Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:349

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-02-2019
Datum publicatie
12-02-2019
Zaaknummer
200.223.841/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Moord op Marianne Vaatstra. Publicaties op internet in verband met theorie dat een ander dan degene die daarvoor is veroordeeld, de moord heeft gepleegd. Herhaalde benaderingen van de moeder van Marianne door de auteur. Gebruik van fragmenten uit dagboek van de moeder en van niet werkelijk door haar gedane uitspraken. Onrechtmatige daad. Hof oordeelt gedrag van auteur ‘kwetsend, schrijnend, leed toevoegend en getuigend van een stuitend gebrek aan respect’. Contact- en publicatieverbod. Art. 162 BW, artt. 114 en 161 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-0175
NJF 2019/219
JA 2019/83
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.223.841/01

zaaknummer rechtbank (Noord-Holland) : C/15/259998 / KG ZA 17-442

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 12 februari 2019

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats 1] , gemeente [gemeente 1] ,

appellant,

advocaat: mr. T.J. Stapel te Haarlem,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonend te [woonplaats 2] , gemeente [gemeente 2] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. Y. Moszkowicz te Utrecht.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 1 september 2017 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, hierna ‘de voorzieningenrechter’, van 7 augustus 2017, voor zover onder bovenvermeld zaaknummer in kort geding gewezen tussen hem als gedaagde in conventie, tevens eiser in reconventie, en [geïntimeerde] als eiseres in conventie, tevens verweerster in reconventie.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, met een productie.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 11 april 2018 doen bepleiten, tezamen en gelijktijdig met de pleidooien in het hoger beroep in de – hun genoegzaam bekende – zaak met nummer 200.226.457/01, waarin zij eveneens partij zijn.

Namens [appellant] is de zaak bepleit door hemzelf in persoon alsmede door zijn in de aanhef van dit arrest genoemde advocaat, waarbij eerstgenoemde zich heeft bediend van spreekaantekeningen die zijn overgelegd. [geïntimeerde] heeft de zaak doen bepleiten door haar in de aanhef van dit arrest genoemde advocaat alsmede door mr. M.J. Hoogendoorn, advocaat te Utrecht, die zich hebben bediend van een gezamenlijke pleitnota die is overgelegd. Bij gelegenheid van de pleidooien zijn van de zijde van [geïntimeerde] verdere producties in het geding gebracht.

[appellant] heeft geconcludeerd, kort gezegd, dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en de vorderingen van [geïntimeerde] – in conventie – alsnog zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd, kort gezegd en naar het hof begrijpt, dat het hof het hoger beroep zal verwerpen en het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Feiten

De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2, 2.1 tot en met 2.26, de feiten genoemd die hij tot uitgangspunt heeft genomen. De juistheid van die feiten is in hoger beroep niet bestreden, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan, met dien verstande dat het mede acht zal slaan op enkele andere, hierna te noemen, feiten die tussen partijen niet in geschil zijn.

3 Beoordeling

3.1.

Kern van de zaak is de vraag of op [appellant] rechtsplichten rusten om (i) geen contact te zoeken met [geïntimeerde] , (ii) zich te onthouden van bepaalde uitlatingen die door [geïntimeerde] als onwenselijk worden ervaren en om (iii) enige hieronder te noemen publicaties op de door hem onderhouden website [website] en op zijn Facebookpagina te verwijderen, daarvan verwijderd te houden en te rectificeren. Aanleiding tot deze vraag zijn, verkort weergegeven, de volgende feiten.

3.2.

[geïntimeerde] is de moeder van Marianne Vaatstra, hierna ‘Marianne’, die op 1 mei 1999 is vermoord. Na verloop van meer dan 12 jaar en nadat een zogeheten DNA-match was vastgesteld tussen hem en op het lichaam van Marianne aangetroffen sporen, heeft [X] bekend die moord te hebben gepleegd. Hij is voor de moord op en de verkrachting van Marianne bij onherroepelijk geworden vonnis van 19 april 2013 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 jaar. [appellant] heeft zich, als privépersoon, ingespannen om bij te dragen aan het oplossen van de moord op Marianne. Hij houdt er een theorie op na volgens welke in werkelijkheid niet [X] deze heeft gepleegd, maar een asielzoeker die na de moord uit Nederland is vertrokken met hulp van derden. Ook na de veroordeling van eerstgenoemde heeft [appellant] in die theorie volhard. Hij draagt deze uit, onder meer, op zijn hierboven genoemde website en op zijn openbare Facebookpagina.

3.3.

Vóór de aanhouding van [X] hebben [appellant] en [geïntimeerde] contacten met elkaar onderhouden in verband met de moord op Marianne. Van een vriendin van [geïntimeerde] , [Y] , heeft [appellant] een kopie ontvangen van het dagboek dat [geïntimeerde] tussen mei 1999 en april 2013 heeft bijgehouden. Het plan van [appellant] om dit dagboek of delen daaruit te publiceren, als originele tekst of in een door hem bewerkte vorm als hoofdstuk van een ander boek, heeft geleid tot verschillende rechtszaken tussen partijen, waarin hem dat op vordering van [geïntimeerde] is verboden, op straffe van verbeurte van een dwangsom. Een zodanig verbod is, op grond van het [geïntimeerde] toekomende auteursrecht en het ontbreken van toestemming harerzijds voor publicatie, uitgesproken bij vonnis van 18 december 2013 van de voorzieningenrechter in kort geding en bij vonnis van 24 augustus 2016 van de rechtbank Noord-Holland in een bodemprocedure. Tegen beide vonnissen is bij dit hof hoger beroep ingesteld. Het hof heeft bij arresten van respectievelijk 17 maart 2015 en 5 juni 2018 het publicatieverbod gehandhaafd.

3.4.

Op 7 mei 2017, 28 juni 2017 en 29 juni 2017 heeft [appellant] op zijn website [website] achtereenvolgens artikelen geplaatst onder de titels ‘ [titel 1] ’, ‘ [titel 2] ’ en ‘ [titel 3] )’. Deze, door hemzelf geschreven artikelen zijn aangehaald in het bestreden vonnis onder 2.20, 2.21 en 2.22, waarnaar hier wordt verwezen. Het artikel ‘ [titel 1] ’ bevat, onder meer, een tekstfragment afkomstig uit het dagboek van [geïntimeerde] . Ook de beide artikelen ‘ [titel 2] ’ bevatten dergelijke tekstfragmenten. De beide artikelen ‘ [titel 2] ’ zijn voorts gepubliceerd op de Facebookpagina van [appellant] en zijn gesteld in de eerste persoon enkelvoud, zoals gebruikelijk zou zijn als zij door [geïntimeerde] zouden zijn geschreven. Alle artikelen hebben voor een aanzienlijk deel betrekking op vermeende feiten met betrekking tot de moord op Marianne die passen bij de theorie van [appellant] dat die moord is gepleegd door een ander dan [X] en dat de werkelijke dader Nederland met hulp van derden heeft verlaten. De beide artikelen ‘ [titel 2] ’ doen het bovendien voorkomen alsof de auteur daarvan zich ter zake achter [appellant] schaart, zich enkel onder druk van haar familie afzijdig houdt en zich ervoor verontschuldigt dat zij haar vroegere ‘strijdmakker’ [appellant] heeft laten vallen. Op 6 juli 2017 zijn de genoemde artikelen van de website van [appellant] verwijderd.

3.5.

[appellant] heeft bij herhaling e-mails aan [geïntimeerde] gestuurd waarin hij zich uitlaat over de moord op Marianne overeenkomstig zijn theorie daarover en waarin hij tracht [geïntimeerde] voor die theorie te winnen. Bij e-mails van 10 juli 2015 en 8 november 2016 van haar in de aanhef van dit arrest genoemde advocaat, gericht aan de advocaat van [appellant] , heeft [geïntimeerde] [appellant] gesommeerd op te houden contact met haar te zoeken, respectievelijk haar lastig te vallen. Bij die e-mails is ook een rechtsvordering tot oplegging van een contactverbod aangekondigd als [appellant] zich daaraan niet zou houden. Bij latere e-mails van 22 april 2017, 11 mei 2017, 14 mei 2017, 17 mei 2017, 19 mei 2017 en 22 mei 2017 die, onder anderen, zowel aan haar advocaat als aan [geïntimeerde] zelf zijn gestuurd, heeft [appellant] [geïntimeerde] opnieuw geconfronteerd met zijn eerder genoemde theorie. De e-mails van 22 april 2017 en 11 mei 2017, die zijn aangehaald in het bestreden vonnis onder 2.16 en 2.17, waarnaar hier wordt verwezen, bevatten bovendien verwijten aan haar adres voor het geval zij die theorie niet zou willen steunen.

3.6.

Tegen de achtergrond van het bovenstaande stelt [geïntimeerde] zich op het standpunt dat [appellant] tegenover haar onrechtmatig handelt door, in weerwil van de hierboven genoemde sommaties, contact met haar te blijven zoeken, door het publiceren op zijn website en Facebookpagina van de artikelen ‘ [titel 1] ’, ‘ [titel 2] ’ en ‘ [titel 3] ’, met daarin fragmenten uit het dagboek van [geïntimeerde] , en door zich op zijn website en zijn Facebookpagina uit te laten in de onder 3.4 omschreven zin. Ter beëindiging van het gestelde onrechtmatige handelen heeft [geïntimeerde] in eerste aanleg – in conventie – voorlopige voorzieningen gevorderd strekkend tot oplegging van een contactverbod aan [appellant] , blijvende verwijdering van de genoemde artikelen van zijn website en zijn Facebookpagina, plaatsing van rectificaties van de artikelen ‘ [titel 2] ’ en ‘ [titel 3] ’ op zijn website, een verbod aan [appellant] op het doen van uitingen dat [geïntimeerde] door haar familie wordt gechanteerd en een gebod aan [appellant] om bij gebruik van niet authentiek van [geïntimeerde] of van Marianne afkomstige woorden in uitingen zijnerzijds, te vermelden dat het woorden van hemzelf betreft, alles op straffe van verbeurte van een dwangsom.

3.7.

Op grond van het onder 3.3 genoemde vonnis van 24 augustus 2016 van de rechtbank Noord-Holland heeft [geïntimeerde] ten laste van [appellant] executoriaal beslag doen leggen op een hem toebehorende bankrekening tot een bedrag van € 59.000,- wegens, volgens [geïntimeerde] , door [appellant] verbeurde dwangsommen, zoals bij dat vonnis opgelegd. [appellant] heeft in eerste aanleg – in reconventie – de veroordeling van [geïntimeerde] gevorderd tot opheffing van het gelegde beslag, in zijn geheel dan wel voor zover dat beslag een bedrag van € 29.500,- overtreft.

3.8.

Bij het bestreden vonnis zijn de door [geïntimeerde] gevorderde, onder 3.6 omschreven voorzieningen verleend, zoals in het dictum van dat vonnis bepaald. De hiertoe aan [appellant] opgelegde ge- en verboden zijn versterkt met een dwangsom van € 20.000,- per dag voor iedere overtreding daarvan, tot een maximum van € 500.000,-. De vordering van [appellant] is toegewezen voor zover het ten laste van hem gelegde beslag een bedrag van € 29.500,- te boven gaat. In hoger beroep komt [appellant] met negen grieven op tegen de bij het bestreden vonnis gegeven beslissingen en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Naar blijkt uit het petitum dat is vermeld op de laatste bladzijde van de memorie van grieven vordert [appellant] in hoger beroep niet een verdergaande toewijzing van zijn hierboven weergegeven – reconventionele – vordering dan bij het bestreden vonnis is beslist, terwijl uit de stellingen in die memorie evenmin blijkt dat hij in hoger beroep een verdergaande toewijzing van zijn vordering wil bewerkstelligen. De omvang van het hoger beroep is aldus beperkt tot hetgeen bij het bestreden vonnis omtrent de door [geïntimeerde] – in conventie – gevorderde voorzieningen is overwogen en beslist.

3.9.

Ook in hoger beroep gaat het erom of grond bestaat voor het verlenen van voorlopige voorzieningen, zoals door [geïntimeerde] gevorderd. Bij de beoordeling van de grieven moet het hof zich daarom richten naar de waarschijnlijke uitkomst van een eventuele bodemprocedure over de kwesties die partijen verdeeld houden, zonder dat ruimte aanwezig is voor nader onderzoek met betrekking tot de feiten en omstandigheden die partijen in het huidige kort geding naar voren hebben gebracht. Dit leidt tot de volgende beoordeling.

3.10.

Met grief 1 klaagt [appellant] over beslissingen van de voorzieningenrechter met betrekking tot de procesgang in eerste aanleg, in het bijzonder over de beslissingen om de terechtzitting waarop het kort geding in eerste aanleg is behandeld, niet uit te stellen tot een latere datum dan de voor dat doel bepaalde datum waarop die zitting heeft plaatsgehad, te weten 24 juli 2017. Hij voert daartoe aan, verkort weergegeven, dat hem gelet op de omvang en de inhoud van de dagvaarding van [geïntimeerde] , het tijdstip waarop deze aan hem is uitgebracht en de daarbij ingestelde vorderingen, te weinig tijd is gegund voor een behoorlijke voorbereiding van de desbetreffende zitting. [appellant] gaat er allereerst aan voorbij dat de aangevallen beslissingen zogeheten rolbeschikkingen inhouden, die zijn gegeven in het kader van de instructie van de zaak. Tegen zulke beschikkingen staat in beginsel geen hoger beroep open, ook niet als onderdeel van een hoger beroep dat is ingesteld tegen een vonnis dat later in hetzelfde geding is gewezen. [appellant] gaat er voorts aan voorbij dat de dagvaarding in eerste aanleg aan hem is uitgebracht met inachtneming van de in artikel 114 Rv bepaalde dagvaardingstermijn van ten minste een week, die de voorzieningenrechter niet heeft verkort, zoals op grond van het bepaalde in artikel 254, tweede lid, Rv mogelijk was geweest. Tussen de datum waarop de dagvaarding is uitgebracht, te weten 14 juli 2017, en de datum van de terechtzitting in eerste aanleg hebben tien dagen gelegen. Deze tijdsspanne volstond niet alleen gelet op de in artikel 114 Rv bepaalde termijn, zij volstond eveneens als wordt gelet op de voldoende gelegenheid die [appellant] diende te hebben voor een deugdelijke voorbereiding van de zitting en zijn verweer in verband met de naleving van het beginsel van hoor en wederhoor, ook als acht wordt geslagen op de omvang en de inhoud van de dagvaarding en de daarbij overgelegde stukken. Om al deze redenen faalt de grief.

3.11.

Met de grieven 2 tot en met 7 en 9 bestrijdt [appellant] de toewijsbaarheid van de bij het bestreden vonnis verleende voorzieningen met betrekking tot het zoeken van contact met [geïntimeerde] door hem, de blijvende verwijdering van de artikelen ‘ [titel 1] ’, ‘ [titel 2] ’ en ‘ [titel 3] ’ van zijn website en zijn Facebookpagina, de plaatsing van rectificaties, het doen van uitingen dat [geïntimeerde] door haar familie wordt gechanteerd en het gebruik van niet authentiek van [geïntimeerde] of van Marianne afkomstige woorden in uitingen zijnerzijds. Hij bestrijdt voorts de versterking van de gegeven voorzieningen met een dwangsom tot een bedrag van € 20.000,- per dag voor iedere overtreding, tot een maximum van € 500.000,-, zoals in het dictum van het bestreden vonnis bepaald. De grieven lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

3.12.

Voor toewijzing van de hierboven bedoelde voorzieningen is noodzakelijk, maar ook voldoende, dat op [appellant] rechtsplichten als onder 3.1 omschreven rusten en dat aannemelijk is dat hij deze heeft geschonden. In dat geval moet worden aangenomen dat hij tegenover [geïntimeerde] , door schending van die rechtsplichten, onrechtmatig heeft gehandeld, zoals door haar gesteld. Gelet op het hem toekomende, grondwettelijk en verdragsrechtelijk verankerde recht op vrijheid van meningsuiting staat het [appellant] in beginsel vrij zijn onder 3.2 genoemde theorie over de moord op Marianne te koesteren en deze uit te dragen. Die vrijheid is echter niet onbeperkt. Zij wordt begrensd, onder meer, door de [geïntimeerde] toekomende rechten op eerbiediging van haar persoonlijke levenssfeer en op bescherming van haar eer en goede naam. De vrijheid van [appellant] wordt verder begrensd door het auteursrecht van [geïntimeerde] op haar onder 3.3 genoemde dagboek, welk auteursrecht de rechtbank Noord-Holland bij vonnis van 24 augustus 2016 in een bodemprocedure – evenals het hof bij arrest van 5 juni 2018 in hoger beroep – aanwezig heeft geoordeeld en waaruit volgt dat het [appellant] niet vrijstaat daaruit naar eigen goeddunken te putten bij zijn meningsuitingen. Op grond van het bepaalde in artikel 6:162 BW is [appellant] verplicht zich te onthouden van uitlatingen en andere handelingen die op de genoemde rechten van [geïntimeerde] inbreuk maken. Hiervan uitgaande oordeelt het hof als volgt.

3.13.

Door twee e-mails van 10 juli 2015 en 8 november 2016 van haar advocaat, gericht aan de advocaat van [appellant] , heeft [geïntimeerde] [appellant] gesommeerd op te houden contact met haar te zoeken, respectievelijk haar lastig te vallen. Zij heeft [appellant] hierdoor ondubbelzinnig duidelijk gemaakt niet meer te willen worden geconfronteerd met hem en zijn eerder genoemde theorie. In dit kort geding is op geen enkele wijze aannemelijk geworden dat [geïntimeerde] in werkelijkheid iets anders wilde, zodat [appellant] ervan uit heeft moeten gaan dat [geïntimeerde] van verder contact met hem verschoond wenste te blijven. [appellant] heeft haar desondanks opnieuw benaderd bij zijn onder 3.5 genoemde e-mails van 22 april 2017, 11 mei 2017, 14 mei 2017, 17 mei 2017, 19 mei 2017 en 22 mei 2017. In aanmerking genomen [geïntimeerde] ’s recht op eerbiediging van haar persoonlijke levenssfeer stond en staat hem dit niet vrij en heeft hij, door zijn verschillende e-mails aan haar, op dat recht inbreuk gemaakt.

3.14.

Voorts heeft [appellant] in zijn onder 3.4 genoemde artikelen tekstfragmenten opgenomen afkomstig uit het dagboek van [geïntimeerde] , ten aanzien waarvan haar het auteursrecht toekomt. Bij bovengenoemd bodemvonnis van 24 augustus 2016 heeft de rechtbank Noord-Holland geoordeeld dat [geïntimeerde] [appellant] geen toestemming heeft gegeven voor het gebruik van delen van haar dagboek en voor publicatie daarvan. Daarop wijst ook het – tussen partijen vaststaande – feit dat [geïntimeerde] op enig moment aan [appellant] heeft gezegd: ‘Doe alsjeblieft niets met mijn dagboek want dat zou mijn doodsteek zijn.’ In dit kort geding is niet aannemelijk geworden dat zij die toestemming wel heeft gegeven voor het gebruik van de tekstfragmenten in de onder 3.4 genoemde artikelen, terwijl in het genoemde bodemvonnis ook is geoordeeld dat [appellant] niet gerechtigd is om uit het dagboek van [geïntimeerde] te citeren. Het stond en staat [appellant] daarom niet vrij tekstfragmenten uit dat dagboek op te nemen in artikelen van hemzelf. Door dit wel te doen heeft hij inbreuk gemaakt op [geïntimeerde] ’s auteursrecht.

3.15.

Door zich in de artikelen ‘ [titel 2] ’ en ‘ [titel 3] ’ voor te doen als [geïntimeerde] en haar daarin niet-authentieke uitspraken in de mond te leggen passend bij zijn theorie over de moord op Marianne, die onverenigbaar zijn met de bekentenis en de veroordeling van [X] ter zake en die niet door feiten worden gedragen, heeft [appellant] bovendien inbreuk gemaakt op het recht van [geïntimeerde] op bescherming van haar eer en goede naam. Op dat recht heeft hij eveneens inbreuk gemaakt door het te doen voorkomen alsof [geïntimeerde] enkel onder druk van haar familie van hem en zijn theorie afstand neemt.

3.16.

Uit het bovenstaande volgt dat [appellant] rechtsplichten heeft geschonden door contact met [geïntimeerde] te blijven zoeken bij zijn onder 3.5 genoemde e-mails, het publiceren van de onder 3.4 genoemde artikelen op zijn website en Facebookpagina en door het doen van de hierboven omschreven uitingen. Hierdoor heeft hij onrechtmatig tegenover [geïntimeerde] gehandeld. De onrechtmatigheid van het aan [appellant] verweten handelen is eens temeer aanwezig als bij de beoordeling van dat handelen, naast [geïntimeerde] ’s onder 3.12 genoemde rechten, wordt betrokken hetgeen [appellant] volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. In aanmerking genomen het leed dat [geïntimeerde] is overkomen door de moord op Marianne, haar dochter, en de onzekerheid over de dader daarvan, in welke onzekerheid zij meer dan 12 jaar heeft verkeerd, zijn de herhaalde ongewenste benaderingen van [geïntimeerde] door [appellant] , het zonder toestemming gebruiken van tekstfragmenten uit het dagboek van [geïntimeerde] in publicaties in verband met zijn theorie over de moord op Marianne en het gebruik van een ‘stijlfiguur’ waarin [geïntimeerde] ongevraagd woorden in de mond worden gelegd ter bevestiging daarvan en die het doen voorkomen alsof zij onder de druk van haar familie is bezweken, naar het oordeel van het hof kwetsend, schrijnend, leed toevoegend en getuigend van een stuitend gebrek aan respect bij [appellant] voor de persoon en de gevoelens van [geïntimeerde] . Dit, nog gevoegd bij de omstandigheid dat aan het onder 3.2 genoemde vonnis van 19 april 2013 waarbij bewezen is verklaard dat [X] de moord op Marianne heeft begaan, krachtens artikel 161 Rv dwingend bewijs van dat feit toekomt, terwijl de andersluidende theorie van [appellant] in dit geding niet aannemelijk is geworden of afdoende door feiten is ondersteund, maakt de gedragingen van [appellant] tegenover [geïntimeerde] in hoge mate onbetamelijk en daarmee onrechtmatig.

3.17.

De bij het bestreden vonnis gegeven voorzieningen, ook waar het betreft de geboden rectificaties en de versterking van de voorzieningen met een dwangsom tot de door de voorzieningenrechter bepaalde bedragen, waarover [appellant] klaagt, zijn zowel opportuun als proportioneel gelet op het onrechtmatige handelen van [appellant] en het recht en belang van [geïntimeerde] om dit te doen eindigen. Het voorgaande brengt mee dat alle onder 3.11 genoemde grieven falen.

3.18.

De slotsom uit het bovenstaande is dat de grieven geen van alle slagen. Dit geldt ook voor de niet eerder genoemde grief 8, die klaagt over een overweging van de voorzieningenrechter met betrekking tot de – reconventionele – vordering van [appellant] zelf en die bij gebrek aan belang geen bespreking behoeft, aangezien het hoger beroep niet gericht is op een verdergaande toewijzing van die vordering dan in eerste aanleg bepaald. Het hoger beroep is dus tevergeefs ingesteld, zodat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd voor zover het aan het oordeel van het hof is onderworpen. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [appellant] worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 313,- aan verschotten en € 3.222,- voor salaris advocaat;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.F.M. Cortenraad, A.S. Arnold en F.J. Verbeek en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2019.