Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:3415

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-09-2019
Datum publicatie
24-09-2019
Zaaknummer
23-000890-18
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:897
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

poging tot doodslag en het voorhanden hebben van een wapen en munitie van categorie III. De verdachte heeft zijn buurman, na een ruzie, met een vuurwapen in zijn borstkas geschoten, hem achterna gerend en nogmaals geschoten waarbij het slachtoffer in zijn been is geraakt. Oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000890-18

datum uitspraak: 23 september 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 26 februari 2018 in de strafzaak onder parketnummer 15-810167-17 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,

adres: [adres 1] ,

thans gedetineerd in PI Noord Holland Noord, Unit Zuyder Bos te Heerhugowaard.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
14 augustus 2019, 16 september 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 9 augustus 2017 te Haarlem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer ] opzettelijk van het leven te beroven, meermalen, althans eenmaal, met een vuurwapen, een of meer kogel(s) heeft afgevuurd op het lichaam van die [slachtoffer ] en/of (daarbij) die [slachtoffer ] heeft geraakt/getroffen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.
hij op of omstreeks 9 augustus 2017 te Haarlem een wapen van categorie III, te weten een (semi-automatisch werkend) pistool (kaliber 7,65mm Browning), en/of munitie van categorie III, te weten 35 patronen (merk Geco en/of kaliber 7,65mm Browning), voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring, een iets andere bewijsconstructie en een andere strafoplegging komt dan de rechtbank.

Bewijsoverwegingen 1

Het hof komt tot een bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten op grond van de volgende redengevende feiten en omstandigheden:

Het afgevuurde schot in het matras van [getuige]

Op 9 augustus 2017 werd [getuige] in zijn woning aan de [adres 2] te Haarlem, waar hij een kamer deelde met het latere slachtoffer [slachtoffer ] , opgezocht door de verdachte, die [getuige] bedreigde en hem sloeg. De verdachte, die eveneens een kamer in het betreffende pand bewoonde, had een wapen in zijn handen en schoot daarmee. De verdachte zei: “Waar is [slachtoffer ] , waar is [slachtoffer ] ? We gaan jullie allemaal vermoorden”. Hij zei dat [getuige] het geld terug moest geven, dat [slachtoffer ] een schuld bij hem had en dat er anders vanavond bloed zou gaan vloeien. [getuige] verliet daarop het huis om [slachtoffer ] te zoeken om hem te waarschuwen.2

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij op beiden, [getuige] en [slachtoffer ] , boos was, omdat hij ervan uitging dat zij bij hem naar binnen waren gekomen en zijn cocaïne met bakmeel hadden verwisseld. Hij heeft erkend dat hij [getuige] in zijn kamer heeft opgezocht, hem een paar klappen in zijn gezicht heeft gegeven en dat hij vervolgens een schot heeft gelost.3

De afgevuurde schoten op [slachtoffer ]

Na het vertrek van [getuige] uit de woning, kwam slachtoffer [slachtoffer ] samen met zijn partner en kind thuis. [slachtoffer ] zag dat het een rotzooi was in zijn woning en dat alles was stukgeslagen, waarop hij naar zijn buurman, de verdachte, ging om te vragen wat er was gebeurd. De verdachte, die erg boos was, zei dat er iemand bij hem was ingeklommen en iets had meegenomen.4 Vervolgens heeft [slachtoffer ] met [getuige] gebeld, die hem vertelde dat de buurman een wapen op hem had gericht.5 ging terug naar zijn kamer en liep vervolgens de gang op. Op dat moment schoot de verdachte, die met een vuurwapen in de deuropening stond, hem in de borst.6 is vervolgens de trap af naar buiten gerend, alwaar hij, al wegrennend, in zijn been is geschoten. Toen de verdachte schoot en [slachtoffer ] naar beneden rende, hoorde [slachtoffer ] één van de twee mannen, die bij de verdachte waren, schreeuwen: “stop [verdachte] , stop”.7

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat tussen het moment dat [getuige] is weggegaan en [slachtoffer ] thuiskwam, drie minuten zijn gelegen en dat hij het vuurwapen nog in zijn hand had toen [slachtoffer ] voor de eerste keer bij hem kwam. Hij heeft erkend in het pand op [slachtoffer ] te hebben geschoten op een afstand van 3 tot 4 meter en vervolgens achter de verdachte te zijn aangerend, naar buiten toe.8

De camerabeelden van de ter plaatse aanwezige beveiligingscamera’s bevestigen dat [slachtoffer ] buiten wordt gevolgd door de verdachte, die zijn armen naar voren heeft gericht in de richting van [slachtoffer ] .9

Het onderzoek naar de (locaties van de) aangetroffen munitie

In de woning van de verdachte, op de eerste verdieping aan de rechterkant (achterkamer)10, werd op 10 augustus 2017 een doosje met patronen in beslag genomen (AAHY0615NL).11 Het betroffen 35 patronen die waren voorzien van het bodemstempel ‘Geco 7.65’. Gezien dit bodemstempel en de afmetingen, zijn dit patronen van het kaliber 7,65 mm Browning.12

Op de vloer van de overloop van het pand werd nabij de deur naar de achterkamer een huls aangetroffen van het kaliber 7.65 GECO (AAHY0633NL). Onder het tapijt in de voorkamer, zijnde de woning van [getuige] en [slachtoffer ]13, werd een kogelpunt (AAHO4450NL) aangetroffen. Onder het éénpersoonsbed in de voorkamer werd ook een kogelpunt (AAIX8519NL) aangetroffen. Zowel aan de bovenzijde als aan de onderzijde van het matras zat een gat en rond het gat aan de bovenzijde een zwarte verkleuring. Er zat ook een gat in de lattenbodem van het bed.

De locaties van de aangetroffen huls en van de kogelpunt onder het tapijt passen bij een schot vanaf de overloop in de richting van de voorkamer. Een tweede schot werd afgeleid uit de schotbaan door het matras en de kogelpunt aangetroffen onder het eenpersoonsbed in de voorkamer. Er is in het pand minimaal twee keer geschoten.14

Door de politie werden op de [adres 2] (op de openbare weg) een kogelpunt (AACL7038NL) en een huls (AACL7037NL) aangetroffen.15 De kogel lag op de doorgaande straat aan de [adres 2] , ongeveer 30 meter van de bedrijfspanden af en daarop waren zogeheten “trekken en velden” zichtbaar, die ontstaan als een kogel verschoten wordt. De huls lag onder een bestelbus, ongeveer 10 meter van de bedrijfspanden af.16 Gezien het op de openbare weg aantreffen van een huls en een kogelpunt, is aldaar ook geschoten.17

De hulzen (AAHY0633NL en AACL7037NL) zijn voorzien van bodemstempel ‘Geco 7.65’ en zijn, gezien dit bodemstempel en de afmetingen, hulzen van het kaliber 7,65 mm Browning. De kogels (AAHO4450NL, AAIX8519NL en AACL7038NL) passen gezien de massa’s en uiterlijke kenmerken het best bij het kaliber 7,65mm Browning. In de groeven bevinden zich kraslijnen die tijdens het afvuren zijn ontstaan.18

De bevindingen van het vergelijkend hulsonderzoek zijn extreem veel waarschijnlijker wanneer de hulzen AACL7037NL (aangetroffen op de openbare weg) en AAHY0633NL (aangetroffen op de overloop nabij de toegangsdeur van de achterkamer) zijn verschoten met één en hetzelfde vuurwapen dan wanneer de hulzen zijn verschoten met twee verschillende vuurwapens van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken. De hulzen zijn vermoedelijk verschoten met een semi-automatisch werkend pistool van het kaliber 7,65mm Browning. Ook wat betreft het vergelijkend kogelonderzoek geldt dat de bevindingen daarvan extreem veel waarschijnlijker zijn wanneer de kogels AAHO4450NL, AAIX8519NL en AACL7038NL zijn afgevuurd uit een en dezelfde loop dan wanneer deze zijn afgevuurd uit twee lopen van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken.19

Conclusie I

Het hof concludeert op grond van het voorgaande – meer in het bijzonder de bekentenis van de verdachte dat hij twee schoten heeft gelost in de woning, de camerabeelden waaruit volgt dat de verdachte buiten de woning achter [slachtoffer ] aan rende en de bevindingen van het vergelijkend onderzoek aan de binnen en buiten aangetroffen hulzen waaruit volgt dat deze bevindingen extreem veel waarschijnlijker zijn wanneer de hulzen zijn verschoten met één en hetzelfde vuurwapen dan met twee verschillende vuurwapens van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken – dat het de verdachte is geweest die alle drie de schoten heeft afgevuurd. Daarbij zijn twee schoten in de woning afgevuurd, één in het bed en één in de borst van [slachtoffer ] , en één schot buiten, in het been van [slachtoffer ] .

Het letsel van het slachtoffer

Bij het slachtoffer is een inschotverwonding vastgesteld op de borst links en een uitschotverwonding bij het linker schouderblad, alsmede een inschotverwonding ter plaatse van de rechter knieholte, en een uitschotverwoning op de voorzijde van het rechter bovenbeen.

In de directe nabijheid van het schot in de borst bevinden zich (geheel of gedeeltelijk) onder de ribbenboog: de linkerlong, het hart, de lever, de milt en de maag. Perforatie van de long en/of de longvliezen kan leiden tot een pneumothorax oftewel een “klaplong”. Als er in een dergelijke situatie geen tijdige medische interventie plaatsvindt, kan een levensbedreigende belemmering van de ademhaling optreden. Perforatie van het hart geeft een acuut levensbedreigende situatie door bloedverlies en de onmogelijkheid van rondpompen van bloed naar de rest van het lichaam.

Inwendig was sprake van een spanningsklaplong, hetgeen geduid moet worden als een levensbedreigende toestand. Deze was veroorzaakt door het schot in de borst. Zonder tijdige medische interventie zou dit tot overlijden van het slachtoffer hebben geleid. Op de spoedeisende hulp waren er aanwijzingen voor “shock”; een acuut levensbedreigende toestand, waarbij de druk in de bloedvaten te laag is om vitale lichaamsfuncties in stand te houden.

Het andere letsel betrof een schotwond door het bovenbeen rechts. In de directe nabijheid van de perforatie bevindt zich onder meer het bovenbeenbot, dat zeer goed is doorbloed. Een breuk van het bovenbeen kan ongeveer een liter bloedverlies geven, genoeg om een shock te veroorzaken.20

Conclusie II

Door het slachtoffer van zeer dichtbij in een vitaal deel van het lichaam (de borst) te schieten, in aanmerking genomen dat het een feit van algemene bekendheid is dat een handelen als van de verdachte de dood van het slachtoffer tot gevolg kan hebben, heeft de verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer het leven zou laten en heeft hij die kans ook bewust aanvaard.

Het standpunt van de raadsvrouw dat van het tweede schot, in het rechterbeen van het slachtoffer, niet kan worden gezegd dat dit een poging doodslag oplevert nu dit geen potentieel dodelijk letsel heeft veroorzaakt en de opzet van de verdachte daar ook niet op was gericht, wordt door het hof niet gedeeld. De verdachte heeft ook met het tweede schot gericht op het slachtoffer geschoten en hem ook geraakt. Het lossen van een tweede schot op een persoon die kort tevoren in de borst is geraakt kan, naar zijn uiterlijke verschijningsvorm, niet anders worden beschouwd dan kennelijk bedoeld om te doden.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij op 9 augustus 2017 te Haarlem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
[slachtoffer ] opzettelijk van het leven te beroven, meermalen, met een vuurwapen, een kogel heeft afgevuurd op het lichaam van die [slachtoffer ] en daarbij die [slachtoffer ] heeft geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.
hij op 9 augustus 2017 te Haarlem een wapen van categorie III, te weten een semi-automatisch werkend pistool kaliber 7,65mm Browning en munitie van categorie III, te weten 35 patronen merk Geco en kaliber 7,65mm Browning, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze zijn weergegeven in de voetnoten in dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw overeenkomstig haar pleitnota primair aangevoerd dat de verdachte wat betreft het onder 1 ten laste gelegde, meer specifiek: het schot in de borst van [slachtoffer ], heeft gehandeld uit noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, zodat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Volgens de raadsvrouw is het slachtoffer met een vork op de verdachte afgekomen, tegen welke ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding de verdachte zich mocht verdedigen.

Het hof overweegt en beslist hieromtrent als volgt.
Een beroep op noodweer kan slechts slagen in een situatie waarin de verdediging van lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding noodzakelijk en geboden is. Bij de beantwoording van de vraag of een gedraging geboden is door de noodzakelijke verdediging – waarmee onder meer de proportionaliteitseis tot uitdrukking wordt gebracht – komt mede betekenis toe aan de waardering van de feitelijke omstandigheden van het geval.

Op grond van de hiervoor weergegeven redengevende feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat de gedraging van de verdachte naar zijn uiterlijke verschijningsvorm niet kan worden aangemerkt als ‘verdediging’, maar – naar de kern bezien – als aanvallend. De verdachte, die boos was op [getuige] en [slachtoffer ] , heeft immers van meet af aan de confrontatie opgezocht door een agressieve houding aan te nemen en hij heeft daarbij een geladen vuurwapen gebruikt. Nadat hij [getuige] had opgezocht, bedreigd (“We gaan jullie allemaal vermoorden”) en een schot in het bed had afgevuurd, heeft hij het vuurwapen niet weggelegd, maar heeft hij dit in zijn eigen kamer vastgehouden totdat [slachtoffer ] enkele minuten later thuis kwam, de rotzooi in zijn woning zag en om uitleg kwam vragen bij de verdachte. Dat [slachtoffer ] vervolgens, gewaarschuwd door het telefoongesprek met [getuige] , naar zijn eigen kamer is gegaan en daarna mogelijk met een vork op de verdachte is afgestormd, maakt dat niet anders, temeer nu de verdachte ook toen de confrontatie heeft opzocht door met het geladen vuurwapen in de deuropening van zijn woning te gaan staan. Het hof betrekt hierbij voorts dat de verdachte zich na het gesprek met [slachtoffer ] eenvoudig had kunnen terugtrekken in zijn woning. Dat de deuren van de woning niet stevig genoeg waren om zich achter te verschuilen, zoals door de raadsvrouw is gesteld, acht het hof niet aannemelijk gemaakt, temeer nu de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij een breekijzer heeft gepakt toen [getuige] in eerste instantie de deur niet open deed; kennelijk was de deur zodanig stevig dat een breekijzer benodigd was.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de verdachte de hem verweten gedraging niet heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor.

Het verweer wordt derhalve verworpen.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III,

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de verdachte

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw overeenkomstig haar pleitnota subsidiair aangevoerd dat de verdachte, wat betreft het onder 1 ten laste gelegde, heeft gehandeld uit putatief noodweer(exces). Wat betreft het eerste schot verkeerde de verdachte in de veronderstelling dat het slachtoffer met een mes op hem af kwam in plaats van met een vork en wat het tweede schot betreft was de verdachte doodsbang voor een voortzetting van de aanval van het slachtoffer.

Het hof overweegt en beslist hieromtrent als volgt.

Indien een beroep op een strafuitsluitingsgrond wordt gedaan, dient vooreerst op grond van dat verweer onderzocht te worden of de voorwaarden voor aanvaarding van die strafuitsluitingsgrond, in dezen een beroep op putatief noodweer dan wel noodweerexces, zijn vervuld. Dit houdt in dat in dit geval sprake moet zijn geweest van omstandigheden die een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding doen veronderstellen. Putatief noodweer veronderstelt immers dat de verdachte zich heeft vergist in de feitelijke situatie, betrekking hebbend op de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.

Het hof heeft hiervoor bij de bespreking van het noodweerverweer de feiten en omstandigheden weergegeven, die kort vóór het schieten door de verdachte golden in de woning en heeft op grond daarvan geconcludeerd dat de verdachte de hem verweten gedraging niet heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor.

Evenmin is aannemelijk geworden dat de verdachte, gegeven die feiten en omstandigheden, mocht menen dat hij zich moest verdedigen dan wel dat hij zich zou mogen verdedigen. Dat de verdachte in de veronderstelling verkeerde dat [slachtoffer ] met een mes op hem af kwam, wat daarvan ook zij, acht het hof daarvoor in de gegeven omstandigheden, waarbij de verdachte zelf de confrontatie heeft opgezocht en hij zich bovendien aan een aanval kon onttrekken, onvoldoende.
Dat de verdachte doodsbang was voor een voortzetting van de aanval en daarom buiten op straat een tweede schot heeft gelost, is – in het licht van die omstandigheden– geenszins aannemelijk geworden.

Het verweer wordt derhalve verworpen.

De verdediging heeft meer subsidiair bepleit dat de verdachte heeft gehandeld uit (putatief) noodweerexces. Nu gezien het hiervoor overwogene geen sprake was van een noodweersituatie, faalt het beroep op (putatief) noodweerexces eveneens.

Het verweer wordt verworpen.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren met aftrek van de tijd die door de verdachte in voorarrest is doorgebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd. Verder heeft hij gevorderd dat de in beslag genomen munitie wordt onttrokken aan het verkeer.

De raadsvrouw heeft verzocht een aanzienlijk lagere straf op te leggen dan de straf die de rechtbank heeft opgelegd – bijvoorbeeld door de oplegging van een fors voorwaardelijk deel – gelet op de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd. Verder heeft [slachtoffer ] in zijn verhoor bij de raadsheer-commissaris verklaard dat hij niet wil dat de verdachte langer in de gevangenis blijft, aldus de raadsvrouw.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag en aan het voorhanden hebben van een wapen en munitie van categorie III. Hij heeft zijn buurman, na een ruzie, met een vuurwapen in zijn borstkas geschoten, hem achterna gerend en nogmaals geschoten waarbij het slachtoffer in zijn been is geraakt. Het tweede schot werd afgevuurd op de openbare weg, terwijl het slachtoffer al ernstig gewond was en wegrende met zijn rug naar de verdachte toe. Het slachtoffer heeft daardoor ernstig letsel opgelopen. Alleen door tijdig medisch ingrijpen is voorkomen dat het slachtoffer als gevolg hiervan is komen te overlijden. De partner en het kind van het slachtoffer waren in de buurt van de plaats delict aanwezig. Zoals ook de rechtbank heeft overwogen, heeft de verdachte door zijn handelen een zeer ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en op de rechtsorde in het algemeen. Schietpartijen als deze dragen bij aan het algemene gevoel van angst en onveiligheid in de samenleving en hebben voor de slachtoffers grote lichamelijke en psychische gevolgen. Het hof rekent dit de verdachte zeer aan.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 30 juli 2019 is hij eerder ter zake van overtreding van de Wet wapens en munitie en geweldsfeiten onherroepelijk veroordeeld, hetgeen het hof meeweegt in het nadeel van de verdachte.

Het hof is, alles afwegende, van oordeel dat niet kan worden volstaan met een gevangenisstraf zoals door de rechtbank in eerste aanleg opgelegd en door de advocaat-generaal gevorderd en acht een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Beslag

Het hof is, evenals de rechtbank, van oordeel dat de munitie, die onder de verdachte in beslag is genomen en niet is teruggegeven, dient te worden onttrokken aan het verkeer. Het betreft voorwerpen met betrekking tot welke het onder feit 2 bewezen verklaarde is begaan. Het ongecontroleerde bezit ervan is in strijd met de wet of het algemeen belang.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36b, 36c, 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

de op de beslaglijst van 8 januari 2018 vermelde munitie.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.P.M. van Rijn, mr. V. Mul en mr. M. Senden, in tegenwoordigheid van mr. N.M. Simons, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 23 september 2019.

=========================================================================

[…]

1 De door het hof in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen. De inhoud van elk bewijsmiddel wordt – ook in onderdelen – slechts gebruikt tot het bewijs van het ten laste gelegde feit waarop het, zoals blijkt uit de inhoud, kennelijk betrekking heeft.

2 Verklaring van de getuige [getuige] van 10 augustus 2017 (dossierpagina’s 64 en 68).

3 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 14 augustus 2019.

4 Proces-verbaal van verhoor van de aangever [slachtoffer ] van 10 augustus 2017 (dossierpagina’s 48-49 en 51).

5 Proces-verbaal van verhoor van de aangever [slachtoffer ] van 10 augustus 2017 (dossierpagina’s 48-49) en proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] (dossierpagina 68).

6 Proces-verbaal van verhoor van de aangever [slachtoffer ] van 10 augustus 2017 (dossierpagina’s 48-49 en 51) en verklaring van de verdachte van 10 augustus 2017 (dossierpagina’s 37-38).

7 Proces-verbaal van verhoor van de aangever [slachtoffer ] van 10 augustus 2017 (dossierpagina’s 48 en 51).

8 Proces-verbaal van verhoor van de verdachte van 10 augustus 2017, dossierpagina’s 37-38 en verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 14 augustus 2019.

9 Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] van 28 augustus 2017 (dossierpagina 131).

10 Proces-verbaal van verhoor van de verdachte van 10 augustus 2017 (dossierpagina 35) en proces-verbaal van verhoor van de verdachte van 17 augustus 2017 (dossierpagina 41).

11 Proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming van 11 augustus 2017 (dossierpagina’s 145-146) en proces-verbaal van Sporenonderzoek van 26 september 2017 met fotobijlage (los in dossier).

12 Rapport Nederlands Forensisch Instituut (NFI) van 22 september 2017 (los in dossier, pagina 5 van 10).

13 Proces-verbaal van verhoor van de verdachte van 10 augustus 2017 (dossierpagina 35).

14 Proces-verbaal van Sporenonderzoek van 26 september 2017 met fotobijlage (los in dossier).

15 Proces-verbaal van Sporenonderzoek van 26 september 2017 met fotobijlage (los in dossier).

16 Proces-verbaal Sporenonderzoek van 22 september 2017 (dossierpagina’s 284).

17 Proces-verbaal van Sporenonderzoek van 26 september 2017 met fotobijlage (los in dossier).

18 Rapport Nederlands Forensisch Instituut (NFI) van 22 september 2017 (los in dossier, pagina 4 van 10).

19 Rapport Nederlands Forensisch Instituut (NFO) van 22 september 2017 (los in dossier).

20 Pro justitia rapportage Medisch forensisch onderzoek van 12 december 2017 (los in dossier).