Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:3593

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-09-2019
Datum publicatie
09-10-2019
Zaaknummer
18/00603
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2018:7741, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende (werknemer) mag de bij de inhoudingsplichtige nageheven en op hem verhaalde loonheffing als voorheffing verrekenen met de aanslag inkomstenbelasting. Ook indien het loonbestanddeel waarop de naheffing ziet, niet tot het belastbare inkomen uit werk en woning van belanghebbende behoort. Geen beroep gedaan op interne compensatie.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 9.2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 09-10-2019
V-N Vandaag 2019/2188
FutD 2019-2622 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk 18/00603

24 september 2019

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van

[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: mr. J. Kastelein),

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk HAA 17/2947 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Belanghebbende heeft aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) gedaan voor het jaar 2014, naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 158.992. Aan ingehouden loonheffing is een bedrag van € 97.144 aangegeven.

1.2.

De inspecteur heeft de aanslag IB/PVV 2014 conform de hiervoor vermelde aangifte vastgesteld onder verrekening van het daarin aangegeven bedrag aan loonheffing.

1.3.

Belanghebbende heeft de inspecteur verzocht de aanslag IB/PVV 2014 ambtshalve te verminderen door verrekening van een bedrag aan loonheffing van in totaal € 214.144 (€ 97.144 + € 117.000).

1.4.

De inspecteur heeft het verzoek bij beschikking afgewezen.

1.5.

Na tegen de hiervoor vermelde (afwijzings)beschikking gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak op bezwaar de aanslag IB/PVV 2014 gehandhaafd.

1.6.

Bij uitspraak van 11 september 2018 heeft de rechtbank op het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep als volgt beslist (in deze uitspraak wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de inspecteur als ‘verweerder’).

“De rechtbank:

(…)

- verklaart het beroep voor zover gericht tegen de beschikking gegrond;

- vernietigt de beschikking waarbij het verzoek om ambtshalve vermindering is

afgewezen;

- vermindert de belastingaanslag tot een berekend naar een belastbaar

inkomen uit werk en woning van € 158.992, met verrekening van een bedrag van loonheffing ad € 214.144 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.002;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 aan eiser te vergoeden.”

1.7.

Het tegen deze uitspraak door de inspecteur ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 24 oktober 2018. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend en daarbij voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld. De inspecteur heeft van de gelegenheid gebruik gemaakt om schriftelijk zijn zienswijze omtrent het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep naar voren te brengen.

1.8.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 september 2019. Aldaar zijn verschenen belanghebbende tot bijstand vergezeld van mr. J. Kastelein en namens de belastingdienst drs. R.P. Bitter, tot bijstand vergezeld van mr. J.I. Ramaker en mr. W. Koelewijn. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift met de uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld:

Feiten

1. Op 18 mei 2009 is [A1 BV] opgericht door [A2 BV] en [B BV] .

2. [A2 BV] is opgericht op 4 april 1999. In de periode 21 december 2007 tot 1 oktober 2013 worden alle aandelen in [A2 BV] gehouden door [C1 GROEP BV] . Vanaf 1 oktober 2013 houdt [A HOLDING BV] 100 percent van de aandelen [A2 BV] . Alle aandelen van [A HOLDING BV] worden gehouden door [C1 GROEP BV] .

3. Eiser treedt op 15 juni 2009 in dienst bij [A1 BV] . In de periode van 15 juni 2009 tot en met 31 december 2012 is hij werkzaam als algemeen directeur. Met ingang van 1 januari 2013 is eiser werkzaam voor [A2 BV] in de functie van algemeen directeur.

4. Op 5 maart 2009 is [B BV] opgericht door eiser. Eiser is enig aandeelhouder van [B BV] . Vanaf de datum van oprichting tot 22 april 2014 is [B BV] aandeelhouder van [A1 BV] . Met ingang van 22 april 2014 worden alle aandelen [A1 BV] gehouden door [A HOLDING BV] .

5. Het maatschappelijke aandelenkapitaal van [A1 BV] bedraagt bij oprichting € 90.000 (= 90.000 aandelen van € 1,-). Het maatschappelijke aandelenkapitaal omvat 85.500 aandelen A en 4.500 aandelen B.

6. Bij oprichting worden 17.100 aandelen A en 900 aandelen B geplaatst. De aandelen A [A1 BV] worden tot 7 september 2009 gehouden door [A2 BV] en vanaf genoemde datum door [C1 BV] .

7. [B BV] is houder van de 900 aandelen B [A1 BV] .

8. [B BV] betaalt voor de 900 aandelen B die zij bij de oprichting van [A1 BV] verkrijgt, een bedrag van € 150.000. Van dit totaalbedrag wordt € 900 betaald in de vorm van aandelenkapitaal en € 149.100 in de vorm van agio.

9. Op 22 april 2014 verkoopt [B BV] alle 900 aandelen B [A1 BV] , en daarmee haar (5 percent) aandelenbelang in [A1 BV] , voor € 225.000 aan [A HOLDING BV] .

Er is geen waarderingsrapport opgemaakt op basis waarvan de (ver)koopprijs is bepaald.

10. [B BV] /eiser verwerft op 22 april 2014 een (indirect) belang in [D1 HOLDING BV] door certificaten van (gewone en preferente) aandelen [D1 HOLDING BV] te kopen.

11. De gewone en (verschillende soorten) preferente aandelen [D1 HOLDING BV] worden door [Stichting D] gehouden. De door de [Stichting D] gehouden gewone aandelen [D1 HOLDING BV] worden in de certificaathouderovereenkomst die is gesloten tussen [Stichting D] en [D1 HOLDING BV] enerzijds en eiser en [B BV] anderzijds (hierna: certificaathouderovereenkomst) Commons genoemd.

12. In de certificaathouderovereenkomst is onder meer het volgende bepaald:

“ACHTERGROND:

(A) [D1 HOLDING BV] is de houder van alle geplaatste aandelen in het kapitaal van [D2 HOLDING BV] , [C HOLDING] en [A HOLDING] . [D2 HOLDING BV] is houder van alle geplaatste aandelen in het kapitaal van [C] ;

(B) [Eiser] is werkzaam bij de [C GROEP] en krijgt in deze hoedanigheid de gelegenheid om te participeren in de waarde ontwikkeling van [C GROEP] ;

(C) De participatie heeft de vorm van de verwerving van een (indirect) belang in [D1 HOLDING BV] in de vorm van door [Stichting D] uit te geven:

- certificaten (de “Certificaten-C”) van 157.500 Commons tegen betaling van een bedrag van in totaal tweehonderdvijfentwintig duizend euro (EUR 225.000) (de “Inleg-C”);

- certificaten (de “Certificaten-P”) van 150.000 CumPrefs 8 subklasse I

tegen betaling van een bedrag van in totaal eenhonderdvijftg duizend euro (EUR 150.000) (de “Inleg-P”);

(D) {Eiser] is met [C GROEP] overeengekomen dat zijn participatie voor een deel (en wel de Certificaten-P) zal geschieden via en worden gehouden door [B BV] , een door hem gehouden vennootschap;

(E) Partijen wensen in deze overeenkomst de voorwaarden en bepalingen met betrekking tot de hiervoor omschreven participatie in [D1 HOLDING BV] door middel van de Certificaten neer te leggen.

(…)”

13. De Certificaten-C houdt eiser in privé. De Certificaten-P houdt eiser via [B BV] .

14. Blijkens onderdeel 3.1 van de certificaathouderovereenkomst wordt de koopprijs van de Certificaten-C en de Certificaten-P (€ 375.000 in totaal) door eiser respectievelijk [B BV] als volgt aan [D1 HOLDING BV] voldaan:

i. i) [B BV] draagt de vordering (ten bedrage van € 225.000) die zij heeft op [A HOLDING BV] in verband met de verkoop van de 900 aandelen B [A1 BV] op 22 april 2014 over aan [D1 HOLDING BV] .

ii) Eiser leent een bedrag van € 150.000 van [A HOLDING BV] . Het bedrag dat eiser leent, wordt door [A HOLDING BV] direct aan [D1 HOLDING BV] betaald.

15. [D1 HOLDING BV] is via [D2 HOLDING BV] houder van alle aandelen [C1 GROEP BV] . en heeft een aandelenbelang (een indirect meerderheidsbelang) in [A HOLDING BV] en [A2 BV] .

16. De financieel directeur van de [C1 GROEP] heeft in een e-mail van 22 januari 2016 gericht aan verweerder aangegeven dat [A1 BV] de laatste drie jaren verliesgevend is geweest. Dit blijkt ook uit de geconsolideerde commerciële jaarrekening 2014 van [D1 HOLDING BV] .

17. Blijkens de geconsolideerde balans van [A1 BV] was het eigen vermogen van [A1 BV] aan het einde van het boekjaar 2014 (30 april 2014) gedaald tot € 3.626.000 negatief.

18. [A1 BV] heeft in 2013 een middellange termijnplanning opgesteld waarin de verwachtingen voor de toekomst zijn opgenomen voor wat betreft de ontwikkeling van de omzet en de EBITDA. Eiser is betrokken geweest bij het opstellen van de toekomstverwachtingen voor [A1 BV] . Deze verwachtingen zijn in datzelfde jaar aan de bank gepresenteerd ter verkrijging van een lening. In opdracht van de bank is de opgestelde toekomstverwachting door [E] beoordeeld. De gevraagde lening is verstrekt. Volgens de financieel directeur zou [A1 BV] een zeer kleine winst maken wanneer overeenkomstig de middellange termijnplanning een omzet gerealiseerd wordt van € 9.000.000.

19. Vanwege de reeds geleden verliezen en de slechte vooruitzichten - de actuele (omzet)cijfers bleven achter bij de verwachtingen die in 2013 zijn opgesteld -, zijn volgens de financieel directeur de activiteiten van [A1 BV] gestaakt.

20. Op 23 april 2014 is het besluit genomen om de activiteiten van [A1 BV] binnen afzienbare tijd te staken en voor die activiteiten een koper dan wel een licentienemer te vinden. Eiser was aanwezig bij het overleg waarin is besloten om de activiteiten te staken.

21. De financieel directeur heeft in een e-mail van 14 januari 2016 gericht aan verweerder met betrekking tot waarde van de aandelen [A1 BV] op 22 april 2014 bericht:

“(…)

Niet veel lang later hebben we als directie besloten deze aktiviteiten te staken vanwege de verliezen en de slechte outlook (want budget is slechts een voorspelling, actueel ging het slechter). Daarom hebben we vorig jaar reeds bij [F] dit pro aktief aangegeven en gesteld dat er geen waarde zat in de aandelen van deze BV.

(…)”

22. Per 5 september 2014 zijn de statutaire posities van eiser binnen [A2 BV] (en iedere andere vennootschap waarvan de aandelen in handen zijn van de [C1 GROEP BV] .) beëindigd. [A2 BV] heeft op 5 september 2014 de arbeidsovereenkomst opgezegd per 1 april 2015. In verband met deze beëindiging was [A2 BV] aan eiser een beëindigingsvergoeding van € 105.000 (bruto) verschuldigd.

23. Eiser en [B BV] hebben wegens de beëindiging van de arbeidsovereenkomst de Certificaten-C en de Certificaten-P - op grond van het bepaalde in de artikelen 9.1 en 9.2 van de certificaathouderovereenkomst - te koop aangeboden aan [D1 HOLDING BV] en [Stichting D] . Naar aanleiding van de beëindiging van de dienstbetrekking van eiser is een vaststellingsovereenkomst gesloten tussen [A2 BV] , [A1 BV] , [A HOLDING BV] , [Stichting D] en [C1 GROEP HOLDING BV] (voorheen: [D1 HOLDING BV] ) enerzijds en [B BV] en eiser anderzijds. Uit deze vaststellingsovereenkomst volgt dat [C1 GROEP HOLDING BV] zowel de Certificaten-C als de Certificaten-P heeft gekocht voor € 1 en dat deze koopprijs door een onafhankelijke waarderingsdeskundige (ir. [Y] ) is vastgesteld.”

Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden zal ook het Hof daarvan uitgaan. Hieraan voegt het Hof nog het volgende toe.

2.2.

Een bedrag van € 117.000 aan loonheffing is nageheven van [A2 BV] (de inhoudingsplichtige) en is door [A2 BV] verhaald op belanghebbende door verrekening met een ontslagvergoeding.

3 Geschil in hoger beroep en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep

3.1.

In hoger beroep is in geschil of de op belanghebbende verhaalde loonheffing (ten bedrage van € 117.000) als voorheffing mag worden verrekend met de aanslag IB/PVV 2014. De inspecteur beantwoordt deze vraag ontkennend en belanghebbende bevestigend.

Daarbij twisten partijen over het antwoord op de vraag of sprake is van een als loon in aanmerking te nemen voordeel uit dienstbetrekking, behaald met de verkoop van aandelen B [A1 BV] en de koop van certificaten van aandelen [D1 HOLDING BV]

3.2.

Indien het Hof het hoger beroep van de inspecteur gegrond verklaart en oordeelt dat de certificaten van aandelen [D1 HOLDING BV] per 22 april 2014 een waarde vertegenwoordigen van meer dan € 0, is nog in geschil de waarde van de aandelen B [A1 BV] per 22 april 2014 (voorwaardelijk incidenteel hoger beroep).

3.3.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen partijen daaraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal.


4. Beoordeling van het hoger beroep en het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep

4.1.

De rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende de op hem verhaalde loonheffing ten bedrage van € 117.000 als voorheffing mag verrekenen met de aanslag IB/PVV 2014. Aan dit oordeel heeft de rechtbank het volgende ten grondslag gelegd:

“Verrekening nageheven loonheffing en belastingrente met de ib/pvv

30. Eiser heeft zich – zakelijk weergegeven – op het standpunt gesteld dat de nageheven loonheffing groot € 117.000 met de door hem op aanslag verschuldigde ib/pvv kan worden verrekend. Vaststaat immers dat het nageheven bedrag door zijn (voormalige) werkgever op hem is verhaald via verrekening met de hem toegekende ontslagvergoeding en aldus te zijnen laste is gekomen. Het gegeven dat geen looninkomsten in zijn belastbare inkomen uit werk en woning zijn begrepen, doet aan het vorenstaande niet af.

31. Verweerder betoogt met verwijzing naar het arrest van 26 september 2003, nr. 38532, ECLI:NL:HR:2003:AL2130, dat verrekening met de aanslag ib/pvv niet is toegestaan omdat het loon waarop de naheffingsaanslag ziet, niet in de aanslag ib/pvv is betrokken. De rechtbank overweegt het navolgende.

32. Op grond van artikel 9.2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) wordt als voorheffing in aanmerking genomen de geheven loonbelasting met uitzondering van de als eindheffing geheven loonbelasting. Indien tegelijk premie volksverzekeringen is geheven, wordt op grond van het zesde lid van genoemd wetsartikel die ingehouden premie ook als voorheffing aangemerkt. Ingevolge artikel 15 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) wordt de geheven loonbelasting/premie volksverzekeringen verrekend met de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

Tussen partijen is in confesso dat de loonbelasting/premie volksverzekeringen waarover het geschil gaat, is nageheven van de BV en vervolgens via verrekening met een ontslagvergoeding op eiser is verhaald en dat deze derhalve niet als eindheffing is geheven. Onder deze omstandigheden heeft eiser zich op het rechtens juiste standpunt gesteld dat – los van het antwoord op de vraag of de waarde van de afgestane aandelen [A1 BV] een waarde in het economisch verkeer representeren – hij de nageheven loonbelasting/premie volksverzekeringen mag verrekenen met de verschuldigde ib/pvv. In zoverre is het gelijk aan eiser.

33. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 26 september 2003, nr. 38532, ECLI:NL:HR:2003:AL2130, BNB 2004/65, overwegingen 3.5 tot en met 3.10, zijn oordeel gegeven over de vraag wanneer nageheven loonbelasting verrekenbaar is met de aanslag in de ib/pvv. De nageheven loonbelasting/premie volksverzekering ter zake van het in de aanslag begrepen loon komt aldus de Hoge Raad voor verrekening in aanmerking. Het arrest maakt in rechtsoverweging 3.7 duidelijk dat loonbelasting niet alleen verrekenbaar is met de inkomstenbelasting als zij is ingehouden of nageheven, maar ook als zij anderszins is betaald door de inhoudingsplichtige.

Dit geldt zelfs als het loon niet tot het belastbare inkomen in de inkomstenbelasting wordt gerekend. Hierdoor wordt het tekort gecompenseerd dat voor de betreffende ‘werknemer’ is ontstaan doordat ten onrechte loonheffing op zijn loon is ingehouden. Uit de in de onderdelen 3.7 tot en met 3.9 geciteerde jurisprudentie volgt dat nageheven loonheffing verrekenbaar is. Met het karakter van de loonheffing is strijdig dat indien deze ten laste van de werknemer (eiser) is nageheven en feitelijk zoals in het voorliggende geval te zijnen laste is gekomen, niet voor verrekening met de verschuldigde ib/pvv in aanmerking komt. De rechtbank wijst er in dit verband op dat in artikel 9.2 van de Wet IB 2001, anders dan in artikel 63 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, niet de voorwaarde wordt gesteld dat de geheven loonbelasting betrekking heeft op bestanddelen van het (onzuivere) inkomen.

34. Voor zover nodig merkt de rechtbank nog op dat uit het voormelde arrest moet worden afgeleid dat de voorwaarde dat het loonbestanddeel in de aanslag ib/pvv moet zijn betrokken, alleen wordt gesteld indien de loonheffing niet is afgedragen. Indien de loonheffing wel is ingehouden en afgedragen respectievelijk is nageheven en afgedragen, is de loonheffing derhalve verrekenbaar als voorheffing.”

4.2.

De inspecteur heeft in hoger beroep zijn standpunt herhaald dat nageheven loonbelasting alleen als voorheffing kan worden verrekend met de inkomstenbelasting, als het loonbestanddeel waarop de naheffing ziet, tot het belastbare inkomen uit werk en woning van de werknemer (belanghebbende) behoort.

4.3.

Het Hof is met de rechtbank van oordeel dat belanghebbende recht heeft op verrekening van de op hem verhaalde loonheffing (ten bedrage van € 117.000) met de aanslag IB/PVV 2014. Het Hof verenigt zich dienaangaande met hetgeen de rechtbank heeft overwogen in de onderdelen 32 en 33 van haar uitspraak en maakt deze overwegingen tot de zijne. Daarbij heeft de rechtbank terecht tot uitgangspunt genomen dat op grond van het bepaalde in artikel 9.2 van de Wet IB 2001 de geheven loonbelasting (met uitzondering van de als eindheffing geheven belasting) als voorheffing verrekenbaar is met de aanslag IB/PVV. Hetzelfde heeft te gelden op grond van artikel 9.2, zesde lid, van de Wet IB 2001 voor zover premies volksverzekeringen zijn begrepen in de naheffingsaanslag. Gegeven het ook door de rechtbank in onderdeel 33 van haar uitspraak aangehaalde arrest HR 26 september 2003, nr. 38532, ECLI:NL:HR:2003:AL2130, BNB 2004/65, berust het andersluidende standpunt van de inspecteur op een onjuiste rechtsopvatting. Voor verrekening met een aanslag in de inkomstenbelasting komt naast de ingehouden loonheffing tevens in aanmerking het bedrag aan loonheffing dat van de inhoudingsplichtige anders dan als eindheffing is nageheven ook in geval het desbetreffende loonbestanddeel bij de heffing van de inkomstenbelasting/premieheffing volksverzekeringen niet in aanmerking is genomen bij het bepalen van het belastbare inkomen uit werk en woning/premie-inkomen.

4.4.

De inspecteur heeft niet een (subsidiair) standpunt ingenomen, inhoudende dat bij een hoger bedrag aan te verrekenen loonheffing, hij met een beroep op interne compensatie het belastbare inkomen uit werk en woning verhoogt met het voordeel dat zijns inziens is behaald met de verkoop van de aandelen B [A1 BV] . De inspecteur heeft geen expliciet beroep gedaan op interne compensatie en ook overigens niet uitdrukkelijk en ondubbelzinnig aangegeven van die mogelijkheid gebruik te willen maken, terwijl dat gelet op het arrest van de Hoge Raad van 2 juni 2006, nr. 41 392, ECLI:NL:HR:2006:AV1227, r.o. 4.2, BNB 2006/337, wel is vereist. De Hoge raad overweegt:

“4.2. Indien een belastingplichtige in beroep een aanslag op een bepaald punt bestrijdt, staat het de inspecteur vrij een beroep te doen op interne compensatie (vgl. HR 9 december 1998, nr. 33370, BNB 1999/68 en HR 25 juni 2004, nr. 38997, BNB 2004/343). Zo de inspecteur van die bevoegdheid gebruik wil maken, dient hij daarvan in de procedure echter uitdrukkelijk en ondubbelzinnig blijk te geven.”

4.5.

Hetgeen hiervoor is overwogen leidt ertoe dat de vraag of sprake is van een als loon in aanmerking te nemen voordeel uit dienstbetrekking, behaald met de verkoop van aandelen B [A1 BV] en de koop van certificaten van aandelen [D1 HOLDING BV] , geen behandeling behoeft.

Slotsom

4.6.

De slotsom is dat het hoger beroep van de inspecteur ongegrond is. Alsdan komt het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van belanghebbende te vervallen. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

5 Kosten

Aangezien de inspecteur in hoger beroep is gegaan en dit hoger beroep ongegrond is, acht het Hof termen aanwezig de inspecteur te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende in de procedure voor het Hof heeft moeten maken. Op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met artikel 8:108 van die wet en met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt het Hof deze kosten vast op een bedrag van € 1.024 (= 2 punten ter zake van proceshandelingen x factor 1,0 voor de zwaarte van de zaak x € 512 voor de waarde van 1 punt).

6 Beslissing

Het Hof:

  • -

    bevestigt de uitspraak van de rechtbank;

  • -

    veroordeelt de inspecteur in de kosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.024; en

  • -

    bepaalt het van de inspecteur te heffen griffierecht op € 508.

De uitspraak is gedaan door mrs. R.C.H.M. Lips, voorzitter, F.J.P.M. Haas en N. Djebali, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Hogendoorn als griffier.

De beslissing is op 24 september 2019 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.