Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:3540

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-10-2019
Datum publicatie
08-10-2019
Zaaknummer
200.258.262/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

ondertoezichtstelling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.258.262/ 01

zaaknummer rechtbank: C/13/659948 / JE RK 19-20

beschikking van de meervoudige kamer van 1 oktober 2019 inzake

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.M.P.M. Lousberg te Amsterdam,

en

Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Amsterdam,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de raad.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

- de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering (hierna: de GI);

- [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ).

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kinderrechter) van 22 januari 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De moeder is op 19 april 2019 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 22 januari 2019.

2.2

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een brief van de zijde van de raad van 18 juli 2019, ingekomen op 25 juli 2019;

- een e-mailbericht van de zijde van de moeder van 8 mei 2019;

- een journaalbericht van de zijde van de moeder van 30 juli 2019 met bijlagen, ingekomen op 31 juli 2019.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 12 augustus 2019 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- mevrouw M. Dik namens de raad;

- twee medewerkers namens de GI;

- [de vader] (hierna: de vader), als informant.

De advocaat van de moeder heeft ter zitting een pleitnotitie overgelegd.

3 De feiten

Uit de (inmiddels verbroken) relatie van de moeder en de vader is [de minderjarige] geboren [in] 2012. De moeder oefent alleen het gezag uit over [de minderjarige] .

De moeder heeft een oudere dochter uit een eerdere relatie, [kind A] (hierna: [kind A] ), geboren [in] 2005. Bij de - in zoverre niet - bestreden beschikking is [kind A] onder toezicht gesteld en is een machtiging tot haar uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 22 januari 2019.

De moeder heeft nog twee meerderjarige zoons.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, [de minderjarige] overeenkomstig het verzoek van de raad voor de duur van een jaar onder toezicht gesteld van de GI, met ingang van 22 januari 2019.

4.2

De moeder verzoekt - na verduidelijking bij e-mail van 8 mei 2019 -, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, primair het inleidend verzoek van de raad om [de minderjarige] onder toezicht te stellen af te wijzen en subsidiair te bepalen dat [de minderjarige] onder toezicht wordt gesteld voor de duur van zes maanden, althans voor een zodanige duur als het hof juist zal achten.

4.3

De raad verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.

5.2

De moeder betoogt dat in geval van [de minderjarige] niet aan de gronden van artikel 1:255 BW wordt voldaan. Zij wijst erop dat ten tijde van het raadsonderzoek naar de noodzaak van een ondertoezichtstelling een traject bij Families First liep waaraan de moeder meewerkte. Dat traject was gestart omdat [kind A] had gezegd dat de moeder haar zou hebben mishandeld, hetgeen de moeder weerspreekt. [kind A] woonde toen weliswaar al niet meer thuis, maar het onderzoek was nodig om zicht te krijgen op de thuissituatie van [de minderjarige] . Inmiddels is het traject van Families First afgerond en is een duidelijk voorstel voor hulpverlening gedaan. Nu de moeder ook daaraan zal meewerken, heeft de ondertoezichtstelling geen toegevoegde waarde en heeft de kinderrechter ten onrechte overwogen dat hulp in het vrijwillige kader niet van de grond is gekomen. De moeder heeft zelf hulp ingezet en de leerplichtambtenaar, het Adviesloket, het Samenwerkingsverband en de onderwijsinspectie ingeschakeld, leidend tot de plaatsing van [de minderjarige] op een andere school.

De moeder wijst er verder op dat Families First geen uitsluitsel heeft kunnen geven over het waarheidsgehalte van de uitlatingen van [kind A] en [de minderjarige] over mishandeling door de moeder. Er zijn zorgen over [kind A] , maar de moeder heeft haar noch [de minderjarige] mishandeld en voor zover [de minderjarige] iets dergelijks heeft gezegd, is die uitspraak weerlegd door het onderzoek van Families First.

De beslissing van de kinderrechter om [de minderjarige] onder toezicht te stellen, lijkt vooral te zijn ingegeven door de vrees dat onderzoek en hulpverlening niet van de grond zouden komen, maar dat kan geen grond zijn voor het opleggen van een beschermingsmaatregel, laat staan voor de duur van een jaar.

Ter zitting in hoger beroep heeft de moeder verklaard dat zij meewerkt aan alle hulp die haar wordt geboden (dus ook aan systeemtherapie) en dat zij bovendien zelf initiatieven ontplooit. Behalve het regelen van een IQ-test en een andere school voor [de minderjarige] , heeft zij geregeld dat hij, op advies van zijn nieuwe school, ergotherapie krijgt. De ondertoezichtstelling werkt eerder contraproductief, bijvoorbeeld omdat bij het maken van afspraken ook rekening moet worden gehouden met de agenda van de GI. De moeder heeft voorts de GI gevraagd het contact tussen [de minderjarige] en [kind A] voorzichtig op te bouwen, maar zij heeft daarover niets meer vernomen. Evenmin heeft zij van de GI iets vernomen over de omgang tussen [de minderjarige] en de vader. Zij heeft de GI gewezen op een beschikking uit 2014 waarin omgang bij het Omgangshuis is bepaald.

5.3

De raad stelt in zijn brief van 18 juli 2019, zoals aangevuld ter zitting in hoger beroep, dat de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] nog steeds noodzakelijk is. Na afsluiting van het traject bij Families First is geen hulpverlening gestart, hoewel dat wel was geadviseerd. Aangezien de moeder ontkent de kinderen te hebben mishandeld en dus in dat verband geen hulpvraag heeft, kon MST-CAN niet worden gestart. Ook hulpverlening van Altra is niet van de grond gekomen. Er is voorts nog steeds geen zicht op de opvoedingsomgeving bij de moeder thuis. De zorgen om zijn fysieke veiligheid zijn daarom nog groot. Zowel [kind A] als [de minderjarige] heeft uitlatingen gedaan over mishandeling. Families First heeft niet kunnen bevestigen dat daarvan geen sprake is (geweest). De raad heeft overwogen om ook een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] te verzoeken, maar wilde eerst meer zicht krijgen op de thuissituatie. Dat dat zicht er nog steeds niet is, is zorgelijk.

5.4

Door de GI is (nog) geen vaste gezinsmanager aangewezen nadat de vorige gezinsmanager gestopt is. Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de GI voornemens is de zaak over te dragen aan een andere gecertificeerde instelling. Voorts is toegelicht welke inspanningen de GI heeft verricht toen MST-CAN niet kon worden gestart. Zowel hulp van Altra als van Nika als van Intensieve Ambulante Gezinsbehandeling is niet van de grond gekomen door onder andere contra-indicaties en wachtlijsten. Vervolgens heeft de GI de gemeente benaderd, omdat aan een van de oudere (half)broers van [de minderjarige] een medewerker van het Preventief Interventie Team is toegewezen die mogelijk ook [de minderjarige] zou kunnen screenen. De moeder heeft weliswaar een intakegesprek gehad met de GGD over de oudere (half)broer van [de minderjarige] , maar heeft verder niet meegewerkt. Ook aan psychologisch onderzoek wil de moeder niet meewerken. Evenmin geeft zij de GI toestemming [de minderjarige] te spreken buiten haar aanwezigheid. De moeder is bereid hulpverlening voor [de minderjarige] te accepteren, naast alles wat zij zelf regelt, maar geen hulpverlening voor zichzelf.

[kind A] noch de andere kinderen van de moeder willen rechtstreeks contact met haar, maar [kind A] wil wel graag contact met [de minderjarige] . Zij heeft zelf contact gezocht met de GI om mogelijk te maken dat zij op haar verjaardag [de minderjarige] kon spreken, maar daaraan heeft de moeder niet meegewerkt.

De GI staat achter omgang tussen [de minderjarige] en de vader via het Omgangshuis, maar de prioriteit ligt momenteel bij zijn thuissituatie en het zicht daarop.

5.5

De vader heeft ter zitting in hoger beroep verklaard [de minderjarige] al jaren niet meer te hebben gezien. Eerder lieten zijn financiën begeleiding door het Omgangshuis niet toe, maar inmiddels kan hij het betalen en hoopt hij daar terecht te kunnen om [de minderjarige] weer te zien.

5.6

Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken blijkt dat [de minderjarige] ernstige gedragsproblemen laat zien, om welke reden zijn (vorige) school medio 2018 haar zorgen heeft geuit bij het Ouder- en Kindteam. Niet alleen school heeft zorgen over de (emotionele en fysieke) veiligheid van [de minderjarige] (gezien ook zijn uitlatingen dat hij door de moeder zou worden geslagen), maar ook de kerk en enkele familieleden hebben die zorgen geuit.

De moeder erkent dat [de minderjarige] gedragsproblemen laat zien. Uit het raadsrapport van 2 januari 2019 blijkt dat [de minderjarige] op zijn vorige school erg boos kon worden, onrustig en brutaal was en dat hij moeite had om zich te concentreren. Hij liet geregeld ongewenst en storend gedrag zien. Hij werd dan ook vaak de klas uitgestuurd, onder andere omdat hij agressie toonde jegens medeleerlingen en tegen leerkrachten, en uiteindelijk is hij geschorst en van school gewisseld. Uit het verslag van het voortgangsgesprek van 23 mei 2019 en het verslag van 12 juli 2019 blijkt dat de schoolwisseling goed is verlopen en dat de eerste weken van [de minderjarige] boven verwachting zijn verlopen. [de minderjarige] vertoont overwegend goed gedrag, maar er vinden nog steeds incidenten plaats waarbij hij doorschiet in zijn boosheid.

Onduidelijk is waardoor de gedragsproblemen van [de minderjarige] worden veroorzaakt. Ten aanzien van de suggestie dat de oorzaak gelegen is in de opvoedsituatie, heeft de moeder erop gewezen dat Families First zicht heeft gekregen op haar thuissituatie. De crisiswerkers kwamen een paar keer week gedurende 3,5 uur bij haar thuis en uit hun onderzoek is niet gebleken dat de moeder [de minderjarige] heeft mishandeld. Inderdaad blijkt uit het vervolgplan/eindverslag van Families First van 7 februari 2019 dat [de minderjarige] niet heeft gezegd te worden geslagen door de moeder, maar de crisiswerker heeft naar aanleiding van de vier weken durende begeleiding hierover geen uitsluitsel kunnen geven zodat evenmin kan worden gesteld dat gebleken is dat de moeder [de minderjarige] niet heeft mishandeld. Verder blijkt uit het verslag dat ook de crisiswerker de gedragsproblemen van [de minderjarige] heeft geconstateerd en dat zij meerdere keren tegen de moeder gezegd dat er nog te weinig zicht is op de beschikbaarheid van de moeder voor [de minderjarige] in emotioneel opzicht.

Met de kinderrechter acht het hof noodzakelijk dat verder onderzocht wordt waar de oorzaak ligt van de gedragsproblemen van [de minderjarige] . Weliswaar lijkt zijn schoolwisseling een positieve uitwerking te hebben (gehad) op het gedrag van [de minderjarige] , maar zijn gedragsproblemen waren dermate ernstig, en zijn nog steeds aanwezig, dat niet alleen moet worden gewerkt aan het wegnemen ervan, maar dat ook moet worden gezocht naar de oorzaak ervan. Dit geldt te meer nu [de minderjarige] (evenals zijn zus) zorgelijke uitspraken heeft gedaan over agressie van de moeder. Aan een psychologisch onderzoek heeft de moeder tot nog toe niet meegewerkt. Wel heeft zij ervoor gezorgd dat bij [de minderjarige] een IQ-test is afgenomen en zij heeft in samenwerking met onder andere de leerplichtambtenaar en het Adviesloket geregeld dat [de minderjarige] naar een andere basisschool kon, maar deze door haar ontplooide initiatieven, alsmede haar medewerking aan een deel van de aan haar geboden hulpverlening, maken niet dat kan worden geconcludeerd dat hulp in het vrijwillige kader volstaat. Uit het verhandelde ter zitting blijkt naar het oordeel van het hof genoegzaam dat de moeder slechts tot op bepaalde hoogte meewerkt en dat, ondanks de inzet van Families First, nog onvoldoende zicht is gekomen op de thuissituatie van [de minderjarige] . Gelet op de hiervoor genoemde gedragsproblemen, alsmede de signalen die zowel hij als [kind A] geeft over de thuissituatie bij de moeder, is van belang dat [de minderjarige] wordt gesproken zonder dat de moeder daarbij is en dat vervolghulp wordt ingezet, zoals geadviseerd door Families First. Dat dat nog niet is gebeurd, is niet alleen te wijten aan de GI.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het hof van oordeel dat sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging, vooral gelegen in de gedragsproblemen van [de minderjarige] , en dat de zorg die noodzakelijk is in verband met het wegnemen van die bedreiging onvoldoende wordt geaccepteerd door de moeder, onder andere omdat zij te weinig zicht heeft gegeven op haar thuissituatie. Aan de gronden van artikel 1:255 BW wordt derhalve voldaan. Naar verwachting heeft de GI de resterende duur van de ondertoezichtstelling (tot 22 januari 2020) nog ten minste nodig om zicht te krijgen en passende hulpverlening in te zetten, zodat het hof het verzoek van de moeder om de maatregel in duur te beperken zal afwijzen.

5.7

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

wijst af het meer of anders verzochte;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Amsterdam, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het openbaar register.

Deze beschikking is gegeven door mr. G.W. Brands-Bottema, mr. A.N. van de Beek en mr. J.A. van Keulen, in tegenwoordigheid van mr. F.J.E. van Geijn als griffier en is op 1 oktober 2019 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.