Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:359

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-02-2019
Datum publicatie
30-04-2019
Zaaknummer
23-003965-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onjuiste aangifte omzetbelasting, opzettelijk te laag bedrag aan omzetbelasting in rekening gebracht over matrassen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 01-05-2019
FutD 2019-1248
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003965-17

datum uitspraak: 12 februari 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 8 november 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-845167-15 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans uit anderen hoofde gedetineerd in [locatie].

Onderzoek van de strafzaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzittingen in hoger beroep van

17 juli 2018 en 29 januari 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
[bedrijf] op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 29 januari 2013 tot en met 20 oktober 2015 te Apeldoorn en/of Utrecht, in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) (elektronische) aangifte(n) voor de omzetbelasting over

het vierde kwartaal 2012 (DOC-088 8/28) en/of

het eerste kwartaal 2013 (DOC-088 9/28) en/of

het tweede kwartaal 2013 (DOC-088 10/28) en/of

het derde kwartaal 2013 (DOC-088 11/28) en/of

het vierde kwartaal 2013 (DOC-088 12/28) en/of

het eerste kwartaal 2014 (DOC-088 13/28) en/of

het tweede kwartaal 2014 (DOC-088 14/28) en/of

het derde kwartaal 2014 (DOC-088 15/28) en/of

het vierde kwartaal 2014 (DOC-088 16/28 t/m 18/28) en/of

het eerste kwartaal 2015 (DOC-088 19/28 t/m 21/28) en/of

het tweede kwartaal 2015 (DOC-088 22/28 t/m 24/28) en/of

het derde kwartaal 2015 (DOC-088 25/28 t/m 28/28)

onjuist en/of onvolledig heeft gedaan en/of heeft laten doen, immers heeft [bedrijf] (telkens) opzettelijk op het bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Apeldoorn en/of Utrecht, in elk geval in Nederland, (elektronisch) ingeleverde/ingestuurde/ingediende aangiftebiljet(ten) omzetbelasting over genoemd(e) kwarta(a)l(en) (telkens) een te la(a)g(e) omzet/belastbaar bedrag, althans (telkens) een te laag bedrag aan verschuldigde omzetbelasting opgegeven, terwijl dat feit (telkens) er toe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven (te weten: circa Euro 752.732,-), tot het plegen van bovenomschreven strafbare feit hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opdracht heeft gegeven en/of aan welke vorenomschreven verboden gedraging hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) feitelijk leiding heeft gegeven;


2:
[bedrijf] (optredend onder de handelsna(a)m(en) [handelsnaam 1] en/of [handelsnaam 2] en/of [handelsnaam 3]) op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 19 september 2012 tot en met 14 augustus 2015 te Utrecht en/of Enschede, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, zestien (16), althans een of meer, factu(u)r(en) van [bedrijf] (optredend onder de handelsna(a)m(en) [handelsnaam 1] en/of [handelsnaam 2] en/of [handelsnaam 3])

(DOC-009 8/14 en/of DOC-009 12/14 en/of DOC-009 14/14 en/of DOC-26 2/2 en/of DOC-034 en/of DOC-035 en/of DOC-037 en/of DOC-038 en/of DOC-040 en/of DOC-041 en/of DOC-043 en/of

DOC-044 en/of DOC-067 en/of DOC-082 en/of DOC-083 en/of DOC-087) zijnde (telkens) (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of doen opmaken en/of laten opmaken en/of vervalst en/of doen vervalsen en/of laten vervalsen, immers heeft/hebben [bedrijf] en/of haar mededader(s) valselijk en/of in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven- op/in die factu(u)r(en) (telkens) een prijs per stuk bedrag vermeld, die niet zien/ziet op die in die factu(u)r(en) genoemde artikelaanduiding(en) en/of die niet zien/ziet op de/het volgens die factu(u)r(en) geleverde artikel(en) en/of op/in die factu(u)r(en) (telkens) een onjuist BTW bedrag opgenomen/vermeld en/of in rekening gebracht, zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken, tot het plegen van bovenomschreven strafbare feit hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opdracht heeft gegeven en/of aan welke vorenomschreven verboden gedraging hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) feitelijk leiding heeft gegeven.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof komt tot andere overwegingen dan de rechtbank.

Bespreking van gevoerde verweren

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde aan de hand van zijn pleitnota primair aangevoerd -zakelijk weergegeven- dat de matrassen van de verdachte als antidecubitusmatrassen te kwalificeren zijn, waardoor terecht 6% BTW in rekening is gebracht en de belastingaangiften niet onjuist zijn. Uit het dossier wordt duidelijk dat de door de verdachte aangeboden matrassen de eigenschappen hebben die een matras dient te hebben om decubitus te voorkomen en/of te behandelen. De verdachte was en is van mening dat zijn matrassen specifiek zijn ontworpen en geproduceerd ter voorkoming of ter behandeling van decubitus en worden als zodanig ook aangeboden en verkocht. De matrassen van de verdachte hebben immers specifieke drukverlagende eigenschappen. Derhalve dient de verdachte van het onder 1 ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd -zakelijk weergegeven- dat de verdachte minst genomen een pleitbaar standpunt had dat de matrassen belast waren met 6% BTW, zodat er geen aanmerkelijke kans was dat zijn standpunt onjuist was. De verdachte was terecht van mening dat hij aannemelijk kon maken dat zijn matrassen voldeden aan de vereisten (specifiek ontworpen en geproduceerd ter voorkoming of ter behandeling van decubitus en als zodanig ook aangeboden en verkocht). De matrassen zijn onmiskenbaar ontworpen voor drukverlaging (en dat voorkomt decubitus) zodat hij kon menen dat aan het ontwerp-vereiste was voldaan. De verdachte had geen voorwaardelijk opzet op het doen van een onjuiste aangifte omzetbelasting.

Voorts is de verdachte de matrassen gaan leveren in combinatie met de climabestprotector, een allergeenvrije matrashoes waarover in ieder geval 6% BTW verschuldigd is. De gecombineerde verkoop van een matras en een hoes gaf de verdachte een extra reden om over de matrassen 6% BTW af te dragen. Het maakt in feite deel uit van een tweetrapsraket:

- de matrassen vielen wat de verdachte betreft hoe dan ook onder de 6% BTW en

- als de verdachte een combinatie maakte van een hoes en een matras kon hij ook betogen dat de hoes het hoofdproduct was (dus ook daarom 6% BTW over beide producten).

De redenering van de verdachte was voorts dat proefslapen en de daarop volgende daadwerkelijke aankoop twee verschillende producten waren en dat het hem vrijstond om het uiteindelijke aanbod in te richten zoals hij dat wilde.

Meer subsidiair heeft de raadsman aangevoerd -zakelijk weergegeven- dat de verdachte de aanmerkelijke kans dat zijn standpunt onjuist was niet bewust heeft aanvaard. De verdachte verkeerde in de veronderstelling dat hij ófwel de protector als hoofdprestatie mocht beschouwen (waarbij het matras het fiscale lot van die hoofdprestatie volgde) ófwel dat het hem vrij stond een gratis matras te geven zonder daarover BTW te hoeven afdragen. Het advies van boekhouder/fiscaal adviseur [boekhouder] heeft de verdachte gesterkt in zijn opvatting dat hij vrij was om het matras tegen € 0,00 te leveren zodat het BTW-tarief op het matras minder ter zake deed. Voorts zijn de aangiften omzetbelasting ingediend door onder meer voornoemde [boekhouder] en het kantoor [kantoor 1], die kennelijk geen enkel bezwaar zagen om de matrassenomzet onder 6% BTW te noteren. De verdachte heeft de zorg betracht die redelijkerwijs van hem kon worden gevergd bij de keuze van zijn adviseur en bij de samenwerking met die adviseur.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd -zakelijk weergegeven- dat de facturen niet vals zijn, althans dat de verdachte geen (voorwaardelijk) opzet op die valsheid heeft gehad. De verdachte ging uit van het door eerdergenoemde [boekhouder] getoetste model dat de bestelling voor het proefslapen en de uiteindelijke koop (vastgelegd middels de factuur) twee afzonderlijke fasen zijn. De factuur zag dus niet op de bestelling van het proefslapen, maar op de uiteindelijke koop. De koop kwam derhalve niet tot stand bij de bestelling op de website, maar door verzending van de factuur (het aanbod) en de betaling van die factuur of het behouden van het matras en de hoes (de aanvaarding). Derhalve zijn de in de facturen genoemde (BTW-)bedragen niet vals. Er staat immers het bedrag dat de verdachte daadwerkelijk aan BTW heeft afgedragen. Derhalve dient de verdachte van het onder 2 ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

De rechtbank heeft deze (grotendeels) reeds in eerste aanleg gevoerde verweren besproken in haar overwegingen zoals weergegeven in het vonnis onder ‘4. Waardering van het bewijs’. Het hof neemt deze overwegingen over en maakt ze tot de zijne. Ten aanzien van hetgeen in hoger beroep (aanvullend) naar voren is gebracht, overweegt het hof als volgt (waarbij het de verschillende verweren deels gezamenlijk zal behandelen).

Feit 1: onjuiste aangiften omzetbelasting

bewustheid

De verdachte was (zoals ook de rechtbank heeft vastgesteld) in de ten laste gelegde periode feitelijk leidinggevende van [bedrijf] (hierna [bedrijf]) die matrassen verkocht aan particulieren. Op de levering van deze matrassen was tot 1 juli 2012 het verlaagd BTW-tarief van toepassing. In 2012 heeft de Belastingdienst (onder verwijzing naar gewijzigde regelgeving) het standpunt ingenomen dat de door [bedrijf] geleverde matrassen niet langer kwalificeerden voor het verlaagd tarief en dat derhalve het algemeen (ook wel omschreven als ‘hoge’) tarief van toepassing was.

De verdachte heeft ter terechtzitting van het hof, desgevraagd, erkend dat hij van dit gewijzigde standpunt van de Belastingdienst op de hoogte was, en hij de Belastingdienst heeft gevraagd om nog tot

1 september 2012 aangifte omzetbelasting te doen naar het verlaagd tarief, hetgeen werd toegestaan. Dat de verdachte zich bewust was van het standpunt blijkt voorts uit punt 7 van zijn brief van 15 mei 2012 aan kantoor [kantoor 2] (door de raadsman bij mail van 22 januari 2019 ingebracht in de procedure): ‘Volgens de nieuwe regelgeving is [het verlaagd] tarief niet meer van toepassing’.

Vervolgens heeft de verdachte er desondanks voor gekozen om ook na 1 september 2012 uit te gaan van het verlaagd tarief, zonder daarvan mededeling te doen aan de Belastingdienst. De kennelijk daaraan ten grondslag liggende reden, te weten dat hij van mening was en is dat de matrassen voldoen aan de voorwaarden van het verlaagd tarief vanwege de (gestelde) antidecubituswerking, doet niet af aan het feit dat hij op de hoogte was van het andersluidende oordeel van de Belastingdienst.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht, indien het hof tot de conclusie zou komen dat [bedrijf] op haar website(s) de matrassen niet heeft aangeboden met uitdrukkelijke vermelding van de (gestelde) antidecubituswerking, om nader onderzoek te laten doen naar de websites van de verdachte (middels [website]).

Nu dit verzoek (eerst) ter terechtzitting is gedaan, zal het hof dit verzoek beoordelen aan de hand van het noodzaakcriterium. Het hof wijst dit verzoek af omdat de noodzaak daartoe niet is gebleken. Immers, het bij de aanbieding op een website vermelden van een (gestelde) antidecubituswerking is niet bepalend voor het al dan niet toepassen van het verlaagd tarief van de omzetbelasting. Antidecubitusmatrassen moeten immers voor toepassing van het verlaagd tarief ook specifiek zijn ontworpen en geproduceerd ter voorkoming of behandeling van decubitus. Het aldus vermelden van gestelde eigenschappen doet evenmin af aan de keuze van de verdachte voor (en bewustheid bij) het hanteren van het verlaagd tarief – in afwijking van het standpunt van de Belastingdienst.

verlaagd tarief of algemeen tarief

De rechtbank Gelderland heeft bij uitspraak van 4 oktober 2017 [bedrijf] in het ongelijk gesteld in haar beroep tegen de door de Belastingdienst opgelegde naheffingsaanslagen (waarbij werd uitgegaan van toepassing van het algemeen tarief). In hoger beroep heeft de belastingkamer van hof Arnhem-Leeuwarden (hierna: Hof A-L) op 8 januari 2019 het daartegen door [bedrijf] ingestelde appel afgewezen; het Hof A-L concludeert eveneens tot toepassing van het algemeen tarief op de matrassen. Het hof gaat (in navolging van de uitspraak van de belastingkamer van Hof A-L en de daarin gegeven motivering) eveneens uit van de toepasselijkheid van het algemeen tarief, mede nu ter terechtzitting geen (nieuwe) argumenten naar voren zijn gebracht die nopen tot een andere conclusie. Het hof wijst er in dit verband op dat de leverancier van [bedrijf] de matrassen leverde onder toepassing van het algemeen tarief.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep het hof (voorwaardelijk) verzocht, indien het hof tot deze conclusie zou komen, een deskundige te benoemen (in het bijzonder deskundige [deskundige] in [plaats 1]) teneinde onderzoek te laten doen naar de door de verdachte aangeboden matrassen. Nu dit verzoek (eerst) ter terechtzitting is gedaan, zal het hof dit verzoek beoordelen aan de hand van het noodzaakcriterium. Het hof wijst dit verzoek af, omdat het onvoldoende is onderbouwd. Onduidelijk is of en in hoeverre het gevraagde onderzoek kan leiden tot een antwoord op de vraag of de matrassen specifiek zijn ontworpen en geproduceerd ter voorkoming of behandeling van decubitus. Verder is onduidelijk wat de specifieke kennis en ervaring is van genoemde deskundige (zijn cv is niet overgelegd, noch een opgave van publicaties). Het hof acht zich door het verhandelde ter terechtzitting, en meer in het bijzonder de uitspraak van Hof A-L, in voldoende mate voorgelicht, zodat de noodzaak het hof niet is gebleken.

samengestelde prestatie

De stelling dat sprake is van (steeds) een samengestelde prestatie, inhoudende dat aan een particulier zowel een matras wordt geleverd als een matrasbeschermer (ook wel ‘hoes’ genoemd) en dat de levering van het matras opgaat in de levering van de matrasbescherming waarna op de totale (samengestelde) levering het verlaagd tarief van toepassing is, kan het hof niet volgen. Allereerst is het hof van oordeel dat de levering van het matras niet opgaat in de levering van de beschermer. Er is sprake van de levering van twee van elkaar los staande producten (met een van elkaar afwijkend tarief omzetbelasting) die als zodanig gefactureerd hadden moeten worden. De verdachte heeft ook gekozen voor het afzonderlijk vermelden van de te leveren producten op de facturen (zie hierna).

Zo er al (veronderstellenderwijze) sprake zou zijn van een samengestelde prestatie, ligt het (gelet op de aard van de producten) voorts voor de hand dat het matras het hoofdproduct is waaraan een ondergeschikte levering (een beschermer) wordt toegevoegd. Dit vindt bevestiging in i) de (omschrijving op de) opdrachtbevestigingen: ‘[handelsnaam 1] traagschuimmatras [maten] inclusief [matrasbeschermer]’ (onder andere onderdelen 22, 23 en 28 in de aanvulling op het verkort vonnis), ii) de verklaringen van diverse kopers, inhoudende dat zij matrassen kochten en daar een hoes gratis bij kregen (onder andere onderdelen 24, 25 en 26 in de aanvulling op het verkort vonnis) en iii) het verschil tussen de inkoopwaarden van matras en matrasbeschermer (door de verdachte ter terechtzitting geschat op respectievelijk € 80 en € 40). Alsdan zou het algemeen tarief van toepassing zijn geweest op de totale prestatie.

aparte (gesplitste) facturering

De verdachte heeft er voor gekozen om (op één factuur) beide producten apart te factureren, maar daarbij voor het matras een verkoopprijs van nihil aan te houden en de gehele bedongen vergoeding toe te rekenen aan de matrasbescherming (onder toepassing van het verlaagd tarief). Zoals hiervóór overwogen doet dit geen recht aan de aard van de prestatie, zijnde levering van een matras onder gelijktijdige levering (al dan niet tegen vergoeding) van een matrasbeschermer. Deze onderverdeling van de totale met de klant overeengekomen prijs ligt ook niet in lijn met de (door de verdachte genoemde) inkoopwaarde van matras en beschermer. Het hof is van oordeel dat deze onderverdeling uitsluitend is ingegeven door fiscale motieven, zijnde het toerekenen van de vergoeding aan het onderdeel met het laagste omzetbelastingtarief. De verdachte heeft, desgevraagd, ter terechtzitting, geen andere (dan fiscale) aannemelijke verklaring kunnen geven voor deze toedeling.

proefslapen

Het verweer dat voorafgaand aan de levering van matras en matrasbeschermer sprake was van ‘proefslapen’ en dat het de verdachte vrijstond om het aanbod aan de klant in te richten zoals hij wilde, leidt niet tot een ander oordeel. Dit ‘proefslapen’ vormt geen rechtvaardiging voor het in strijd met de realiteit opstellen van facturen, zoals door [bedrijf] is gedaan. Voor het overige verwijst het hof naar de uitspraak van Hof A-L, overwegingen 4.3 en 4.4.

pleitbaar standpunt

De verdediging bepleit dat sprake is van een pleitbaar standpunt. Alsdan was er geen sprake van een aanmerkelijke kans dat te weinig belasting zou worden geheven, hetgeen moet leiden tot vrijspraak.

Van een pleitbaar standpunt is sprake indien aan de aangifte een standpunt ten grondslag ligt dat gebaseerd kan worden op een pleitbare uitleg van het (fiscale) recht, in die zin dat de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte – naar objectieve maatstaven gemeten – redelijkerwijs kon en mocht menen dat deze uitleg en daarmee de door hem gedane aangifte juist was (HR 21 april 2017).

Het hof is van oordeel dat van een zodanig standpunt geen sprake is. Zoals hiervoor overwogen, geldt voor de door [bedrijf] geleverde matrassen het algemeen tarief en is, waar het de gelijktijdige levering van matras en hoes betreft, geen sprake van een samengestelde prestatie op grond waarvan het matras het lage BTW-tarief van de hoes volgt. Het andersluidende standpunt van de verdachte is naar het oordeel van het hof geen (objectief gezien) pleitbaar standpunt. [bedrijf] is, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, door de belastingrechter (volledig) in het ongelijk gesteld. De verdachte heeft ook niet aannemelijk kunnen maken (bijvoorbeeld onder verwijzing naar andersluidende jurisprudentie dan wel uitlatingen in de vakliteratuur) dat zijn standpunt door (fiscale) deskundigen wordt gedeeld. De verwijzing naar [boekhouder] van [kantoor 2] [plaats 2] is daartoe onvoldoende, nu ter terechtzitting duidelijk is geworden dat [boekhouder] geen fiscalist is en de (blote) stelling dat het kantoor [kantoor 3] over voldoende fiscale expertise beschikt, niet nader is onderbouwd. Hetzelfde geldt voor de verwijzing naar kantoor [kantoor 1]. Veeleer moet er van worden uitgegaan dat deze personen de verdachte alleen maar zijn gevolgd in zijn eerder ingenomen stelling waarin hij ter terechtzitting van het hof nog volhardt. Alsdan ontbreekt de onderbouwing voor de stelling dat de verdachte redelijkerwijs kon en mocht menen dat deze wijze van facturering en de op basis daarvan gedane aangifte juist was, zodat er geen sprake is van een (objectief gezien) pleitbaar standpunt.

onjuiste belastingaangiften

[bedrijf] heeft onjuiste aangiften omzetbelasting gedaan door voor de leveringen van matrassen het verlaagd tarief in rekening te brengen terwijl dat tegen het algemeen tarief had moeten gebeuren en de verdachte heeft daaraan feitelijk leiding gegeven. Hij heeft dat met opzet gedaan, zonder daarover de Belastingdienst te informeren, terwijl hij eerder nog de Belastingdienst had gevraagd om een korte overgangstermijn voor de toepassing van het algemeen tarief.

Feit 2: valse facturen

Het hof is van oordeel dat de door [bedrijf] opgestelde facturen op een volstrekt gekunstelde wijze tot stand zijn gekomen, waarbij geen recht wordt gedaan aan de werkelijke verhoudingen, waaronder de verwachtingen bij de klanten van [bedrijf]. Op de facturen zijn in strijd met de waarheid onjuiste bedragen vermeld, met als enig doel om deze valse facturen te hanteren als onderbouwing van bovengenoemde onjuiste belastingaangiften. Het verweer van de verdediging dat het opzet bij de verdachte ontbreekt, faalt nu de verdachte bedoelde onjuiste bedragen willens en wetens heeft laten vermelden door [bedrijf].

Het verweer onder verwijzing naar afspraken over proefslapen faalt reeds daarom, nu de facturen zijn uitgereikt ter zake van de levering van matrassen en (gelijktijdige) levering van matrasbeschermers. Dat de koop niet tot stand zou komen bij de bestelling (op een website) maar na ommekomst van een termijn voor proefslapen (zo daar al sprake van is), doet niet af aan de valsheid van de op de facturen vermelde bedragen.

De verwijzing naar de omstandigheid dat de aangiften omzetbelasting niet vals zijn omdat ze aansluiten bij de op de facturen vermelde BTW-bedragen berust op een misvatting. Door de gekunstelde wijze waarop de facturen zijn opgesteld is, mede gelet op het bepaalde in tabel 1, post a.37, bewust een te laag bedrag aan omzetbelasting in rekening gebracht op de facturen door [bedrijf]. De verdachte heeft hieraan feitelijk leiding gegeven.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:
[bedrijf] in de periode van 29 januari 2013 tot en met 20 oktober 2015 te Apeldoorn, telkens opzettelijk bij de Belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten elektronische aangiften voor de omzetbelasting over

het vierde kwartaal 2012 en

het eerste kwartaal 2013 en

het tweede kwartaal 2013 en

het derde kwartaal 2013 en

het vierde kwartaal 2013 en

het eerste kwartaal 2014 en

het tweede kwartaal 2014 en

het derde kwartaal 2014 en

het vierde kwartaal 2014 en

het eerste kwartaal 2015 en

het tweede kwartaal 2015 en

het derde kwartaal 2015

onjuist en/of onvolledig heeft gedaan of heeft laten doen, immers heeft [bedrijf] telkens opzettelijk op het bij de Belastingdienst te Apeldoorn elektronische ingediende aangiftebiljet omzetbelasting over genoemde kwartalen telkens een te la(a)g(e) omzet/belastbaar bedrag, althans (telkens) een te laag bedrag aan verschuldigde omzetbelasting opgegeven, terwijl dat feit telkens er toe strekte dat te weinig belasting werd geheven, aan welke vorenomschreven verboden gedraging verdachte telkens feitelijk leiding heeft gegeven;


ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:
[bedrijf] (optredend onder de handelsnaam [handelsnaam 1], [handelsnaam 2] of [handelsnaam 3]) in de periode van 19 september 2012 tot en met 14 augustus 2015 in Nederland, zestien facturen van [bedrijf] (optredend onder de handelsnaam [handelsnaam 1], [handelsnaam 2] of [handelsnaam 3]), zijnde telkens een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, immers heeft [bedrijf] in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven- op die facturen telkens een prijs per stuk vermeld die niet ziet op de in die facturen genoemde artikelaanduidingen of die niet ziet op de volgens die facturen geleverde artikelen en op die facturen telkens een onjuist BTW bedrag vermeld, zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken, aan welke vorenomschreven verboden gedraging verdachte telkens feitelijk leiding heeft gegeven.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd voor de duur van twee jaren. Voorts heeft de rechtbank teruggave aan de verdachte gelast van de onder hem in beslag genomen en nog niet teruggegeven ordner met originele documenten.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte na bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden en de ontzetting van de uitoefening van het beroep van bestuurder van een rechtspersoon voor de duur van 81 maanden. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd tot teruggave aan de verdachte van de onder hem in beslag genomen en nog niet teruggegeven ordner met originele documenten.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft leiding gegeven aan zijn bedrijf dat zich heeft schuldig gemaakt aan belastingfraude en valsheid in geschrift. In totaal is de Staat voor ongeveer € 750.000 benadeeld, uitgaande van de naheffingsaanslagen. Dit nadeel zou verminderd kunnen worden door het (alsnog) toepassen van het verlaagd tarief op de onderdelen matrasbeschermers/hoezen, maar ook dan resteert een zeer hoog bedrag aan fiscaal nadeel. Door zijn handelen heeft de verdachte het vertrouwen dat aan de inhoud van belastingaangiftes mag worden ontleend, geschaad. De strafbaarstelling van belastingfraude beschermt bovendien niet alleen de gemeenschapsbelangen die door belastingheffing worden gediend, maar ook de belangen van eerlijke belastingbetalers. Belastingfraude kan immers leiden tot verdere verzwaring van de belastingdruk voor alle Nederlanders. De handelingen van de verdachte dragen bovendien bij aan het ondermijnen van de belastingmoraal. Het onbestraft laten van belastingfraudeurs kan ertoe leiden dat ook het normbesef vervaagt onder belastingplichtigen die wel aan hun verplichtingen voldoen.

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof rekening gehouden met de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd.

De handelwijze van de verdachte wordt gekenmerkt door een hardnekkige en principiële houding van de verdachte die niet wil accepteren dat het verlaagd tarief voor de omzetbelasting voor een deel van zijn producten niet mag worden gehanteerd. Dit levert evident een recidiverisico op met daaruit voortvloeiende schade voor de maatschappij.

Gelet op de omvang van de fraude, de lange duur ervan en de volhardendheid van de verdachte is het hof, met de rechtbank, van oordeel, daarbij rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het feit dat hij thans in faillissementsbewaring verblijft, dat een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd voor de duur van 2 jaren, passend en geboden is. Oplegging van louter een voorwaardelijke gevangenisstraf, zoals door de raadsman bepleit, doet in het geheel geen recht aan de ernst van de feiten.

Het hof zal niet tevens de straf van ontzetting van de uitoefening van het beroep van bestuurder van een rechtspersoon aan de verdachte opleggen, zoals door de advocaat-generaal gevorderd, nu het daartoe geen termen aanwezig acht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 51, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: 1.00 STK Ordner, 1 ordner inhoudende originele documenten.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.P.M. van Rijn, mr. A.M. van Amsterdam en mr. H.M.J. Quaedvlieg, in tegenwoordigheid van mr. D. Zeiss, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

12 februari 2019.