Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:3387

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-09-2019
Datum publicatie
04-10-2019
Zaaknummer
000612-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek tot vermindering of kwijtschelding (art. 577b Sv).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

rekestnummer: 000612-19

parketnummer: 23-003173-17

Beschikking gegeven op het verzoekschrift van 26 april 2019, op grond van artikel 577b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), ingediend door de veroordeelde:

[verzoeker] ,

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) [geboortedag] 1968,

adres: [adres].

Procesgang

Bij arrest van dit hof van 14 augustus 2018 is aan de verzoeker de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 36.782,24 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Namens de verzoeker is bij een op 30 april 2019 ter griffie van dit gerechtshof ingekomen verzoekschrift op grond van artikel 577b, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering verzocht om voormeld bedrag kwijt te schelden dan wel te matigen.

Het verzoekschrift is door de raadkamer van het hof op 2 september 2019 in het openbaar behandeld. Daarbij zijn gehoord de verzoeker, zijn advocaat, mr. S. van den Berg, en de advocaat-generaal.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.

Beoordeling van het verzoek

Artikel 577b, tweede lid, Sv biedt de veroordeelde, aan wie met toepassing van artikel 36e Wetboek van Strafrecht een maatregel is opgelegd ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, de mogelijkheid vermindering of kwijtschelding te verzoeken van het volgens die maatregel te betalen bedrag.

Het verzoekschrift houdt in dat de verzoeker kort geleden een zwaar herseninfarct heeft gekregen dat een ernstige nasleep heeft gehad. De verzoeker leeft momenteel onder het bijstandsniveau en gelet op zijn gezondheidssituatie is de kans dat hij op de arbeidsmarkt zal kunnen terugkeren nihil. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verzoeker verklaard dat het voorstel van het CJIB voor een betalingsregeling bestaande uit 24 maanden van € 200, niet haalbaar is omdat zijn inkomen vele malen lager ligt.

De raadsvrouw van de verzoeker heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat in het belang van de revalidatie van de verzoeker zijn stressniveau zo spoedig mogelijk moet worden verlaagd. Momenteel levert de betalingsverplichting te veel stress op. De verzoeker kan vanwege zijn gezondheidsproblemen niet werken en zijn echtgenote is daartoe evenmin in staat aangezien zij verantwoordelijk is voor zijn zorg. Gelet op het tijdsverloop sinds het herseninfarct is het vooruitzicht op verbetering bovendien klein. De raadsvrouw heeft verzocht het te betalen bedrag kwijt te schelden, dan wel de behandeling van het verzoekschrift een jaar aan te houden en daarbij te beslissen dat gedurende die periode de executie eveneens wordt opgeschort.

Het hof is van oordeel dat op grond van de inhoud van het verzoekschrift en hetgeen door de raadsvrouw in raadkamer is aangevoerd, niet aannemelijk is geworden dat de verzoeker in de toekomst in het geheel niet in staat zal zijn om te voldoen aan de verplichting tot betaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Door de verzoeker zijn geen stukken overgelegd aan de hand waarvan kan worden bepaald wat zijn huidige financiële situatie is. In het overzicht van inkomsten en uitgaven dat namens de verzoeker is ingediend staan onvolkomenheden en het overzicht is bovendien niet onderbouwd met stukken.

Niet is aannemelijk geworden dat er geen financiële ruimte bestaat voor een substantiële maandelijkse aflossing. Verbeteringen van de financiële situatie zijn daarnaast momenteel op voorhand niet uit te sluiten. Daarbij wordt in het bijzonder in aanmerking genomen dat het verzoekschrift is ingediend kort nadat de betalingsverplichting is opgelegd en ter terechtzitting is gebleken dat de echtgenote van de verzoeker mogelijk een vergoeding kan krijgen voor mantelzorg.

Onder deze omstandigheden moet het verzoek tot kwijtschelding worden afgewezen. Het hof ziet evenmin aanleiding om over te gaan tot vermindering van de betalingsverplichting. Het hof ziet ook geen aanleiding om het onderzoek te schorsen en wijst het verzoek daartoe dan ook af.

Beslissing

Het hof:

Wijst af het verzoek van de veroordeelde tot vermindering danwel kwijtschelding van de aan verzoeker opgelegde betalingsverplichting.

Deze beschikking is gewezen door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J. Piena, mr. E. van Die en mr. R.P. den Otter in tegenwoordigheid van

mr. M. Gieske, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

16 september 2019.