Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:3464

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-09-2019
Datum publicatie
01-10-2019
Zaaknummer
200.251.491/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Herroeping
Inhoudsindicatie

verzoek tot herroeping afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Burgerlijke stand en landeninformatie 2019/5301
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Zaaknummer: 200.251.491/01

Beschikking van de meervoudige kamer van 17 september 2019 inzake

[voornamen] [achternaam Z] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. M.T. Wernsen te Den Haag,

en

[voornaam] [achternaam Y] ,

wonende te [woonplaats] (België),

verweerster,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. J.C. van den Doel te Zierikzee (onttrokken).

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

  • -

    [voornamen] [achternaam X] (hierna: [X] );

  • -

    mr. E.A. Kool.

Voorts is opgeroepen:

- de advocaat-generaal van het ressortsparket te Amsterdam;

In zijn adviserende taak is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

locatie: Rotterdam,

hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van de procedure

1.1

De man heeft op 27 maart 2018 bij het gerechtshof Den Haag een verzoek tot herroeping ingediend van de beschikking van 22 juli 2015 van voornoemd hof, naar het hof begrijpt met zaaknummers 200.140.989/01 (erkenning) en 200.140.991/01 (gezag). Daarbij heeft de man voorts verzocht, - samengevat -:

II Primair

de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 28 oktober 2013 alsnog te bekrachtigen, en

de man mede met het gezag te belasten over de minderjarige [A] ;

Subsidiair

de erkenning van de minderjarige [A] door [X] alsnog te vernietigen;

de man alsnog vervangende toestemming te verlenen om de minderjarige [A] te erkennen;

III de man mede met het gezag te belasten over de minderjarige [A] ;

IV [de vrouw] en [X] te veroordelen in de proceskosten van de man bij de procedure bij de rechtbank Rotterdam d.d. 28 oktober 2013 en bij het gerechtshof Den Haag d.d. 22 juli 2015;

V [de vrouw] en [X] te veroordelen in de proceskosten van de man in de onderhavige procedure.

1.2

Het gerechtshof Den Haag heeft bij beschikking van 12 december 2018 de zaak betreffende de herroeping ter verdere behandeling naar dit hof verwezen. Het hof verwijst ten aanzien van het procesverloop, alsmede ten aanzien van de vaststaande feiten en het procesverloop in eerdere instanties naar die beschikking.

1.3

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een e-mailbericht van de zijde van mr. E.A. Kool in haar hoedanigheid van bijzondere curator over de hierna nader aan te duiden minderjarige, ingekomen op 31 januari 2019;

- een journaalbericht van de zijde van mr. E.A. Kool van 6 maart 2019 met bijlagen, ingekomen op 8 maart 2019;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 21 mei 2019 met bijlage, ingekomen op dezelfde datum;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 18 juni 2019 met bijlagen, ingekomen per fax op dezelfde datum.

1.4

De mondelinge behandeling heeft op 15 juli 2019 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- mr. E.A. Kool.

De raad heeft het hof op voorhand bericht, bij brief van 10 juli 2019, niet ter zitting te zullen verschijnen.

De vrouw, [X] en de advocaat-generaal zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, evenmin verschenen.

Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt dat zich bij de stukken bevindt.

Omdat mr. Kool niet meer aanwezig was op het moment dat de man ter zitting verscheen, heeft de voorzitter bepaald dat nog een schriftelijke ronde zou volgen om mr. Kool de gelegenheid te geven schriftelijk te reageren op het proces-verbaal van het behandelde buiten haar aanwezigheid.

Bij een controle van het GBA voorafgaand aan de zitting is voorts gebleken dat [X] recentelijk van België naar Nederland is verhuisd. Hij heeft een (nieuwe) verweertermijn van twee weken gekregen en voorts is hem de gelegenheid geboden om schriftelijk op het proces-verbaal van de behandeling te reageren.

De man heeft vervolgens de gelegenheid gekregen om schriftelijk op een eventuele reactie van mr. Kool en/of [X] te reageren.

1.5

Ter griffie van dit hof is op 29 juli 2019 een schriftelijke reactie van mr. Kool op het proces-verbaal ingekomen. De man heeft daarop gereageerd bij journaalbericht met een bijlage van 14 augustus 2019, ingekomen op 16 augustus 2019.

2 De motivering van de beslissing

2.1

De man heeft bij brief van 20 november 2018 en wederom ter zitting van 15 juli 2019 bezwaar gemaakt tegen de betrokkenheid van mr. Kool in deze procedure, in de eerste plaats omdat haar taak zijns inziens is geëindigd en in de tweede plaats omdat haar laatste advies dateert van 25 maart 2014 en hij het daarmee niet eens was. Het hof gaat met de man ervan uit dat, nu anderszins niet is gebleken, de benoeming van mr. Kool als bijzondere curator is geëindigd door het geven van de beschikking van 22 juli 2015 door het gerechtshof Den Haag. Dit staat er echter niet aan in de weg mr. Kool in haar hoedanigheid van voormalige bijzondere curator die als zodanig heeft opgetreden in het geding dat heeft geleid tot de beschikking waarvan de man thans herroeping vraagt, in de herroepingszaak als belanghebbende aan te merken. Hetgeen de man voor het overige aanvoert, brengt in dit oordeel geen verandering. Op het verzoek van de man tot benoeming van een andere persoon als bijzondere curator, zal het hof hierna ingaan.

2.2

Uit de relatie van de man en de vrouw is [A] [achternaam Y] dan wel [achternaam X] (hierna: [de minderjarige] ) geboren [in] 2010. De relatie van partijen is in juni 2011 verbroken, waarna de vrouw in november 2011 een relatie heeft gekregen met [X] , uit welke relatie twee kinderen zijn geboren (in 2013 en in 2016). [X] heeft [de minderjarige] op 4 oktober 2012 erkend. De vrouw heeft het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] .

Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 28 oktober 2013 is, voor zover thans van belang, de erkenning van [de minderjarige] door [X] vernietigd, is aan de man vervangende toestemming verleend voor erkenning van [de minderjarige] en is de man niet ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot gezamenlijk gezag.

Bij beschikking van het gerechtshof Den Haag van 22 juli 2015 is, voor zover thans van belang, met vernietiging van de beschikking van 28 oktober 2013 in zoverre, het verzoek van de man ten aanzien van de vernietiging van de erkenning en de vervangende toestemming voor erkenning afgewezen en is de beschikking van 28 oktober 2013 bekrachtigd voor zover de man niet ontvankelijk is verklaard in zijn verzoek tot gezamenlijk gezag.

2.3

Op grond van artikel 382 juncto 390 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan een beschikking die in kracht van gewijsde is gegaan, op verzoek van een partij worden herroepen indien:

  1. deze berust op bedrog door de wederpartij in het geding gepleegd,

  2. deze berust op stukken, waarvan de valsheid na de beschikking is erkend of bij gewijsde is vastgesteld, of

  3. de partij na de beschikking stukken van beslissende aard in handen heeft gekregen die door toedoen van de wederpartij waren achtergehouden.

Op grond van artikel 387 Rv heropent de rechter die de voor herroeping aangevoerde grond of gronden juist bevindt, het geding geheel of gedeeltelijk. Hij geeft partijen gelegenheid hun stellingen en verweren te wijzigen en aan te vullen.

2.4

De man betoogt als volgt. De beschikking van het gerechtshof van 22 juli 2015 berust op bedrog, gepleegd door de vrouw en [X] . De man wijst erop dat de Hoge Raad het begrip bedrog ruim uitlegt: van bedrog is sprake wanneer een partij door haar oneerlijke proceshouding belet dat in de procedure feiten aan het licht komen die tot een voor de tegenpartij gunstige afloop van die procedure zouden hebben kunnen leiden.

De man stelt dat de rechtbank (terecht) haar conclusie dat de vrouw misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid door aan [X] toestemming te geven om [de minderjarige] te erkennen, mede heeft gebaseerd op de constatering dat de relatie tussen de vrouw en [X] niet stabiel was. In hoger beroep hebben de vrouw en [X] bedrog gepleegd door het te doen voorkomen dat hun relatie bestendig was. Dat dit niet het geval was, blijkt onder andere uit het rapport van de raad van 29 augustus 2013; de vrouw en [X] waren ten tijde van dit onderzoek tijdelijk uit elkaar en hadden pas aan het einde van het raadsonderzoek weer een relatie. Verder blijkt uit het raadsrapport dat de vrouw en [X] beiden met persoonlijke problemen worstelen die bij de man twijfels doen rijzen over hun mogelijkheden om een bestendige relatie aan te gaan. Zo blijkt uit het raadsrapport dat de vrouw bekend is met psychiatrische problemen en is er sprake van fysiek geweld door [X] tegen de vrouw. Geweld en een gelukkige stabiele relatie sluiten elkaar per definitie uit. Voorts heeft de raad voornamelijk contact gehad met de vrouw en slechts weinig met [X] . Ook hield de vrouw er in de maanden nadat zij naar België vertrok een criminele carrière op na.

Voorts voert de man aan dat uit een Facebookbericht van de vrouw van juli 2017 blijkt dat de relatie met [X] is beëindigd en dat uit het door de man overgelegde bewijs van inschrijving en vertrek blijkt dat [X] op 17 juli 2017 is verhuisd van [plaats a] , waar hij samenwoonde met de vrouw, naar [plaats b] . In de procedures die de man met de vrouw in België voert over de omgang, is [X] voorts niet verschenen. Daaruit blijkt reeds dat [X] nooit de intentie heeft gehad om de vaderrol jegens [de minderjarige] op zich te nemen. Op 30 en 31 december 2017 heeft de man [X] telefonisch gesproken. In die gesprekken heeft [X] bevestigd dat zijn relatie met de vrouw begin 2017 is beëindigd. Aangezien de relatie kort na het geven van de beschikking van 22 juli 2015 is beëindigd, moet de relatie ten tijde van de beschikking van 22 juli 2015 al niet stabiel meer zijn geweest, zo stelt de man.

Op grond van artikel 383 Rv moet het verzoek tot herroeping worden ingediend binnen drie maanden nadat de grond voor de herroeping is ontstaan en de verzoeker daarmee bekend is geworden. De man stelt dat hij het bedrog in zijn telefoongesprek met [X] op 30 december 2017 heeft ontdekt, zodat hij zijn verzoek tijdig heeft ingediend.

De man betoogt dat hij een groot belang heeft bij herroeping; hij wil aanspraak maken op zijn door artikel 8 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens beschermde recht op erkenning. Ook [de minderjarige] heeft belang bij erkenning door de man. De vrouw probeert de man uit haar leven te bannen met als gevolg dat de man [de minderjarige] sinds 2013 niet meer heeft gezien. De vrouw houdt zich niet aan de in België vastgestelde omgangsregeling. [de minderjarige] heeft echter recht op informatie over haar afstamming. De vrouw heeft niet in redelijkheid kunnen komen tot het verlenen van toestemming aan [X] om [de minderjarige] te erkennen. Er dient dan ook een nieuwe belangenafweging te worden gemaakt, aldus de man.

2.5

Het hof oordeelt als volgt.

2.6

Volgens art. 387 Rv heropent de rechter het geding als hij de voor herroeping aangevoerde grond of gronden juist bevindt. Op grond van vaste jurisprudentie is daarvoor voldoende dat feiten en omstandigheden bekend zijn geworden die zozeer de verdenking rechtvaardigen van bedrog, dat de partij die zich bedrogen acht langs de weg van heropening van het geding de gelegenheid behoort te krijgen de zaak nogmaals aan de rechter voor te leggen opdat die met inachtneming van die feiten en omstandigheden de zaak opnieuw beoordeelt. De rechter zal pas in het heropende geding ten gronde behoeven te onderzoeken of werkelijk bedrog in het voorgaande geding is gepleegd (HR 2 november 2011, NJ 2012/629).

2.7

Het door de vrouw en [X] gepleegde bedrog is er volgens de man in gelegen dat zij tijdens dit geding hebben gepretendeerd een serieuze, bestendige relatie te hebben terwijl dat niet het geval was en dat zij evenmin, anders dan zij stelden, de intentie hadden om [X] de vaderrol te laten vervullen en zijn juridisch vaderschap van [de minderjarige] voort te laten zetten. Uit het verhandelde ter mondelinge behandeling en uit de stukken van het dossier, waaronder het raadsrapport van 29 augustus 2013, maakt het hof op dat de relatie van de vrouw en [X] wellicht niet vrij was van agressie en problemen heeft gekend, die hebben gemaakt dat zij ten tijde van het opstellen van het raadsrapport tijdelijk uit elkaar zijn gegaan. Nog daargelaten dat de inhoud van dat rapport bekend was bij het gerechtshof Den Haag ten tijde van het geven van zijn beschikking in 2015, staat rechtens vast dat de relatie van de vrouw en [X] enkele jaren heeft geduurd (van 2011 tot 2017), dat zij [in] 2013 met elkaar in het huwelijk zijn getreden en dat zij samen twee kinderen hebben gekregen, in 2013 en in 2016. Gedurende de jaren van hun samenzijn vormden zij met [de minderjarige] (en later hun twee kinderen) een gezin. Uit het raadsrapport blijkt dat [de minderjarige] [X] als vaderfiguur zag. Uit de door de man in het geding gebrachte transcriptie van zijn telefoongesprek met [X] op 31 december 2017 blijkt voorts dat [X] , hoewel zijn relatie met de vrouw toen reeds was verbroken, de kans wilde houden om [de minderjarige] af en toe te zien.

Gezien hetgeen hiervoor is overwogen, is het hof van oordeel dat uit de stellingen van de man geen feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid die de verdenking rechtvaardigen dat door de vrouw en [X] bedrog is gepleegd, zodat deze voor herroeping aangevoerde grond niet juist kan worden bevonden. Het betoog van de man dat hij belang heeft bij herroeping aangezien hij een beroep op artikel 8 EVRM wenst te doen, levert niet een door artikel 382 Rv bestreken grond voor herroeping op. De vraag of de man binnen drie maanden nadat de grond voor herroeping is ontstaan zijn verzoek heeft ingediend, doet derhalve niet meer ter zake. Het hof zal het verzoek van de man tot herroeping van de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 22 juli 2015 afwijzen en het geding niet heropenen.

2.8

Gelet op het voorgaande, bestaat er geen grond voor benoeming van een (andere) bijzondere curator teneinde te onderzoeken in hoeverre de vrouw en [X] bedrog hebben gepleegd, nog daargelaten dat dit niet tot de taak van een bijzondere curator behoort. Nu het geding dat heeft geleid tot de beschikking van 22 juli 2015 niet zal worden heropend ten aanzien van de daarin aan de orde zijnde geschilpunten, bestaat in de onderhavige procedure voor benoeming van een bijzondere curator op grond van het bepaalde in artikel 1:212 BW dan wel artikel 1:250 BW, zoals de man tevens heeft verzocht, evenmin grond.

2.9

Gelet op het voorgaande zal het hof de verzoeken van de man afwijzen.

2.10

Gezien de aard en de uitkomst van deze procedure, acht het hof geen termen aanwezig om de vrouw en [X] te veroordelen in de proceskosten, zoals door de man is verzocht.

2.11

Dit leidt tot de volgende beslissing.

3 De beslissing

Het hof:

wijst de verzoeken van de man af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J. Jonkers, mr. A. van Haeringen en mr. J.C.W. Rang, bijgestaan door mr. F.J.E. van Geijn als griffier, en is op 17 september 2019 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.