Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:3664

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-10-2019
Datum publicatie
11-10-2019
Zaaknummer
23-003685-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zaak Ararat, mensenhandel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003685-16

datum uitspraak: 11 oktober 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 22 september 2016 in de strafzaak onder parketnummer 15‑871415-15 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

[inschrijfadres] ,

[detentie adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 27 september 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

1.
hij in of omstreeks de periode van 1 mei t/m 10 augustus 2015 te Tilburg en/of te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een ander, genaamd [F.S.] (geboren 13 augustus 1997),

(telkens)

1) heeft geworven, overgebracht en/of gehuisvest met het oogmerk van uitbuiting (artikel 273 f lid 1 sub 2), en/of

2) ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling, dan wel (enige) handeling(en) heeft ondernomen waarvan hij en/of zijn mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [F.S.] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van die (seksuele) handelingen (artikel 273 f lid 1 sub 5), en/of

3) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de seksuele handelingen van die [F.S.] met of voor een derde tegen betaling (artikel 273f lid 1 sub 8),

terwijl die [F.S.] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt,

en waarbij "enige handeling(en)" (zoals genoemd onder 2)) (onder meer) hebben/heeft bestaan uit:

- het maken van erotische foto's van die [F.S.] , althans foto's waarop die [F.S.] was gekleed in slechts weinig of weinig verhullende kleding;

- het aanmaken en/of plaatsen van een profiel en/of advertentie (met genoemde foto's) op één of meer website(s) op internet waarin die [F.S.] als (webcam)prostituee werd aangeboden;

- het beschikbaar stellen van een laptop en een telefoon om de seksuele werkzaamheden te kunnen uitvoeren;

- het bepalen welke tarieven die [F.S.] moest rekenenen voor haar prostitutiewerkzaamheden;

- het mishandelen van die [F.S.] ;

- het mishandelen van [J.W.] in de nabijheid van die [F.S.] en/of

- het (stelselmatig) (woordelijk) bedreigen van die [F.S.] en van de familieleden van die [F.S.] (onder meer met de mededeling dat die [F.S.] en/of haar familieleden zouden worden dood gemaakt en/of worden mishandeld);

2.
hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2014 tot en met 10 augustus 2015, in ieder geval van 1 maart 2014 tot en met 10 augustus 2015, te Hoofddorp, Amsterdam en/of Tilburg, en/of (elders) in Nederland, en/of in België, Frankrijk en/of Londen (Engeland)

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een ander, genaamd [J.W.] ,

door dwang, geweld of een andere feitelijkheid, door dreiging met geweld of een andere feitelijkheid, door misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie

(telkens)

1) heeft geworven, overgebracht en/of gehuisvest met het oogmerk van uitbuiting (artikel 273 f lid 1 sub 1), en/of

2) heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling en/of drugssmokkel) dan wel (enige) handeling(en) heeft ondernomen waarvan hij en/of zijn mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [J.W.] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van die arbeid of diensten (artikel 273 f lid 1 sub 4), en/of

3) heeft gedwongen of bewogen hem, te bevoordelen uit de opbrengst van de door deze [J.W.] verrichte seksuele handelingen met of voor een derde (artikel 273f lid 1 sub 9),

en waarbij "enige handeling(en)" (zoals genoemd onder 2) en (dreiging) met geweld en/of een feitelijkheid (onder meer) hebben bestaan uit:

-het (meermalen) aanmaken en/of plaatsen van een profiel en/of advertentie (met genoemde foto's) op één of meer website(s) op internet waarin die [J.W.] als (webcam)prostituee werd aangeboden;

- het beschikbaar stellen van een laptop en een telefoon om de seksuele werkzaamheden te kunnen uitvoeren;

- het bepalen welke tarieven die [J.W.] moest rekenenen voor haar prostitutiewerkzaamheden;

- het instrueren van die [J.W.] wat zij tegen derden diende te verklaren over hem, verdachte;

- het instrueren van die [J.W.] hoe zij naar Londen diende te reizen;

- het (meermalen) mishandelen van [J.W.] ;

- het dreigen die [J.W.] te mishandelen;

- het slaan van de broer van [J.W.] en/of

- het dreigen de moeder van [J.W.] dood te schieten en/of wat aan te doen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.

Partiële vrijspraak (ten aanzien van feit 2, medeplegen)

Met de advocaat-generaal en de raadsman is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit tezamen en in vereniging met een of meer anderen heeft begaan. Uit het dossier noch het verhandelde ter terechtzitting kan worden afgeleid dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en een of meer anderen. Het hof spreekt de verdachte dan ook vrij van het ten laste gelegde medeplegen.

(Bewijs)verweer

Standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft ten aanzien van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten vrijspraak bepleit en daartoe het volgende aangevoerd.

Verklaringen [J.W.]

De belastende verklaringen van [J.W.] zijn onbetrouwbaar. De raadsman heeft er in dit verband op gewezen dat [J.W.] eerst in december 2015 verklaart over de schaduw die de verdachte over haar leven heeft geworpen en kennelijk in staat is, ook onder omstandigheden die zwaar voor haar zijn, zoals detentie, te liegen, zodat de vraag zich opdringt waarom haar belastende verklaringen van december 2015 dan wel de waarheid zouden bevatten. Voorts stelt de raadsman dat [J.W.] , die in de zaak met betrekking tot feit 1 als medeverdachte wordt aangemerkt, er gelet op het non punishment-beginsel alle belang bij had om tevens als slachtoffer te worden aangemerkt. Zij is ook kort na haar verklaringen van december 2015 vrijgelaten. Daarbij komt dat de verdachte een ander beeld van de relatie schetst en dat ook de verklaringen van de getuigen [J.K.] en [M.B.] op een vrij bestaan van [J.W.] duiden.

Verklaringen [F.S.]

De raadsman heeft aangevoerd dat de verklaringen van [F.S.] niet voldoende worden ondersteund door ander bewijsmateriaal. Het schriftje is pas een dag later in beslag genomen en moet derhalve met de nodige behoedzaamheid worden betracht. De enige ondersteuning wordt gevormd door de belastende verklaringen van [J.W.] , maar deze zijn onbetrouwbaar en kunnen derhalve niet het steunbewijs vormen.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de belastende verklaringen van [J.W.] betrouwbaar en bruikbaar zijn voor het bewijs.

Oordeel van het hof

De betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster en getuige [J.W.]

Ter beoordeling van de betrouwbaarheid van een afgelegde verklaring staan in het algemeen diverse wegen open. Zo kan onder meer worden gekeken of hetgeen met betrekking tot een bepaalde verdachte of overigens is verklaard, overeenkomt met of steun vindt in – zo te noemen – objectieve feitelijke gegevens, of dat de betreffende verklaring ‘uit zichzelf’ (dat wil zeggen, zonder voorafgaande wetenschap van hetgeen reeds uit het onderzoek naar voren is gekomen) is afgelegd, of de verklaring op andere onderdelen steeds consistent is en of onderdelen van de verklaring zich verdragen met andere in het onderzoek naar voren gekomen gegevens. Daarnaast kunnen de ouderdom en de complexiteit van de feiten waarover is verklaard bij de beoordeling een rol spelen, evenals een mogelijk motief voor het afleggen van de verklaring. Dat de betreffende verklaringen (mede) zouden zijn afgelegd uit wraak dan wel in de verwachting hierdoor een verblijfsvergunning of schadevergoeding te verkrijgen, maakt dit niet anders. Dit aspect speelt immers reeds in het beoordelingskader een rol en dient te worden bezien en gewogen in samenhang met de overige aanknopingspunten voor de toetsing van de betrouwbaarheid.

Het hof verwerpt het verweer van de verdediging omtrent de betrouwbaarheid van [J.W.] en overweegt daartoe als volgt. Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de belastende verklaringen van [J.W.] kunnen worden gebezigd tot het bewijs. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat [J.W.] , die op 10 augustus 2015 werd aangehouden wegens de verdenking van het tezamen met de verdachte medeplegen van mensenhandel jegens [F.S.] , al op 17 augustus 2015 (derhalve 7 dagen na haar aanhouding) buiten haar officiële verklaring om heeft verklaard dat ‘zij mensen in gevaar zou brengen als zij openheid zou geven. Het zou haar niet uitmaken als zij tussen zes planken kwam, want dan was zij van dit leven af.’ (proces-verbaal van bevindingen, pagina 492). Bovendien heeft [J.W.] ook belastend over zichzelf verklaard en heeft zij zich ter zake van voornoemde verdenking moeten verantwoorden bij de meervoudige kamer van de rechtbank Noord-Holland ter terechtzitting van 13 april 2017. Ten slotte worden de verklaringen van [J.W.] ondersteund door andere bewijsmiddelen, waaronder de verklaring van [F.S.] , wiens betrouwbaarheid door de verdediging niet wordt betwist.

Nadere overwegingen met betrekking tot het bewijs(verweer)

Hetgeen de raadsman verder heeft aangevoerd met betrekking tot de verklaringen van [J.W.] , vindt zijn weerlegging in de bewijsmiddelen. Dat geldt eveneens voor hetgeen is aangevoerd met betrekking tot de verklaringen van [F.S.] .

Ten aanzien van de pleegperiode van feit 2 overweegt het hof nog als volgt.

Ten laste gelegd is de periode van 1 juli 2014 dan wel 1 maart 2014 tot en met 10 augustus 2015. Uit de verklaring van [J.W.] van 21 december 2015 (dossierpagina 732) blijkt dat zij op zeventienjarige leeftijd de verdachte heeft leren kennen en een relatie met hem kreeg. Het gedrag van de verdachte naar [J.W.] toe veranderde na haar achttiende verjaardag, de verdachte bepaalde vanaf dat moment wat zij ging doen. Blijkens de persoonsgegevens, zoals deze zijn opgenomen in de processen-verbaal waarin zij als verdachte is gehoord, is [J.W.] geboren op 28 februari 1996. Nu zij de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt op 28 februari 2014, kan in ieder geval de periode vanaf het moment dat zij achttien was geworden, derhalve vanaf 1 maart 2014, worden bewezen verklaard.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij in de periode van 1 mei t/m 10 augustus 2015 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander,

[F.S.] (geboren 13 augustus 1997),

1) heeft overgebracht en gehuisvest met het oogmerk van uitbuiting, en

2) ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling, en

3) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de seksuele handelingen van die [F.S.] met of voor een derde tegen betaling,

terwijl die [F.S.] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt.


2.
hij in de periode van 1 maart 2014 tot en met 10 augustus 2015, in Nederland, België, Frankrijk en Londen (Engeland), [J.W.] , door dwang, geweld of een andere feitelijkheid, door dreiging met geweld of een andere feitelijkheid,

1) heeft geworven, overgebracht en gehuisvest met het oogmerk van uitbuiting, en

2) heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling en drugssmokkel), en

3) heeft gedwongen of bewogen hem, te bevoordelen uit de opbrengst van de door deze [J.W.] verrichte seksuele handelingen met of voor een derde,

en waarbij (dreiging) met geweld en/of een feitelijkheid (onder meer) hebben bestaan uit:

- het bepalen welke tarieven die [J.W.] moest rekenen voor haar prostitutiewerkzaamheden;

- het instrueren van die [J.W.] wat zij tegen derden diende te verklaren over hem, verdachte;

- het instrueren van die [J.W.] hoe zij naar Londen diende te reizen;

- het mishandelen van [J.W.] ;

- het dreigen die [J.W.] te mishandelen;

- het dreigen de moeder van [J.W.] dood te schieten en/of wat aan te doen.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze zijn opgenomen in de bewijsmiddelenbijlage.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

mensenhandel, terwijl de persoon ten aanzien van wie het in artikel 273f, eerste lid onder 2° van het Wetboek van Strafrecht omschreven feit wordt gepleegd, de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

en

mensenhandel, terwijl de persoon ten aanzien van wie het in artikel 273f, eerste lid onder 5° van het Wetboek van Strafrecht omschreven feit wordt gepleegd, de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

en

mensenhandel, terwijl de persoon ten aanzien van wie het in artikel 273f, eerste lid onder 8° van het Wetboek van Strafrecht omschreven feit wordt gepleegd, de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

mensenhandel, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder feit 1 en 2 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertig (40) maanden, met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

De raadsman heeft bepleit dat, indien een bewezenverklaring volgt, het hof geen straf oplegt die boven de gevorderde straf door de advocaat-generaal uitgaat.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich eerst alleen, en daarna samen met zijn eerder gemaakte slachtoffer, schuldig gemaakt aan mensenhandel. Mensenhandel is een ernstig feit, waarbij op indringende wijze inbreuk wordt gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit en de persoonlijke vrijheid van de slachtoffers.

Gelet op de ernst van de feiten geldt dat hierop slechts kan worden gereageerd met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Het hof neemt bij de strafoplegging in het bijzonder nog in aanmerking dat [J.W.] een erg jong slachtoffer is, dat door toedoen van de verdachte haar school en werk is kwijtgeraakt, dat het bij haar om een langdurige uitbuitingssituatie in zowel de prostitutie als in drugshandel gaat alsmede dat hij haar heeft misbruikt voor de uitbuiting van [F.S.] , een minderjarig en kwetsbaar meisje. Voorts neemt het hof als strafverzwarende omstandigheid mee dat de verdachte zich zowel jegens [J.W.] als jegens [F.S.] regelmatig schuldig heeft gemaakt aan geweld, alsmede aan ernstige bedreigingen.

Van de bewezenverklaarde feiten is algemeen bekend dat de slachtoffers daarvan gedurende lange tijd daarna de psychische nadelige gevolgen kunnen ondervinden van wat hen is overkomen, zoals in casu ook blijkt uit de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde stukken door mr. Koopsen, gemachtigde van slachtoffer [F.S.] , inhoudende dat [F.S.] opnieuw is aangemeld bij (GGZ instelling) Poli+ te [adres] voor een behandeling.

De verdachte heeft zich niet bekommerd om de (mogelijke) gevolgen van zijn handelen voor de slachtoffers. Ook ter terechtzitting in hoger beroep heeft hij er op geen enkele wijze blijk van gegeven het laakbare van zijn handelen in te zien. Het enige motief voor het handelen van de verdachte lijkt de hang naar geld te zijn geweest, nu hij het geld dat zijn slachtoffers verdienden opstreek.

Het hof heeft verder acht geslagen op de omstandigheid dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 26 augustus 2019 eerder onherroepelijk is veroordeeld terzake van zowel gewelds- als vermogensdelicten. Daarnaast heeft de verdachte de feiten gepleegd in een lopende proeftijd. Ook dit weegt het hof in strafverzwarende zin mee.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen is het hof van oordeel dat de door de rechtbank in eerste aanleg opgelegde straf, zijnde tevens de door de advocaat-generaal gevorderde straf, onvoldoende recht doet aan de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [F.S.]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 11.139,21, bestaande uit € 1.139,21 materiële schade (gederfde inkomsten) en € 10.000 immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 6.139,21 en de benadeelde partij is voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Standpunt verdediging

Primair heeft de raadsman bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken en derhalve de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Indien het hof wel tot een veroordeling komt, heeft de raadsman betoogd dat de vordering tot vergoeding van de materiële schade niet kan worden toegewezen, nu deze ziet op inkomsten uit jeugdprostitutie. Jeugdprostitutie is een strafbaar feit. Een dergelijke claim kan civielrechtelijk niet worden gehonoreerd, nu deze in strijd is met de wet. Subsidiair heeft de raadsman matiging bepleit.

Standpunt Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering integraal dient te worden toegewezen.

Oordeel hof

Het behoeft geen betoog dat het standpunt dat de benadeelde partij haar gederfde inkomsten uit prostitutie niet toegewezen kan krijgen omdat jeugdprostitutie illegaal is, niet kan worden gevolgd. De benadeelde partij heeft inkomsten gederfd en rechtstreeks schade geleden als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde handelen van de verdachte. De hoogte van de materiële schade is door de verdediging niet betwist. De vordering tot schadevergoeding van de materiele schade komt voor toewijzing in aanmerking. Ook de hoogte van het gevorderde bedrag ter zake van de immateriële schade is niet (gemotiveerd) door de verdediging betwist. Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, alsmede de gegeven onderbouwing, is het hof van oordeel dat de vordering, voor zover deze ziet op de immateriële schade, zich eveneens leent voor toewijzing van het volledige bedrag.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 57, 63 en 273f van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 50 (vijftig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [F.S.]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [F.S.] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 11.139,21 (elfduizend honderdnegenendertig euro en eenentwintig cent) bestaande uit € 1.139,21 (duizend honderdnegenendertig euro en eenentwintig cent) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [F.S.] , ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 11.139,21 (elfduizend honderdnegenendertig euro en eenentwintig cent) bestaande uit € 1.139,21 (duizend honderdnegenendertig euro en eenentwintig cent) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 10 augustus 2015.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.L. Leenaers, mr. M. Senden en mr. C. Fetter, in tegenwoordigheid van mr. C. de Beer, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 11 oktober 2019.