Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:3445

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-09-2019
Datum publicatie
27-09-2019
Zaaknummer
200.231.021/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheidsrecht. Regres van verzekeraar in verband met schade als gevolg van een omvangrijke grondverzakking (sinkhole). Schade als gevolg van de aanwezigheid van mijnen. Toepasselijkheid Bedrijfsregeling Brandregres 2000 (BBr 2000). Voorwaarde voor verhaal is dat de aansprakelijkheid verband houdt met onzorgvuldig handelen of nalaten. VVE en Q-Park hebben nagelaten de gezien de omstandigheden van het geval passende en redelijkerwijs te vergen maatregelen te treffen door niet het advies op te volgen om contact op te nemen met het Staatstoezicht op de Mijnen en door de verzakkingen niet te monitoren. Begrip schadegebeurtenis in de zin van de BBr 2000. Uitleg beperking verhaal tot € 500.000 per persoon. Afwijzing vordering ex artikel 843a Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2019/175
NTHR 2020, afl. 1, p. 40
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.231.021/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam: C/13/613093 / HA ZA 16-778

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 10 september 2019

inzake

de rechtspersoon naar het recht van het Verenigd Koninkrijk

CHUBB EUROPEAN GROUP LIMITED,

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,

appellante,

advocaat: mr. P.R. van der Vorst te Rotterdam,

tegen:

1 VERENIGING VAN EIGENAARS WINKELCENTRUM ’T LOON TE HEERLEN,

gevestigd te Heerlen,

advocaat: mr. M.M. van Asch te Rotterdam,

2. Q-PARK ’T LOON B.V.,

gevestigd te Maastricht,

advocaat: mr. S.C. de Lange te Rotterdam,

3. NSI WINKELS B.V.,

gevestigd te Hoorn,

advocaat: mr. D.K. Baas te Arnhem,

4. 3W HOLDING B.V.,

gevestigd te Maastricht,

advocaat: mr. H.J. van der Baan te Amsterdam,

geïntimeerden.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna Chubb, VVE, Q-Park, NSI en 3W genoemd. Geïntimeerden worden gezamenlijk VVE c.s. genoemd.

Chubb is bij dagvaardingen van 12 oktober 2017 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 19 juli 2017, onder het hierboven genoemde zaak-/rolnummer gewezen tussen Chubb als eiseres en VVE c.s. als gedaagden.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, tevens houdende voorwaardelijk ingestelde exhibitie vordering ex artikel 843a Rv, met producties;

- memorie van antwoord tevens antwoord in voorwaardelijk incident 843a Rv, met producties, van VVE;

- memorie van antwoord tevens antwoord in het incident ex artikel 843a Rv, van Q-Park, met producties;

- memorie van antwoord tevens antwoord in het incident ex art. 843a Rv van NSI;

- memorie van antwoord van 3W.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 18 maart 2019 doen bepleiten, Chubb door haar hiervoor genoemde advocaat, VVE door haar hiervoor genoemde advocaat en door mr. R. Noordermeer, advocaat te Rotterdam, Q-Park door mrs. I. van Marsbergen en D.J.C. Blox, advocaten te Rotterdam, NSI door haar hiervoor genoemde advocaat en mr. P.E. Bloemendal, advocaat te Arnhem, en 3W door haar hiervoor genoemde advocaat en mrs. M.P.L. Schaink en C.L.F.F. van Ginneken, advocaten te Amsterdam. Met uitzondering van de advocaten van Q-Park hebben de respectievelijke advocaten gepleit aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Ter gelegenheid van het pleidooi zijn door alle partijen nog producties in het geding gebracht: producties 49 tot en met 65 van Chubb, productie 30 van VVE, productie 30 van Q‑Park, productie 31 van NSI en productie 4 van 3W.

Ten slotte is arrest gevraagd.

Chubb heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en bij arrest - uitvoerbaar bij voorraad - haar vorderingen zal toewijzen zoals deze zijn verwoord in de memorie van grieven, met beslissing over de proceskosten, met nakosten en vermeerderd met wettelijke rente.

VVE heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van Chubb in de proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad.

Q-Park heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van Chubb in de proceskosten, met nakosten, uitvoerbaar bij voorraad.

NSI en 3W hebben geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van Chubb in de proceskosten, met nakosten en vermeerderd met wettelijke rente, uitvoerbaar bij voorraad.

Alle partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.10 feiten opgesomd die tussen partijen vaststaan. Grief 1 van Chubb is daartegen gericht. Met deze grief is in de navolgende feitenweergave rekening gehouden. Voor zover Chubb meent dat de rechtbank meer of andere feiten had moeten weergeven in het vonnis, faalt de grief. De rechtbank was niet gehouden meer feiten op te sommen dan zij ter motivering van haar beslissingen nodig achtte. Voor het overige zijn de feiten in hoger beroep niet in geschil, zodat het hof daarvan als vaststaand zal uitgaan. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

2.1.

In 1966 werd Winkelcentrum ’t Loon te Heerlen (hierna: het complex) geopend. Het complex bestaat uit – vereenvoudigd weergegeven – winkels, woningen (een woontoren) en een parkeergarage. Op 19 januari 1995 heeft het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds het complex verkocht aan de rechtsvoorgangster van Vastgoed ’t Loon B.V. (hierna: Vastgoed ’t Loon). Enig aandeelhouder van Vastgoed ’t Loon was Holding ’t Loon B.V. (hierna: Holding ’t Loon).

2.2.

Op 30 december 1996 heeft Vastgoed ’t Loon het complex gesplitst in twee appartementsrechten. Het appartementsrecht betreffende de woningen is op dezelfde dag verkocht en geleverd aan Soluna B.V. (hierna: Soluna). Het andere appartementsrecht, betreffende de winkels en de parkeergarage, heeft Vastgoed ’t Loon op 6 december 2002 ondergesplitst in twee appartementsrechten: één dat betrekking heeft op de winkels en de andere op de parkeergarage. Het appartementsrecht met betrekking tot de winkels heeft Vastgoed ’t Loon verkocht en op 16 december 2002 geleverd aan NSI. Bij Vastgoed ’t Loon resteerde op dat moment nog het appartementsrecht ten aanzien van de parkeergarage.

2.3.

Op 24 september 2003 zijn de hoofd- en ondersplitsing opgeheven en is onder andere het complex opnieuw in appartementsrechten gesplitst. Voor zover voor het onderhavige geschil relevant, is het complex daarbij in hoofdzaak op vergelijkbare wijze als daarvoor verdeeld: Vastgoed ’t Loon verkreeg appartementsrechten betreffende de parkeergarage, NSI ten aanzien van de winkels en Soluna verkreeg een appartementsrecht met betrekking tot de woningen.

2.4.

Holding ’t Loon heeft de aandelen in Vastgoed ’t Loon verkocht en op 26 september 2003 geleverd aan Q-Park Exploitatie B.V. Na enige tijd is de naam van Vastgoed ’t Loon gewijzigd in Q-Park ’t Loon (dat is geïntimeerde sub 2).

2.5. 3

3W Vastgoed B.V. is vanaf november 2000 enig aandeelhouder en bestuurder van Holding ’t Loon. In 2007 is de naam 3W Vastgoed B.V. gewijzigd in 3W Holding B.V. (dat is geïntimeerde sub 4). Op 15 september 2005 heeft 3W het appartementsrecht betreffende de woningen gekocht en geleverd gekregen van Soluna.

2.6.

VVE is op 24 september 2003 opgericht. Q-Park en NSI zijn daarvan vanaf de datum van oprichting lid, 3W sinds 15 september 2005.

2.7.

Door de (appartements)eigenaren zijn Ruyters Commercieel vastgoed B.V. en RVM Vastgoed Management B.V. (hierna RVM) aangesteld als beheerders. Bij de oprichting van VVE op 24 september 2003 is RVM aangesteld als beheerder van VVE.

2.8.

In de periode van 1994 tot en met 2003 heeft zich scheurvorming in kolommen van de parkeergarage voorgedaan. De kolommen verplaatsten zich zowel verticaal als horizontaal. In opdracht van de beheerders zijn diverse onderzoeken verricht, onder andere door de ingenieursbureaus Van der Werf & Nass (hierna: W&N) en Geoconsult Geotechniek B.V. (hierna: Geoconsult).

2.9.

Het eerste onderzoeksrapport van W&N naar aanleiding van de schade aan de kolommen van de parkeergarage is opgesteld in januari 1995, het zesde rapport (getiteld deel 5B) dateert van 17 oktober 2002 en is opgesteld met het oog op de hierna te noemen renovatie van de parkeergarage.

2.10.

Het eerste onderzoek van Geoconsult naar de oorzaak van de verplaatsingen van de kolommen van de parkeergarage dateert van 2 april 2001. Geoconsult heeft een aanvullend onderzoek uitgevoerd dat heeft geleid tot een rapportage van 23 september 2002.

2.11.

Op 16 april 2003 is voor de renovatie van het complex, daaronder begrepen de parkeergarage, een bouwvergunning afgegeven. Op 14 november 2003 is de parkeergarage na de uitgevoerde renovatie gebruiksklaar opgeleverd. Na de renovatie is opnieuw scheurvorming geconstateerd in de kolommen van de parkeergarage, waarover W&N op 18 november 2003 heeft gerapporteerd.

2.12.

In augustus 2011 zijn brokken beton uit een kolom van de parkeergarage gevallen.

2.13.

Eind 2011 is onder de parkeergarage een sinkhole ontstaan. In korte tijd is ongeveer 30-50 m3 aarde neerwaarts verschoven. Daarbij is een kolom van de parkeergarage weggezakt in de ondergrond. De sinkhole is het gevolg van ondiepe mijnwinning in het verleden in de ondergrond van het complex.

2.14.

Als gevolg van de sinkhole was de constructieve veiligheid van het winkelcentrum niet meer gewaarborgd en heeft de gemeente Heerlen bestuursdwang uitgeoefend strekkende tot sloop van een deel van het complex. In dat deel bevond zich een winkel van C&A. Door de ontruiming en de sloop heeft C&A schade geleden.

2.15.

Chubb is de rechtsopvolgster van de verzekeraar van C&A. Chubb heeft ter zake van de ontstane schade aan C&A een uitkering gedaan onder de verzekering.

3 Beoordeling

3.1.

De vordering van Chubb in deze procedure ziet op het regres dat zij op VVE c.s. wil nemen in verband met de verzekeringsuitkering die zij aan C&A heeft voldaan. Chubb vordert dat VVE c.s. hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling in hoofdsom van:

€ 245.027,89 aan inventarisschade;

€ 109.406,59 aan schade aan de voorraad;

€ 1.291,499,41 aan bedrijfsschade;

€ 78.750,00 aan expertisekosten.

3.2.

Aan haar vorderingen legt Chubb ten grondslag dat VVE c.s. wisten van de structurele problemen in de bodem onder het complex die hebben geleid tot de verzakkingen. Desondanks hebben VVE c.s. geen of onvoldoende maatregelen genomen om deze problemen en de mogelijke gevolgen daarvan te onderzoeken, op te lossen of te monitoren. Met hun handelwijze hebben VVE c.s. de kenbare en gerechtvaardigde belangen van derden, waaronder C&A, in sterke mate veronachtzaamd, zodat zij aansprakelijk zijn voor de daardoor ontstane schade. Chubb is gesubrogeerd is de rechten van C&A jegens VVE c.s.

3.3.

De rechtbank heeft de vorderingen van Chubb afgewezen en haar veroordeeld in de proceskosten. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat ook als wordt aangenomen dat VVE c.s. kennis hadden of behoorden te hebben van de inhoud van de rapportages van W&N en Geoconsult, hen geen nalaten kan worden verweten. Volgens de deskundigen werd de schade veroorzaakt doordat de kolommen in de parkeergarage zich horizontaal verplaatsten. Daarvan uitgaande was geen redelijk belang gediend met een onderzoek naar de oorzaak van de verticale verzakkingen. Ook overigens bevatten de rapportages geen aanwijzingen dat verder onderzoek niettemin gewenst was, laat staan dringend gewenst om redenen van constructieve veiligheid. Dat zij geen opdracht hebben gegeven tot verticale fixatie levert evenmin onrechtmatig handelen op, reeds omdat geen van de deskundigen daartoe had geadviseerd, aldus de rechtbank. Tegen dat oordeel en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt Chubb op in hoger beroep. De grieven lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.

3.4.

Voor de beoordeling van het geschil zijn de volgende feitelijke achtergronden van belang. Niet in geschil is dat het ontstaan van schade aan de parkeergarage, bestaande uit scheurvorming en verzakking/verschuiving van de kolommen, een voortschrijdend proces was dat jaren gaande was. Diverse deskundigen zijn ingeschakeld om onderzoek te doen naar de oorzaak daarvan. Uit de overlegde rapportages blijkt dat in toenemende mate werd aangenomen dat de oorzaak van de schade was gelegen in de diepe ondergrond en waarschijnlijk te maken had met de mijnontginning die in het verleden ter plaatste had plaatsgevonden.

3.5.

Nadat Geoconsult haar eerste onderzoek had gedaan, somt W&N in haar rapport IIIA van 16 augustus 2001 de twee mogelijke oorzaken op die volgens Geoconsult nog resteren als verklaring voor de verplaatsingen van de kolomfunderingen van de parkeergarage: (i) zettingen in de ondergrond, dan wel (ii) nazettingen als gevolg van de kolenwinning eind jaren ’50. In het slot van dit rapport van W&N (onder 4) wordt geconstateerd dat de scheurvorming in de kolommen en de verplaatsing van de funderingsvoeten nog steeds gaande is. Het gaat om een proces waarvan niet gezegd kan worden of het versnelt, dan wel afneemt. Volgens W&N dient nader onderzoek te worden gedaan om de exacte oorzaak vast te kunnen stellen.

3.6.

Dit nadere onderzoek is uitgevoerd door Geoconsult en heeft geresulteerd in de “Eindrapportage verplaatste kolommen parkeergarage ’t Loon in de gemeente Heerlen” van 23 september 2002. In hoofdstuk 5 van het eindrapport wordt een evaluatie gegeven van de mogelijke oorzaken van de verplaatsingen van de kolommen van de parkeergarage. De uitgevoerde metingen laten een komvormige daling van het plafond zien. Geoconsult concludeert in paragraaf 5.2 dat horizontale verplaatsingen van de kolommen rechtstreeks verband houden met de komvormige daling van het plafond en daarmee de grondslag (ondergrond). Niet aannemelijk wordt geacht dat de bodem discontinuïteiten heeft waardoor extra zettingen zijn opgetreden (paragraaf 5.3). Uit de gemaakte zettingsberekeningen volgt volgens Geoconsult (paragraaf 5.4) dat de maximaal optredende zettingen in de orde liggen van 37 tot 69 mm. Uitgaande van een belasting van 50% van de toegestane funderingsdruk zouden de zettingen maximaal 35 tot 45 mm bedragen. Uit de zettingsberekeningen volgt dus dat er flinke zettingen kunnen optreden, maar daarmee zijn de gemeten verschilzettingen van meer dan 100 mm over afstanden van 14 meter niet verklaard. Zowel de opgetreden komvormige daling en de berekende maximale verschilzettingen kunnen niet worden verklaard op basis van de maximale belastingen. Daaraan voegt Geoconsult toe dat gezien de consolidatietijd de zettingen als gevolg van belastingen vrijwel volledig hun beslag moeten hebben gehad, zodat zettingen uit de directe ondergrond ook niet meer zijn te verwachten.

In paragraaf 5.5 van het eindrapport bespreekt Geoconsult de mogelijkheid dat het gaat om “mijnschade”:

“Naar aanleiding van de bevindingen uit het grondonderzoek en de berekeningen die hieruit voortvloeien kan de verplaatsing van de kolommen en met name de gemeten niveauverschillen van het plafond niet verklaar[d] worden op basis van de verkende grondslag.

De oorzaak van de komvormige daling en daarmee de horizontale verplaatsing van de kolommen zal derhalve in de diepere ondergrond gevonden moeten worden.

Reeds in onze rapportage GG-4561 d.d 2 april 2002 is aangegeven dat mijnschade vanwege de ondiepe ontginning (ca. 88 m- maaiveld) niet uitgesloten kan worden. Tevens werd hierbij expliciet aangegeven dat er dan sprake moet zijn van een komvormige daling van het maaiveld.

Deze komvormige daling is eenduidig af te leiden uit de metingen van de ligging van het plafond. Deze daling komt tevens overeen met het gebied van de horizontaal verplaatste kolommen.

Gezien deze bevindingen mag ons inziens het optreden van mijnschade niet worden uitgesloten. Uitsluitsel hierover zal echter door staatstoezicht op de mijnen moeten worden gegeven.”

In hoofdstuk 6 bespreekt Geoconsult de door W&N voorgestelde maatregelen ten aanzien van de kolommen:

6.0 Fixatie van de kolommen

Door ingenieursbureau Van der Werff en Nass bv is aangegeven op welke wijze zij de processen van de verplaatste kolommen wil stopzetten. Hierbij wordt gedacht aan een tweetal maatregelen.

Enerzijds betreft dit een verticale stabilisatie door middel van injecteren van de bodem ter plaatse van de kolommen. Gezien de resultaten uit het grondonderzoek is het injecteren van deze zeer compacte grondslag uiterst complex. Daarnaast zal het proces dat aan de bodemdaling ten grondslag ligt hiermee niet gestopt worden. Een verticale fixatie middels injecteren zonder de oorzaak te kennen verdient dan ook niet onze voorkeur.

Anderzijds betreft het een horizontale fixatie van de kolommen door middel van een monoliet betonvloer. Deze fixatie lijkt ons zeer wel mogelijk en zal mogelijke horizontale verplaatsingen aan de kolommen kunnen voorkomen.”

De eindconclusies en aanbevelingen van Geoconsult luiden als volgt:

7.0 Conclusies en aanbevelingen

Op basis van de onderzoeksresultaten blijkt dat er zich een komvormige daling heeft voorgedaan in het gebied waar verplaatsing van de kolommen is waargenomen. Deze komvormige daling komt vrijwel overeen met het gebied waar de kolommen in horizontale richting verplaatsen.

Uit de interactie tussen daling en de horizontale verplaatsing van de kolommen kan worden afgeleid dat deze daling niet aan maatvoering tijdens de bouw geweten kan worden.

Tevens blijkt uit de resultaten van de zettingsberekeningen dat de gemeten daling niet kan worden verklaard uit zettingen in de grondslag als gevolg van de bouwlasten. Daarnaast blijkt uit de resultaten van de samendrukkingsproeven en de consolidatietijd dat de zettingen als gevolg van de belastingen op de ondergrond vrijwel volledig hun beslag hebben gehad. Restzettingen als direct gevolg van belasting uit de constructie zijn dan ook niet of nauwelijks nog te verwachten.

Op basis van dit aanvullende onderzoek en de reeds als niet relevant afgevoerde oorzaken op basis van eerdere onderzoeken (zie hoofdstuk 2) kan geconcludeerd worden dat aan de zettingen en verplaatsing van de kolommen geen aanwijsbare grondmechanische oorzaken van de directe ondergrond ten grondslag liggen. Dit betekent dat de laatste mogelijkheid ten aanzien van de problematiek als de meest waarschijnlijke moet worden beschouwd.

Uitgaande van de verkregen informatie uit de archieven van Staatstoezicht op de Mijnen en de bevindingen ten aanzien van de komvormige daling zal Staatstoezicht op de Mijnen nader uitsluitsel kunnen geven.

Wij adviseren derhalve met Staatstoezicht op de Mijnen contact op te nemen.

Om daarnaast uitsluitsel te verkrijgen over de snelheid en een eventuele toe of afname waarmee het proces van de verplaatste kolommen optreed, adviseren wij de horizontale verplaatsing van de kolommen nogmaals in te meten. Dit zoals is aangegeven door het Bureau Van der Werff en Nass en voor zoverre nog niet is gedaan.”

3.7.

Mede op basis van de bevindingen van Geoconsult schrijft W&N in haar rapport van 17 oktober 2002 met het oog op de voorgenomen renovatie van de parkeergarage:

“- Het proces van scheurvorming in de kolommen is tot op heden nog steeds gaande. Niet duidelijk is of het proces versnel[t] of vertraag[t].

- De scheuren in de kolommen worden hoofdzakelijk veroorzaakt door verplaatsende funderingspoeren. Enige resterende oorzaak is schade door aanwezige mijnen.

- De betreffende funderingspoeren worden horizontaal gefixeerd door een balkenrooster. De bijbehorende verticale verplaatsingen worden dan ook gereduceerd. De verticale verplaatsingen zijn geen oorzaak van schade door de constructiestructuur van een vlakke betonnen plaat vloer met kolommen.”

3.8.

De parkeergarage is op de door W&N geadviseerde wijze gerenoveerd. Een deel van de parkeergarage is gesloopt. Een deel van het gebied waarin verzakkingen waren gemeten, lag in het gesloopte gedeelte. In het resterende gedeelte is een balkenrooster geplaatst.

3.9.

De belangrijkste elementen van het verwijt dat Chubb VVE c.s. maakt, zijn dat het door Geoconsult geadviseerde onderzoek bij Staatstoezicht op de Mijnen (hierna: SoM) naar de oorzaak van de verzakkingen en de scheurvorming niet is uitgevoerd. De renovatie is daardoor volgens haar uitgevoerd zonder dat de kernoorzaak is vastgesteld en verholpen. Daarnaast is ten onrechte geen programma opgezet om toekomstige verzakkingen te kunnen monitoren. Daardoor is niet geverifieerd of het proces van verticale verplaatsing na de renovatie nog plaatsvond en of dat proces toe- of afnam. W&N werkte al sinds de 1985 voor de eigenaren van het complex en heeft VVE en de eigenaren van het complex meerdere malen in kennis gesteld van de, ondanks uitgevoerde reparaties, doorgaande scheurvorming. W&N heeft de rapportages steeds ter beschikking gesteld aan VVE en de gezamenlijke eigenaren. VVE c.s. wisten, althans was voor hen voorzienbaar, dat de constructieve veiligheid op het spel stond. Volgens Chubb zijn VVE c.s. hoofdelijk aansprakelijk voor de schade van C&A. De constructieve veiligheid van het complex is de primaire verantwoordelijkheid van VVE en de gezamenlijke eigenaren. Het risico op het ontstaan van een sinkhole was een bij SoM bekend fenomeen (inleidende dagvaarding, 4.2.11 e.v.). Als nader onderzoek was uitgevoerd en contact was opgenomen met SoM, zou zijn gebleken dat een risico op het ontstaan van een sinkhole aanwezig was. VVE c.s. hadden de verplichting het ontstaan van een sinkhole te voorkomen als deze zich kon ontwikkelen in een bebouwd, bewoond en publiekelijk toegankelijk gebied. Een sinkhole kan zich plotseling manifesteren en omvangrijke materiële schade en bedrijfsschade, maar ook personenschade veroorzaken, aldus Chubb.

3.10.

VVE en Q-Park betwisten niet dat zij bekend waren met de scheurvorming in de kolommen van de parkeergarage en zij erkennen de beschikking te hebben gekregen over de rapportages van W&N en Geconsult. Zij bestrijden niet dat zij van de inhoud daarvan kennis hebben genomen voorafgaand aan de renovatie van het complex.

3.11.

NSI stelt dat zij voorafgaand aan de verwerving van het appartementsrecht op de winkels niet bekend was met de scheurvorming in de kolommen van de parkeergarage. Zij was evenmin bekend met de verzakkingsproblematiek, de onderzoeken die daarnaar werden uitgevoerd en de rapportages die zijn opgesteld. Op 29 mei 2002 heeft zij met Vastgoed ’t Loon een koopovereenkomst gesloten. De appartementsrechten op de winkels zijn vervolgens op 16 december 2002 aan NSI geleverd. Onderdeel van de koopovereenkomst was een renovatie van onder andere de parkeergarage. Na de voltooiing van de renovatie eind 2003 heeft NSI aan Vastgoed ’t Loon daarvoor een vergoeding betaald. Zij kocht dus een aandeel in een compleet gerenoveerd complex. NSI is pas na de renovatie begonnen met de exploitatie van de winkels. Op 27 februari 2007 heeft NSI achttien rapportages ontvangen en de rapportages van Geoconsult. Die rapportages heeft zij zonder van de inhoud daarvan kennis te nemen opgeborgen. Het was vier jaar na de renovatie en NSI ging ervan uit dat, als er al problemen waren, die bij de renovatie waren opgelost.

3.12. 3

3W wordt in haar hoedanigheid van eigenaar door Chubb tot schadevergoeding aangesproken. Zij betwist in die hoedanigheid nalatig te zijn geweest. 3W was slechts eigenaar van de woontoren en wel vanaf 2005. Constructief bestaat het complex volgens 3W uit verschillende onderdelen. De parkeergarage en de daarboven gesitueerde winkels waren door middel van dilatatievoegen gecompartimenteerd. De sinkhole is ontstaan onder de parkeergarage en de winkels. Dit staat constructief los van de woontoren. De woontoren is niet beschadigd. Tussen de gevorderde schade en de woontoren bestaat volgens 3W geen enkele relatie.

3.13.

Uitgangspunt voor de beoordeling is dat uit de genoemde rapportages eenduidig volgt dat de verschuivingen van de kolommen van de parkeergarage het gevolg waren van een komvormige verzakking van de bodem, die op haar beurt werd veroorzaakt door de mijnontginning die in het verleden had plaatsgevonden. Chubb is lid van het Verbond van Verzekeraars en heeft zich gebonden aan de Bedrijfsregeling brandregres 2000 (hierna: BBr 2000). Dit brengt mee dat Chubb haar verhaalsrecht alleen kan uitoefenen indien de aansprakelijkheid van VVE c.s. verband houdt met onzorgvuldig handelen of nalaten. In het licht van het voorgaande is dat naar het oordeel van het hof het geval als VVE c.s. bekend waren of moesten zijn met (i) de aanwezigheid van mijnen, (ii) dat aan die mijnen gevaren waren verbonden, (iii) de kans op verwezenlijking van deze gevaren reëel was en (iv) de verwezenlijking van die gevaren tot ernstige schade kon leiden, maar zij desalniettemin hebben nagelaten tijdig de gezien de omstandigheden van het geval passende en redelijkerwijs te vergen maatregelen te treffen om het ontstaan van schade als gevolg van de aanwezigheid van de mijnen te voorkomen.

3.14.

Op grond van de bevindingen van Geoconsult en W&N is geen andere conclusie mogelijk dan dat aan de aanwezigheid van mijnen gevaren waren verbonden voor de constructieve veiligheid van het complex. Er is in september 2002 vastgesteld dat de bodem onder de parkeergarage door de aanwezigheid van mijnen op een bepaalde plaats in aanzienlijke mate komvormig was gedaald. De verzakking was een doorgaand proces, waarvan onbekend was of dit toe- of afnam. Deze verzakking leidde tot scheurvorming in de kolommen van de parkeergarage. Boven de parkeergarage waren winkels gesitueerd. Niet beslissend is of voorafgaand aan de renovatie van de parkeergarage deze al of niet nog constructief veilig was. Hoe dan ook stond buiten twijfel dat de parkeergarage ingrijpend gerenoveerd moest worden. Die renovatie is vervolgens ook uitgevoerd, overeenkomstig het advies van W&N, waarbij een deel van de parkeergarage is gesloopt. VVE en Q-Park betwisten niet dat zij bekend waren met de scheurvorming in de kolommen van de parkeergarage en dat zij kennis hebben genomen van de rapportages van Geoconsult en W&N. Dit brengt mee dat zij bekend waren of hadden moeten zijn met (i) de aanwezigheid van mijnen, (ii) dat aan die mijnen gevaren waren verbonden en dat (iii) de kans op verwezenlijking van deze gevaren reëel was en het noodzakelijk was om maatregelen te treffen. Het geschil met VVE en Q-Park spitst zich daarvan uitgaande toe op de vraag of zij de gezien de omstandigheden van het geval passende en redelijkerwijs te vergen maatregelen hebben getroffen om het ontstaan van schade als gevolg van de aanwezigheid van mijnen te voorkomen. Daarop wordt hierna (3.21 e.v.) teruggekomen. Eerst zal de gestelde wetenschap van NSI en 3W met betrekking tot de scheurvorming en de verzakkingsproblematiek worden besproken.

3.15.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden aangenomen dat NSI van de aanwezigheid van de mijnen en de scheurvorming in de kolommen van de parkeergarage op de hoogte was of had moeten zijn. Tegenover het verweer van NSI dat de renovatie van het complex niet in opdracht van NSI is uitgevoerd, zij daarmee geen inhoudelijke bemoeienis heeft gehad en niet is geïnformeerd over de verzakkingen en scheurvorming, heeft Chubb geen concrete feiten en omstandigheden gesteld waaruit de vereiste bekendheid van NSI op enig moment kan worden afgeleid. Dat Chubb het ongeloofwaarding vindt dat NSI in het kader van de koop van de winkels niet is geïnformeerd over de zettingsproblematiek acht het hof geen voldoende gemotiveerde onderbouwing van de bestaan van de vereiste bekendheid. Daarnaast rechtvaardigt de enkele omstandigheid dat NSI in december 2002 de appartementsrechten op de winkels verkreeg niet de gevolgtrekking dat de toenmalige kennis van RVM over de zettingsproblematiek heeft te gelden als die van NSI. In zoverre faalt het betoog van Chubb.

3.16.

Subsidiair meent Chubb dat NSI openheid van zaken dient te geven over hetgeen in het kader van de koop van de winkels is medegedeeld door Q-Park en 3W. Chubb acht het ongeloofwaardig dat NSI in 2002 de winkels heeft gekocht zonder dat zij is geïnformeerd over de problematiek met de fundering. Aan een dergelijke koop gaat een due diligence-onderzoek vooraf. Chubb vordert afgifte van bescheiden op grond van artikel 843a Rv.

3.17.

Het hof stelt voorop dat artikel 843a Rv geen algemeen inzagerecht biedt. Aan de toewijsbaarheid van een vordering op grond van artikel 843a Rv zijn voorwaarden verbonden: (i) de eiser dient een rechtmatig belang te hebben en (ii) het moet gaan om bepaalde bescheiden (iii) aangaande een rechtsbetrekking waarin de eiser of zijn rechtsvoorganger partij zijn. Bovendien (iv) dient de wederpartij over de bescheiden te beschikken of deze onder haar berusting te hebben. Ook indien aan al deze voorwaarden is voldaan, bestaat géén gehoudenheid tot overlegging indien daarvoor gewichtige redenen zijn of indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder die gegevensverschaffing is gewaarborgd.

3.18.

Om zogenaamde “fishing expeditions” te voorkomen, dient de partij die op grond van artikel 843a Rv afgifte van bescheiden vordert, de inhoud van de gegevens voldoende concreet te beschrijven. Naar het oordeel van het hof heeft Chubb niet aan deze voorwaarde voldaan. Artikel 843a Rv biedt geen mogelijkheid om documenten op te vragen waarvan slechts wordt vermoed dat zij wellicht steun zouden bieden aan bepaalde stellingen, zonder dat er concrete aanknopingspunten bestaan voor dergelijke vermoedens. Chubb vordert afschriften van “alle correspondentie en overige bescheiden” die betrekking hebben op de opdrachten aan W&N en Geoconsult, de verzakkingsproblematiek, de transacties tot aankoop van het onroerend goed, etc. Chubb heeft daarmee weliswaar voor een deel van de verzochte informatie benoemd in welke categorie stukken zij inzage wenst, maar in feite wordt inzage verzocht in alle bescheiden die ook maar op enige wijze met het onderhavige geschil te maken hebben. De vordering is daarmee te onbepaald om te kunnen worden toegewezen. Daarbij komt dat NSI gemotiveerd betwist dat zij over meer informatie beschikt dan die in de procedure is overgelegd. De vordering op grond van artikel 843a Rv dient te worden afgewezen.

3.19.

Omdat niet kan worden aangenomen dat NSI van de aanwezigheid van de mijnen en de scheurvorming in de kolommen van de parkeergarage op de hoogte was of had moeten zijn, kan niet worden vastgesteld dat zij in verband met onzorgvuldig handelen of nalaten aansprakelijk is jegens C&A. Het enkele feit dat zij als eigenaresse van een deel van het complex gehouden is aan de normen van de Woningwet, vormt geen zelfstandige grond voor aansprakelijkheid jegens C&A. De vorderingen tegen NSI zullen worden afgewezen.

3.20.

Tijdens de comparitie in eerste aanleg is namens Chubb aangevoerd dat 3W de rapportages over de zettingen en scheurvorming tot haar beschikking had, maar daarmee niets heeft gedaan en daarom onzorgvuldig heeft gehandeld. 3W heeft erop gewezen dat zij de rapportages in haar hoedanigheid van middellijk aandeelhouder en bestuurder van Vastgoed ’t Loon heeft ontvangen en dat Chubb 3W uitdrukkelijk niet in die hoedanigheden aansprakelijk acht jegens C&A. Chubb baseert de vorderingen waarin zij is gesubrogeerd uitsluitend op de verplichtingen die 3W als eigenaar van de woontoren jegens C&A in acht had dienen te nemen. Die hoedanigheid heeft 3W met ingang van 15 september 2005 verkregen. Met 3W is het hof van oordeel dat Chubb onvoldoende concreet heeft gesteld welke verplichtingen 3W uit hoofde van haar positie als eigenaar van de woontoren vanaf 2005 jegens C&A had als huurder van een winkel in een ander deel van het complex. Chubb maakt aldus onvoldoende duidelijk welke zorgvuldigheidsverplichtingen in die hoedanigheid door 3W zijn geschonden. De enkele stelling dat 3W zich als appartementseigenaar van een deel van het complex aan de normen van de Woningwet diende te voldoen, kan niet leiden tot toewijzing van de vorderingen van Chubb. De omstandigheid dat 3W in september 2005 het appartementsrecht op de woningen verkreeg, kan niet tot de conclusie leiden dat de op dat moment bij RVM aanwezige kennis heeft te gelden als die van 3W. Bij gebreke van een voldoende concrete onderbouwing van de stellingen van Chubb kunnen de vorderingen tegen 3W niet worden toegewezen. Voor zover Chubb haar vordering op grond van artikel 843a Rv tevens instelt tegen 3W, dient deze op dezelfde hiervoor weergegeven redenen te worden afgewezen als tegen NSI.

3.21.

Uitgaande van hun bekendheid met de rapportages van W&N en Geoconsult betwisten VVE en Q-Park dat deze aanleiding gaven tot andere acties dan die zijn genomen. W&N heeft de herstelmaatregelen afgestemd op de bevindingen van Geoconsult en is ervan uitgegaan dat het ging om mijnschade als de enige resterende oorzaak. De komvormige daling van de ondergrond leidde tot een verticale verplaatsing van de kolommen van de parkeergarage, maar dat was volgens W&N niet de oorzaak van de schade. Dat waren de horizontale verplaatsingen. Het proces van verticale daling zou bovendien gereduceerd worden door de horizontale fixatie met een balkenrooster. Volgens VVE en Q-Park was er geen reden contact op te nemen met SoM, omdat daarmee al eerder overleg had plaatsgevonden. De locatie van het complex stond bij SoM bekend als een gebied waar geen mijnschade optrad. Volgens VVE en Q-Park hebben de deskundigen niet geadviseerd om tot verticale stabilisatie over te gaan. Evenmin blijkt volgens VVE en Q-Park uit de rapporten dat een horizontale fixatie onvoldoende zou zijn om toekomstige schade te voorkomen. Een verticale stabilisatie zou het proces van bodemdaling niet stoppen. Met een horizontale fixatie zouden de verticale verzakkingen gereduceerd worden.

3.22.

Naar het oordeel van het hof hebben VVE en Q-Park onvoldoende toegelicht waarom het in 3.6 aangehaalde advies van Geoconsult niet is opgevolgd om contact op te nemen met SoM. Voor zover zij aanvoeren dat het niet nodig was om met SoM contact op te nemen, omdat daarmee al eerder (in 2001) overleg had plaatsgevonden, hebben zij die stelling onvoldoende gemotiveerd. Het was Geoconsult (conclusie van antwoord Q‑Park, 3.88 e.v.) die in 2001 contact had opgenomen met SoM. Toen was nog niet duidelijk wat de oorzaak was van de zettingsverschijnselen. Die onduidelijkheid was immers de reden om Geoconsult een nader onderzoek te laten uitvoeren. Op basis van dat nadere onderzoek komt Geoconsult in 2002 tot de conclusie dat maar één oorzaak voor de zettingen valt aan te wijzen: de aanwezigheid van mijnen. Geoconsult concludeert vervolgens dat gezien deze bevindingen het optreden van mijnschade niet mag worden uitgesloten. Met het oog daarop adviseert Geoconsult om (wederom) contact op te nemen met SoM. VVE en Q-Park zijn aldus door Geoconsult gewezen op de mogelijkheid dat mijnschade zou kunnen optreden en dat deze nieuwe bevindingen van Geoconsult gedeeld moesten worden met SoM. Gelet op de verdere bevindingen van Geoconsult, namelijk (i) dat het ging om een voortgaand proces van verzakkingen waarvan niet gezegd kon worden of het versnelt, dan wel afneemt en (ii) het advies om met metingen uitsluitsel te krijgen over de snelheid en de eventuele toe- of afname van het proces van de verplaatsingen van de kolommen, had duidelijk moeten zijn dat een serieus en reëel gevaar bestond op het optreden van mijnschade. Overleg met SoM was nodig om uitsluitsel te krijgen. Daarvan uitgaande is het hof van oordeel dat de genoemde adviezen van Geoconsult opgevolgd hadden moeten worden door contact op te nemen met SoM en door de zettingen te gaan monitoren.
Voor zover VVE en Q-Park stellen dat er geen aanleiding was om deze adviezen op te volgen omdat W&N dat niet adviseerde en zij daarop mochten vertrouwen, volgt het hof hen daarin niet. W&N kon naar het oordeel van het hof niet ervan uitgaan dat het door haar voorgestelde plan van aanpak toereikend was, zonder dat eerst was vastgesteld wat de mogelijke gevolgen van de in de bodem aanwezige mijnen zouden kunnen zijn. W&N ging er weliswaar vanuit dat de zettingen werden veroorzaakt door de aanwezigheid van mijnen, maar zonder daadwerkelijk eerst de omvang van de problemen in de ondergrond in kaart te hebben gebracht, mocht het advies van W&N redelijkerwijs niet zo worden begrepen dat met haar plan van aanpak adequate maatregelen werden genomen om mijnschade te voorkomen. Weliswaar adviseerde W&N geen verticale stabilisatie middels injectering, maar dat volgde op de vaststelling van Geoconsult dat een dergelijke actie niet was aangewezen zolang de oorzaak en omvang van de bodemdaling niet was vastgesteld. Daarvoor was juist eerst raadpleging van SoM en monitoring van de verzakking nodig. VVE en Q-Park hebben door het plan van aanpak van W&N uit te voeren zonder eerst deze adviezen van Geoconsult op te volgen, nagelaten tijdig de gezien de omstandigheden van het geval passende en redelijkerwijs te vergen maatregelen te treffen om het ontstaan van schade als gevolg van de aanwezigheid van de mijnen te voorkomen. Zij hebben daarmee onzorgvuldig gehandeld, althans zijn nalatig geweest in de zin van de BBr 2000.

3.23.

Met Chubb is het hof van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat, als het advies van Geoconsult was opgevolgd en contact was opgenomen met SoM, een nader onderzoek door SoM zou zijn uitgevoerd en dat alsdan rekening zou zijn gehouden met de mogelijkheid dat ter plaatse een sinkhole zou kunnen ontstaan. Volgens VVE en Q-Park was een sinkhole een onbekend dan wel dermate uniek fenomeen dat SoM daarmee geen rekening zou hebben gehouden, maar zij hebben dit verweer in het licht van de door Chubb aangehaalde stukken onvoldoende gemotiveerd. Door VVE en Q‑Park is niet gemotiveerd bestreden dat als met de mogelijkheid van het optreden van een sinkhole rekening was gehouden, het door W&N geadviseerde plan niet zou zijn uitgevoerd, maar specifieke maatregelen zouden zijn getroffen om schade als gevolg van een sinkhole te voorkomen. Daarmee is een causaal verband aanwezig tussen het onzorgvuldig handelen of nalaten van VVE en Q‑Park en het ontstaan van schade als gevolg van de sinkhole. Door het optreden van de sinkhole was de constructieve veiligheid van het winkelcentrum niet meer gewaarborgd en heeft de gemeente Heerlen bestuursdwang uitgeoefend strekkende tot sloop van een deel van het complex. In dat deel bevond zich de winkel van C&A. Door de ontruiming en de sloop heeft C&A schade geleden. De schade van C&A kan als het gevolg van het zonder deugdelijk vooronderzoek laten uitvoeren van de renovatie aan VVE en Q-Park worden toegerekend.

3.24.

Op grond van de BBr 2000 is het verhaalsrecht van de daaraan gebonden verzekeraars beperkt tot een bedrag van € 500.000 per schadegebeurtenis. Tussen partijen staat vast dat Chubb in verband met de schade aan C&A een veelvoud van dit bedrag heeft uitgekeerd. Het hof volgt VVE en Q-Park niet in hun stelling dat het verhaalsrecht van Chubb is beperkt tot 50% van € 500.000, omdat zij voor 50% risicodrager was op de verzekering die door C&A is gesloten. De beperking van de BBr 2000 ziet op het te verhalen bedrag per schadegebeurtenis. Dit betekent dat een schadeveroorzaker niet voor méér dan dit bedrag kan worden aangesproken. Als het maximale bedrag is voldaan en vervolgens nog een andere verzekeraar verhaal wil nemen, kan de schadeveroorzaker het verweer voeren dat hij op grond van de BBr 2000 niet tot betaling van meer is gehouden. Die situatie doet echter zich niet voor. Dit brengt mee dat van een door Chubb verhaalbaar bedrag van € 500.000 per schadegebeurtenis dient te worden uitgegaan.

3.25.

Chubb vordert het verhaalbare bedrag van elk van de geïntimeerden. Hiervoor is al overwogen dat de vorderingen tegen NSI en 3W niet toewijsbaar zijn, zodat het gaat om de vraag of Chubb van zowel VVE als Q-Park een bedrag van € 500.000 kan vorderen, of dat zij hoofdelijk voor dit bedrag aansprakelijk zijn.

3.26.

Artikel 2.3 BBr 2000 bepaalt dat als de schade verband houdt met onzorgvuldig handelen of nalaten van verschillende personen, de beperking tot een bedrag van € 500.000 geldt per persoon, tenzij de personen in dienst of in opdracht van dezelfde werk- of opdrachtgever optraden. Gezien hetgeen hiervoor is overwogen, kunnen zowel VVE als Q-Park in beginsel als schadeveroorzaker worden aangemerkt. Hen kan elk onzorgvuldig handelen of nalaten worden verweten.

3.27.

Volgens VVE (conclusie van antwoord 54-56), waarbij Q‑Park zich heeft aangesloten, kan Chubb in dit geval slechts éénmaal een bedrag van € 500.000 vorderen. Zij verwijzen naar de toelichting op artikel 2 BBr 2000 waarin staat dat als verschillende bedrijven tot één concern behoren, waarbij de concernleiding volledige zeggenschap heeft over deze bedrijven, het geldt als één bedrijf, zodat op dit bedrijf maximaal € 500.000 verhaald kan worden. VVE en Q‑Park betogen vervolgens:
“Gelet op de ratio van artikel 2.3 BBr 2000 en de verbondenheid van de VvE en de leden moet deze situatie worden beoordeeld als een situatie in de zin van artikel 2.3 BBr 2000. ACE (hof: thans Chubb) heeft derhalve reeds op grond van artikel 2.3 BBr 2000 geen verhaal op de VvE. Kortom, er is geen verhaal op de VvE mogelijk, nu zij slechts een vereniging is van de individuele leden, althans is slechts verhaal mogelijk op de VvE indien zij zelfstandig onrechtmatig heeft gehandeld jegens C&A.”

3.28.

Chubb heeft er terecht op gewezen dat er geen concernverband bestaat tussen appartementseigenaren onderling, noch tussen de appartementseigenaren en de VvE, Verder geldt dat in die verhoudingen een ‘concernleiding’ met centrale zeggenschap ontbreekt. Tegen die achtergrond, hebben VVE en Q-Park naar het oordeel van het hof onvoldoende concreet toegelicht wat de hier van belang zijnde ratio is van de concern-uitzondering in de BBr 2000. In het verlengde daarvan hebben zij ontoereikend gemotiveerd dat die uitzondering zich in dit geval voordoet, zodat het daarop gebaseerde verweer faalt.

3.29.

Het voorgaande betekent dat VVE en Q-Park ieder een bedrag van € 500.000 aan Chubb dienen te betalen. Wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf de datum van de inleidende dagvaarding, als gevorderd.

3.30.

Naast het hiervoor genoemde bedrag vordert Chubb een vergoeding ter zake van gemaakte expertisekosten. Met een beroep op de toelichting op artikel 2 BBr 2000, bestrijden VVE en Q-Park dat deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen.

3.31.

Uit de toelichting op de BBr 2000 volgt dat het verhaalsrecht van de verzekeraar is beperkt tot de uitkering waarvoor de verzekerde, bij uitblijven van een uitkering, zelf verhaal had kunnen nemen. Mede hierdoor is discussie mogelijk met betrekking tot de expertisekosten, omdat deze mede in het belang van de verzekeraar worden gemaakt, namelijk om diens uitkeringsplicht vast te stellen. Om dergelijke discussies te voorkomen, is het praktische advies van het Verbond van verzekeraars om expertisekosten niet te verhalen. Chubb heeft dus gelijk dat zij expertisekosten in beginsel mag verhalen. Voorwaarde voor verhaal is dat het gaat om kosten die C&A van VVE en Q-Park had kunnen vorderen als er geen verzekeringsuitkering was geweest. De discussie over de omvang van de voor vergoeding in aanmerking komende expertisekosten kan in het midden blijven, omdat het verhaalsrecht van Chubb in dit geval is beperkt tot tweemaal € 500.000. Aangezien de hoofdsom die Chubb heeft uitgekeerd reeds dit bedrag overschrijdt, kan in het midden blijven of daarnaast ook expertisekosten zijn gemaakt.

3.32.

Naast het bedrag van tweemaal € 500.000 kan Chubb wel aanspraak maken op buitengerechtelijke kosten. Dit volgt met zoveel woorden uit de toelichting op artikel 2 BBr 2000. Ingevolge de Wet normering buitengerechtelijke incassokosten en het daarbij behorende besluit zullen de buitengerechtelijke kosten worden berekend en gemaximeerd volgens de wettelijke staffel. Daarmee is een bedrag van € 4.275 toewijsbaar. VVE en Q-Park zullen beide worden veroordeeld dit bedrag te betalen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum van de inleidende dagvaarding.

3.33.

Voor zover de voorwaardelijke vordering op grond van artikel 843a Rv door Chubb is ingesteld tegen VVE en Q-Park is met het voorgaande niet voldaan aan de voorwaarde voor de behandeling daarvan.

3.34.

De bewijsaanbiedingen hebben geen betrekking op voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot andere beslissingen in deze zaak dienen te leiden. De bewijsaanbiedingen zullen daarom als niet ter zake dienend worden gepasseerd.

3.35.

De slotsom is dat het hoger beroep deels terecht is ingesteld. Ter wille van de leesbaarheid zal het vonnis worden vernietigd om het dictum opnieuw te kunnen vaststellen. Deze vernietiging heeft dus niet tot gevolg dat de uitgesproken proceskostenveroordeling ten laste van Chubb en ten gunste van NSI en 3W met terugwerkende kracht hun kracht verliezen, maar slechts dat bij dit arrest het meerdere wordt toegewezen en de veroordelingen voor het overige in stand blijven.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt VVE € 500.000,00 aan Chubb te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 juli 2016 tot aan de dag van algehele betaling;

veroordeelt VVE € 4.275,00 aan buitengerechtelijke kosten aan Chubb te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 juli 2016 tot aan de dag van algehele betaling;

veroordeelt Q-Park € 500.000,00 aan Chubb te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 juli 2016 tot aan de dag van algehele betaling;

veroordeelt Q-Park € 4.275,00 aan buitengerechtelijke kosten aan Chubb te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 juli 2016 tot aan de dag van algehele betaling;

veroordeelt VVE en Q-Park in de kosten van het geding in beide instanties, in eerste aanleg aan de zijde van Chubb begroot op € 4.001,36 aan verschotten en € 6.422,00 voor salaris en in hoger beroep tot op heden op € 5.270,00 aan verschotten, € 22.004,00 voor salaris en € 157,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 82,00 voor nasalaris en met de kosten van het betekeningsexploot, ingeval niet binnen veertien dagen is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordeling(en) en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden en te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten, indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de proceskostenveroordeling is voldaan;

wijst af de vorderingen tegen NSI en 3W, daaronder begrepen de vordering die is ingesteld op grond van artikel 843a Rv;

veroordeelt Chubb in de kosten van het geding in beide instanties, in eerste aanleg aan de zijde van NSI begroot op € 3.903,00 aan verschotten en € 6.422,00 voor salaris en in hoger beroep tot op heden op € 5.200,00 aan verschotten, € 22.004,00 voor salaris en € 157,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 82,00 voor nasalaris en met de kosten van het betekeningsexploot, ingeval niet binnen veertien dagen is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordeling(en) en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden en te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten, indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de proceskostenveroordeling is voldaan;

veroordeelt Chubb in de kosten van het geding in beide instanties, in eerste aanleg aan de zijde van 3W begroot op € 3.903,00 aan verschotten en € 6.422,00 voor salaris en in hoger beroep tot op heden op € 5.200,00 aan verschotten, € 22.004,00 voor salaris en € 157,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 82,00 voor nasalaris en met de kosten van het betekeningsexploot, ingeval niet binnen veertien dagen is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordeling(en) en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden en te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten, indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de proceskostenveroordeling is voldaan;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. Hoekzema, A.W.H. Vink en J.F. Aalders en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 10 september 2019.