Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:3659

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-09-2019
Datum publicatie
14-10-2019
Zaaknummer
23-003653-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bevestiging vonnis. Verwerping van een verweer in hoger beroep over een alternatief scenario en het signalement.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-003653-18

Datum uitspraak: 20 september 2019

TEGENSPRAAK (gemachtigde raadsman)

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 5 oktober 2018 in de strafzaak onder de parketnummers 13-741121-18 en 13-665224-17 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedag] 1987,

thans uit anderen hoofde gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Middelburg.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

De verdachte is door de rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 4 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is daardoor mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen deze vrijspraak.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

6 september 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, met aftrek van de tijd die in voorarrest is doorgebracht. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering tenuitvoerlegging zal worden toegewezen.

Beoordeling

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – en zal dit bevestigen, met dien verstande dat het hof naar aanleiding van een nieuw standpunt van de verdediging in hoger beroep, als volgt overweegt.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte nu erkent dat hij met de bankpas en de pincode van de aangeefster een aantal keren geld van haar bankrekening heeft afgehaald (feit 2), maar dat hij nog steeds ontkent dat hij degene was die in de woning van aangeefster haar pincode heeft ontfutseld en haar bankpas heeft gestolen.

De raadsman heeft daarom vrijspraak bepleit van feit 1 en 3. Volgens hem is er een alternatief scenario, inhoudende dat iemand anders in de woning van de aangeefster is geweest en van wie de verdachte de pinpas heeft gekregen. Dit wordt volgens de raadsman ondersteund doordat aangeefster bij de politie heeft verklaard dat ze twee mannen op de eerste etage van de flat zag toen ze beneden bij de lift stond en één van hen naar haar toe kwam, alsmede door de omstandigheid dat aangeefster over de man in haar woning heeft verklaard dat het een man is ‘van ongeveer 1.90 meter met een slank postuur’, terwijl de verdachte – volgens de raadsman – gezet en 1,78 meter lang is.

Het hof acht dit scenario niet aannemelijk geworden. Nog daargelaten dat het niet wordt ondersteund door een verklaring van de verdachte zelf, vindt het zijn weerlegging in de bewijsmiddelen. Daaruit volgt

het zeer korte tijdsverloop tussen de diefstal van de bankpas uit de woning van de aangeefster omstreeks 18.00 uur en het eerste gebruik van de bankpas om 18.03 uur. Daarnaast komt het belangrijkste deel van het signalement dat de aangeefster van de dader in haar woning heeft gegeven, (kaal, getint uiterlijk, blauw shirt met korte mouwen en blauwe lange joggingbroek) overeen met het uiterlijk en de kleding van de man die met de pas heeft gepind zoals blijkt uit de stills van de camerabeelden. Die ‘pinner’ is de verdachte, zoals kan worden afgeleid uit de processen-verbaal van herkenning en uit de foto’s van de verdachte (en diens kleding) na aanhouding. Het verweer wordt dan ook verworpen.

Het hof vervangt de zin “Uit de justitiële documentatie […] proeftijd loopt.” in regel 10 tot en met 12 van de strafmotivering onder paragraaf 9.3 van het vonnis door de zin:

“Uit de justitiële documentatie van de verdachte van 19 augustus 2019 blijkt verder dat hij eerder ter zake van veel vermogensdelicten is veroordeeld en van twee van die veroordelingen ten tijde van het plegen van de onderhavige strafbare feiten in een proeftijd liep”.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 4 ten laste gelegde.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. E. van Die, mr. R.P. den Otter en mr. J. Piena, in tegenwoordigheid van mr. A. Scheffens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 september 2019.

Mr. A. Scheffens is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.