstaan, en daardoor gemeen gevaar voor voornoemde woning en/of naastgelegen woning(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een of meer bewoners(s) van en/of aanwezigen in voornoemde woning en/of naastgelegen woning(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen ontstond.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd om proceseconomische redenen.

Bespreking gevoerde verweren

a. Vormverzuim

Nu het hof de door de verdachte in zijn verhoor door de politie afgelegde verklaring niet voor het bewijs zal gebruiken, behoeft het daartoe strekkende verweer geen nadere bespreking.

Bewijsverweren

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal van het ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Daartoe is aangevoerd dat, gelet op de verklaring van de verdachte en het ontbreken van technisch onderzoek naar het ontstaan van de brand, geen sprake is van opzet op brandstichting, ook niet in voorwaardelijke zin. Evenmin kan de subsidiair ten laste gelegde schuldvariant als bedoeld in artikel 158 Sr wettig en overtuigend bewezen worden verklaard, nu de verdachte niet in aanmerkelijke mate verwijtbaar onvoorzichtig heeft gehandeld.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep volgt dat op 15 januari 2017 omstreeks 00.23 uur brand is ontstaan voor de toegangsdeur van de woning van de aangeefster [aangeefster 1], gelegen aan de [adres 2] te Amsterdam. De aangeefster heeft daarover ten overstaan van de politie verklaard dat zij op 14 januari 2017 had besloten om de verdachte, die tijdelijk bij haar woonde, uit huis te zetten. Omstreeks 20.30 uur heeft zij zijn spullen voor de deur van haar woning neergezet met daarop een papier waarop zij had geschreven dat hij zijn spullen moest pakken en weg moest gaan. De verdachte stond in de daarop volgende uren meermalen voor haar deur, maar de aangeefster heeft hem niet binnen gelaten. Op enig moment rook de aangeefster een brandlucht. Zij heeft gekeken of de brandlucht uit haar keuken kwam en is vervolgens naar de gang gelopen. De dochter van de aangeefster zag een vlammetje onder de voordeur, waarna het noodnummer 112 is gebeld. De bovenbuurvrouw van de aangeefster klopte op de voordeur en riep dat er iets brandde. Toen de aangeefster haar voordeur opende, zag zij dat er in het trapportaal een kledingstuk van de verdachte in brand stond.

De verdachte heeft dienaangaande ter terechtzitting in hoger beroep onder meer verklaard dat hij voor de deur van de aangeefster een sigaret heeft gerookt, welke hij met zijn hand op de betonnen vloer bij de deurmat heeft uitgedrukt. Vervolgens is hij met twee zware vuilniszakken gevuld met kleding weggelopen. Hij heeft op geen enkel moment een brandlucht geroken of anderszins signalen van rook c.q. brand opgemerkt. De brand is niet opzettelijk door hem aangestoken, maar moet zijn ontstaan doordat hij de sigarettenpeuk niet goed heeft uitgedrukt, aldus de verdachte.

Het hof stelt deze verklaring en het daarin door de verdachte geschetste scenario als ongeloofwaardig terzijde. Daartoe is met name redengevend dat het vuur voor de deur van de aangeefster al bestond op het moment waarop de verdachte is weggerend, zodat het hof vaststelt dat het niet anders kan dan dat dit vuur door hem is aangestoken. Op grond van de verklaring van de aangeefster bij de politie kan worden vastgesteld dat het noodnummer 112 is gebeld nadat het vuur was geconstateerd, terwijl de door de onderbuurvrouw van de aangeefster [aangeefster 2] bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring onder meer inhoudt dat zij, vanwege een door haar ook in haar woning geconstateerde brandlucht in het trapportaal is gaan kijken en toen de verdachte naar buiten zag rennen en vervolgens van de aangeefster hoorde dat zij de politie (het hof begrijpt: 112) al had gebeld.

Gelet op het feit dat de brand in de voor de nachtrust bestemde uren is gesticht voor de voordeur van een portiekwoning op de eerste etage van een bewoond wooncomplex, was naar het oordeel van het hof gevaar voor goederen en levensgevaar voor personen te duchten. Het risico dat de brand niet of te laat zou worden opgemerkt, was gelet op het tijdstip daarvan, reëel. Ook bestond een reëel gevaar dat de brand zou overslaan naar de woning van de aangeefster en/of één of meer andere woningen. Van de brand was daarom voor de in die woningen aanwezige personen ook levensgevaar te duchten.

Het voorgaande brengt mee dat het hof wettig en overtuigend bewezen acht dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan. Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd omtrent het ontbreken van opzet op de brandstichting, al dan niet in voorwaardelijke zin, wordt door het hof op grond van het hiervoor overwogene verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 15 januari 2017 te Amsterdam, opzettelijk brand heeft gesticht in een trapportaal behorende bij een woning aan de [adres 2], immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk

- open vuur of een brandende sigaret in aanraking gebracht met nabij de voordeur van voornoemde woning liggende kledingstukken, deurmat en/of papier,

ten gevolge waarvan brand is ontstaan, terwijl daarvan

- gemeen gevaar voor voornoemde woning en naastgelegen woningen, en

- levensgevaar voor aanwezigen in voornoemde woningen

te duchten was.

Hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

de voortgezette handeling van:

opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is, en

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De rechtbank heeft daaraan, kort gezegd, de navolgende bijzondere voorwaarden verbonden: een meldplicht, een ambulante behandelverplichting, een alcohol- en drugsverbod en het verlenen van medewerking aan een schuldhulpverleningstraject.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, met een proeftijd van twee jaren en onder de bijzondere voorwaarden die in eerste aanleg zijn opgelegd.

De raadsman heeft, in geval van een bewezenverklaring, verzocht een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geformuleerd in de in deze zaak opgemaakte rapportages op te leggen, althans die straf te combineren met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die gelijk is aan de duur van het door de verdachte ondergane voorarrest. Daartoe heeft hij onder meer gewezen op het feit dat de verdachte, gelet op zijn psychosociale problematiek en verslavingen, verminderd toerekenbaar moet worden geacht, terwijl de verdachte inmiddels beschikt over eigen huisvesting en inmiddels een vorm van benodigde begeleiding is ingezet die met oplegging van bijzondere voorwaarden kan worden bestendigd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich ‘s nachts schuldig gemaakt aan opzettelijke brandstichting in het portiek van de woning van een vriendin van hem, waar hij destijds verbleef. Dit betreft een zeer ernstig feit, vanwege de zeer gevaarlijke situatie die de verdachte daarmee in het leven heeft geroepen. Dat de gevolgen hiervan beperkt zijn gebleven tot brand- c.q. roetschade, is niet aan de verdachte te danken. Hij heeft door zijn handelen niet alleen gevaar veroorzaakt voor het leven van zijn vriendin, van wie hij wist dat zij op dat moment in de woning aanwezig was, maar ook voor het leven van haar kinderen en van de medebewoners van de naastgelegen portiekwoningen, waarvan het – gelet op het tijdstip van de brand – ook voor de verdachte te verwachten was dat zij zich in hun woningen bevonden. De verdachte heeft zich bij het plegen van het feit kennelijk laten leiden door boosheid/teleurstelling vanwege de onenigheid met deze vriendin, zonder zich te bekommeren om de ernstige gevaren die zijn handelen voor personen en goederen teweeg zou brengen. Feiten als het onderhavige kunnen bijdragen aan gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 7 augustus 2019 is hij eerder veroordeeld, onder meer ter zake van vernieling. Deze omstandigheid weegt het hof ten nadele van de verdachte mee bij de bepaling van de strafmaat.

Het hof heeft bij de strafoplegging voorts acht geslagen op het reclasseringsadvies van 7 april 2017. Daaruit volgt onder meer dat het recidiverisico destijds als hoog werd ingeschat en de oplegging van een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden wordt geadviseerd. Voorts heeft het hof de pro justitia rapportages van psycholoog en psychiater omtrent de persoon van de verdachte in ogenschouw genomen, van 8 en 15 juni 2017.

Naar het oordeel van het hof is het op grond van in het bijzonder de laatstgenoemde rapporten en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep aannemelijk geworden dat het feit aan de verdachte wegens zijn geestelijke beperkingen in verminderde mate kan worden toegerekend. Dat betrekt het hof in strafmatigende zin bij de op te leggen straf.

Gelet op de ernst van het feit is in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van substantiële duur gerechtvaardigd. Het hof ziet evenwel in de omstandigheid dat de gevolgen van het bewezen verklaarde handelen relatief beperkt zijn gebleven, de verminderde toerekenbaarheid van die gedragingen aan de verdachte, het tijdsverloop sinds het incident en de toepasselijkheid van artikel 63 Sr aanleiding om te volstaan met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf. Overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal en het verzoek van de raadsman zullen daaraan de hierna te noemen bijzondere voorwaarden worden verbonden, nu de verdachte gebaat lijkt te zijn bij hulpverlening en hij zich ter terechtzitting in hoger beroep bereid heeft verklaard daaraan zijn medewerking te verlenen.

Het hof acht, alles afwegende, een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 10 maanden onder de hierna te noemen bijzondere voorwaarden passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 56, 63 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 1 september 2015 opgelegde voorwaardelijke geldboete ter hoogte van
€ 350,00, subsidiair 7 dagen hechtenis.

Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Met de advocaat-generaal en de raadsman is het hof van oordeel dat de tenuitvoerlegging van deze voorwaardelijk opgelegde straf thans niet opportuun is. De vordering wordt daarom afgewezen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd:

- de veroordeelde dient zich binnen vijf werkdagen na de veroordeling te melden bij het kantoor van Leger des Heils, Jeugdbescherming en Reclassering op de [adres 3] en dient zich daarna gedurende de proeftijd en op door de reclassering te bepalen tijdstippen te blijven melden bij deze instelling, zo frequent en zo lang die instelling dat noodzakelijk acht;

- de veroordeelde dient zich gedurende de proeftijd onder behandeling te stellen van een forensisch ACT team bij Palier Amsterdam of een soortgelijke instelling op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen voor zijn persoonlijkheidsproblematiek en zijn neurocognitieve stoornis;

- het is de veroordeelde verboden gedurende de volledige proeftijd van 2 jaren soft-/harddrugs en alcohol te gebruiken en hij is verplicht ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek of urineonderzoek;

- de veroordeelde wordt verplicht om mee te werken aan een schuldhulpverleningstraject zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Geeft opdracht aan Leger des Heils, Jeugdbescherming en Reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Amsterdam van 2 februari 2017, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 1 september 2015, parketnummer 13-020701-14, voorwaardelijk opgelegde geldboete ter hoogte van € 350,00 subsidiair 7 dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. Kuiper, mr. H.M.J. Quaedvlieg en mr. B.A.A. Postma, in tegenwoordigheid van mr. A.S.E. Evelo, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 6 september 2019.

De jongste raadsheer en de griffier zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]