Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:3487

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-09-2019
Datum publicatie
09-12-2019
Zaaknummer
200.230.258/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verband met ECLI:NL:GHAMS:2017:4174 (waarbij in kort geding de executie van dwangsommen werd geschorst). Concurrentiebeding. Het is de werknemer verboden werkzaam te zijn bij een derde die in dezelfde branche zijn bedrijf uitoefent, te weten in de verkoop van groente, fruit en specerijen. De werknemer mocht wel werkzaam zijn in de slagerij. De omstandigheid dat de slagerij van de derde en de groente- en fruitwinkel van dezelfde derde zich naast elkaar bevinden, brengt niet mee dat het beding is geschonden. Anders dan de eerste rechter oordeelde, heeft de werknemer dus niet in strijd met het concurrentiebeding gehandeld. De opgelegde dwangsommen zijn niet verschuldigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-1330
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.230.258/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/620663/HA ZA 16-1271

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 17 september 2019

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. G.P. Dayala te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde] , h.o.d.n. [B] Tropical,

wonende te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.A.F. Lucas te [woonplaats] .

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding met producties van 14 december 2017 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 20 september 2017, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord;

Vervolgens is arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vordering van [appellant] alsnog zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties, de nakosten daarbij inbegrepen.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep van [appellant] , met veroordeling van [appellant] in de kosten rechtens.

2. Feiten

2.1

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2 (2.1 tot en met 2.16) de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet wezenlijk in geschil, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan. Waar nodig aangevuld met hetgeen overigens als gesteld en niet voldoende gemotiveerd weersproken is komen vast te staan, gaat het om de volgende feiten.

2.2

[geïntimeerde] exploiteert sinds 2000 een onderneming onder de naam [B] Tropical en legt zich met name toe op de verkoop van Surinaamse groente, fruit en specerijen. De winkel van [geïntimeerde] is gevestigd in de ‘ [locatie X] ’ in het winkelcentrum van [locatie Y] . [locatie X] is een grote hal met blokken van winkels zonder voorpui met daartussen passages.

2.3

[appellant] is medio september 2003 bij [geïntimeerde] in dienst getreden als verkoper en inkoper. De laatst aangegane schriftelijke arbeidsovereenkomst is gedateerd op 1 augustus 2015 en bevat een concurrentiebeding. Dit beding luidt, voor zover hier van belang:

“De werknemer kan na opzegging van de arbeidsovereenkomst door werkgever als werknemer in een straal van 5 km. In dezelfde als soortgelijke branche elke vorm van functie aannemen en uitoefenen. Bij overschrijding van deze clausule zullen er juridische stappen in werking worden gesteld.

Bij overtreding van dit beding na het eindigen van de dienstbetrekking verbeurt de werknemer ten gunste van de werkgever een direct opeisbare boete groot tweeduizend en tweehonderd achtenzestig (euro 2.268,-) of maakt de werkgever gebruik van zijn rechten volledige schadeloosstelling te vorderen (…)”

Partijen zijn het erover eens dat in de eerste zin van deze bepaling het woordje “niet” ontbreekt.

2.4

Bij e-mail van 19 oktober 2015 heeft [appellant] de arbeidsovereenkomst opgezegd. [geïntimeerde] heeft de opzegging bevestigd en meegedeeld dat de overeenkomst per 30 november 2015 eindigt.

2.5

Nadien is [appellant] in dienst getreden bij de eenmanszaak van [A] in de functie van verkoper in zijn groentewinkel, die ook gelegen is in [locatie X] . [A] exploiteert in zijn eenmanszaak ook een Islamitische slagerij. Deze is direct naast de groentewinkel gelegen.

2.6

In kort geding bij de kantonrechter Amsterdam heeft [geïntimeerde] gevorderd dat het [appellant] wordt verboden om binnen een straal van vijf kilometer vanaf [locatie X] werkzaam te zijn bij een derde in dezelfde branche (verkoop van groente, fruit en specerijen). De kantonrechter heeft op 1 juni 2016 vonnis gewezen. In dit vonnis is – voor zover hier relevant – het volgende bepaald:

BESLISSING

De kantonrechter:

I. verbiedt [appellant] om tot 1 december 2016 binnen een straal van 5 kilometer van de “ [locatie X] ” aan het [adres] werkzaam te zijn bij een derde die in dezelfde branche zijn bedrijf uitoefent als [geïntimeerde] , te weten in de verkoop van groente, fruit en specerijen, en bepaalt dat [appellant] een dwangsom verbeurt van € 250,00 per (gedeelte van een) dag voor iedere dag dat [appellant] in strijd handelt met deze veroordeling met een maximum van € 25.000,00.”

2.7

Het vonnis is op 3 juni 2016 aan [appellant] betekend. Hij heeft tegen dit vonnis geen hoger beroep ingesteld.

2.8

Bij brief van 2 juni 2016 heeft [appellant] de arbeidsovereenkomst met [A] opgezegd. Op 13 juni 2016 is [appellant] opnieuw bij [A] in dienst getreden, nu als verkoper in diens slagerij.

2.9

De advocaat van [geïntimeerde] heeft de advocaat van [appellant] bij e-mail van 13 juni 2016 laten weten dat geconstateerd was dat [appellant] zijn werkzaamheden op het adres [adres] had hervat en dat [geïntimeerde] aanspraak maakt op de ten laste van [appellant] uitgesproken dwangsom. [geïntimeerde] heeft de gerechtsdeurwaarder vervolgens opdracht gegeven om het vonnis van 1 juni 2016 ten uitvoer te leggen. Daarop heeft de deurwaarder op 17 oktober 2016 de grosse van het vonnis nogmaals aan [appellant] betekend met bevel tot betaling van € 25.000,- aan verbeurde dwangsommen over de periode van 6 juni 2015 tot en met 15 september 2016. Op 2 december 2016 heeft [geïntimeerde] executoriaal derdenbeslag (loonbeslag) gelegd onder [A] op de grond dat de dwangsommen zijn verbeurd.

2.10

Op 13 december 2016 heeft [appellant] [geïntimeerde] in kort geding gedagvaard. Hij heeft schorsing van de executie van het vonnis van 1 juni 2016 gevorderd en de opheffing van het gelegde loonbeslag, een en ander op straffe van een dwangsom. De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 4 januari 2017 de vordering afgewezen en heeft daartoe overwogen dat de groentewinkel en de slagerij van [A] als één geheel moeten worden beschouwd omdat zij beide gedreven worden door [A] in de vorm van een eenmanszaak en omdat de winkelruimten in elkaar overlopen.

2.11

Eveneens op 13 december 2016 heeft [appellant] [geïntimeerde] gedagvaard in onderhavige procedure (de bodemprocedure).

2.12

Bij dagvaarding van 31 januari 2017 heeft [appellant] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de voorzieningenrechter van 4 januari 2017. Bij arrest van 10 oktober 2017 heeft het Gerechtshof Amsterdam dit beroep gegrond verklaard, het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd, de executie van de dwangsommen naar aanleiding van het vonnis van 1 juni 2016 geschorst totdat in een bodemprocedure anders zal zijn beslist en de opheffing gelast van het onder [A] gelegde executoriaal derdenbeslag.

2.12

Uit het arrest van het hof blijkt niet dat het ervan op de hoogte was dat de kantonrechter in onderhavige bodemprocedure bij vonnis van 20 september 2017 de vordering van [appellant] om voor recht te verklaren dat hij geen dwangsommen heeft verbeurd, had afgewezen.

3 Beoordeling

3.1

Bij dagvaarding van 13 december 2016 heeft [appellant] , kort samengevat en voor zover in hoger beroep nog van belang, een verklaring voor recht gevorderd dat hij niet de dwangsommen verschuldigd is die hem zijn opgelegd op grond van het vonnis van de kantonrechter d.d. 1 juni 2016 en veroordeling van [geïntimeerde] tot het betalen van een dwangsom van € 500,- per dag indien hij, in weerwil van het te wijzen vonnis, de executie van de dwangsom mocht voortzetten, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten, onverminderd de executie- en nakosten. Aan zijn vordering heeft [appellant] ten grondslag gelegd dat de stelling dat hij zich niet aan het verbod, zoals neergelegd in het vonnis van de kantonrechter van 1 juni 2016, heeft gehouden, onjuist en ongegrond is, omdat hij zijn werk alleen heeft verricht in de slagerij van [A] en niet in zijn groente-, specerijen- en fruitwinkel.

3.2

[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd tegen de vordering van [appellant] . Hij heeft aangevoerd dat [A] zowel de slagerij als de groente-, specerijen- en fruitwinkel exploiteert, dat beide winkels in elkaar overlopen en dat zij daarom als één geheel moeten worden beschouwd. [appellant] is daarom werkzaam geweest bij een derde die in dezelfde branche zijn bedrijf uitoefent als [geïntimeerde] , als bedoeld in het vonnis van 1 juni 2016.

3.3.

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis van 20 september 2017 geoordeeld dat een redelijke uitleg van het verbod, zoals opgenomen in het vonnis van 1 juni 2016, meebrengt dat ook het werken in de slagerij onder het verbod valt, omdat daarmee nog steeds sprake is van een arbeidsrelatie met een rechtstreekse concurrent. [A] exploiteert in de vorm van een eenmanszaak zowel de slagerij als de groentewinkel, terwijl de slagerij bovendien naast de groentewinkel is gelegen.

3.4

De kantonrechter heeft vervolgens de vordering van [appellant] afgewezen en heeft [appellant] veroordeeld in de proceskosten.

3.5

[appellant] heeft drie (ongenummerde) grieven aangevoerd tegen het vonnis van de kantonrechter. Grieven I en II hebben betrekking op de uitleg door de kantonrechter van het verbod dat is opgenomen in het vonnis in kort geding van 1 juni 2016. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

3.6

[appellant] betoogt in essentie dat het verbod in het vonnis van 1 juni 2016 ziet op het werken in dezelfde branche als waarin hij voorheen werkte, te weten een groente-, fruit- en specerijenwinkel, en dat daaronder niet valt het werken in een slagerij. Dat de werkgever ( [A] ) die de slagerij exploiteert, ook een winkel drijft die groente, fruit en specerijen verkoopt, maakt dit niet anders, aldus [appellant] . [geïntimeerde] heeft hiertegen ingebracht dat de groentewinkel en de slagerij van [A] als één geheel moeten worden beschouwd, omdat zij beide gedreven worden door [A] in de vorm van een eenmanszaak en omdat de winkelruimten in elkaar overlopen.

3.7

Het hof is van oordeel dat de uitleg door [appellant] van het verbod in het vonnis van 1 juni 2016 de juiste is. In het bewuste vonnis is het [appellant] verboden om binnen een straal van vijf kilometer werkzaam te zijn bij een derde die in dezelfde branche zijn bedrijf uitoefent als [geïntimeerde] , te weten in de verkoop van groente, fruit en specerijen. Daarmee ziet het verbod op werkzaamheden in een bedrijf dat zich daadwerkelijk bezig houdt met de verkoop van groente, fruit en specerijen. Het feit dat [A] naast een winkel in groente, fruit en specerijen nog een slagerij exploiteert, maakt dan ook niet dat [appellant] , door in deze slagerij te gaan werken, het verbod heeft overtreden of dat het verbod zich ook tot werkzaamheden in de slagerij is gaan uitstrekken. De omstandigheid dat de slagerij en de groente- en fruitwinkel van [A] zich in [locatie X] naast elkaar bevinden, brengt voorts niet mee dat deze beide winkels niet meer van elkaar onderscheiden kunnen worden.

3.8

Dat [appellant] na betekening van het vonnis van 1 juni 2016 nog in de groente-, fruit- en specerijenwinkel van [A] heeft gewerkt, is gesteld noch gebleken.

3.10

De conclusie is dat de grieven I en II slagen, zodat het bestreden vonnis niet in stand kan blijven. De derde grief, die betrekking heeft op het oordeel van de kantonrechter dat [appellant] en zijn collega [C] zich niet in een vergelijkbare positie bevinden, zodat niet relevant is of [geïntimeerde] het [C] heeft toegestaan om in de slagerij van [A] te werken, behoeft daarom geen verdere bespreking.

3.11

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en de vordering van [appellant] onder a) van de inleidende dagvaarding, strekkende tot een verklaring voor recht dat hij niet de dwangsommen verschuldigd is die hem zijn opgelegd op grond van het vonnis van de kantonrechter d.d. 1 juni 2016, zal alsnog worden toegewezen. Het hof ziet onvoldoende grond om ook de vordering onder b) zijnde veroordeling van [geïntimeerde] tot het betalen van een dwangsom van € 500,- per dag indien hij, in weerwil van het te wijzen vonnis, de executie van de dwangsom mocht voortzetten, toe te wijzen. [appellant] heeft onvoldoende gesteld om te kunnen aannemen dat [geïntimeerde] ook zonder rechtsgeldige titel de executie van de dwangsommen zal voortzetten. Bovendien is de executie reeds geschorst als gevolg van het arrest van het hof van 10 oktober 2017.

3.12

[geïntimeerde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten in beide instanties.

4 Beslissing

Het hof:

- vernietigt het vonnis waarvan beroep;

- verklaart voor recht dat [appellant] niet de dwangsommen verschuldigd is die hem zijn opgelegd op grond van het vonnis van de kantonrechter in kort geding d.d. 1 juni 2016;

- veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [appellant] begroot op € 415,31 aan verschotten en € 1.074,- voor salaris;

- verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.C. Boot, E.W. de Groot en M.S.A. Vegter en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 17 september 2019.