Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:3376

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-09-2019
Datum publicatie
17-09-2019
Zaaknummer
200.254.623/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

IPR. Beslagrecht. Verzoek om verlof tot leggen grensoverschrijdend conservatoir beslag. Bevoegdheid Nederlandse rechter. Beslissing over verzoek na ‘summier onderzoek’. Uitleg maatstaf. Op grond van de stellingen van verzoeker en hetgeen deze ter onderbouwing daarvan heeft aangevoerd, moet summierlijk blijken van de deugdelijkheid van de vordering tot verzekering waarvan het beslag strekt. Feiten en omstandigheden die summierlijk de deugdelijkheid van de vordering aantonen. Art. 700 lid 2 Rv; artt. 7 lid 2 en 8 lid 1 Brussel I bis-Vo.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.254.623/01

zaaknummer rechtbank (Amsterdam) : niet bekend

beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 10 september 2019

inzake

1 BREIJER PROJECTEN B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

2. BREIJER CONTRACTONDERHOUD B.V.,

gevestigd te Rotterdam, en

3. TRIGION BRAND- EN BEVEILIGINGSTECHNIEK B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

appellanten,

advocaat: mr. A.A. Schobben te Rotterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonend te [woonplaats] , [land] ,

geïntimeerde,

niet verschenen.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna Breijer c.s. en [geïntimeerde] genoemd.

Breijer c.s. zijn bij beroepschrift, ingekomen bij de griffie van het hof op 14 februari 2019, in hoger beroep gekomen van een beschikking van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam, hierna ‘de voorzieningenrechter’, van 1 februari 2019, in deze zaak zonder vermelding van een zaaknummer gegeven tussen hen als verzoekers en [geïntimeerde] als gerekwestreerde.

Bij het beroepschrift hebben Breijer c.s. vier grieven aangevoerd en geconcludeerd, kort gezegd, dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen en hun alsnog verlof zal verlenen om ten laste van [geïntimeerde] conservatoir beslag te leggen op de onverdeelde helft van twee onroerende zaken gelegen in [plaats] , [land] , zoals door Breijer c.s. eerder in eerste aanleg verzocht.

De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgevonden op 12 juli 2019. Daarbij is namens Breijer c.s. het woord gevoerd door hun in de aanhef van deze beschikking genoemde advocaat. Deze heeft vragen van het hof beantwoord en aan de hand daarvan het standpunt van Breijer c.s. nader toegelicht.

In verband met de aard van het geding en het voorliggende verzoek is [geïntimeerde] niet opgeroepen de mondelinge behandeling bij te wonen. Hem is evenmin gelegenheid gegeven een verweerschrift in te dienen.

Ten slotte is uitspraak bepaald.

2 Feiten

Bij de beoordeling van het hoger beroep zal het hof uitgaan van de volgende, door Breijer c.s. in de gedingstukken genoemde of daaruit blijkende feiten.

2.1.

Bij vonnis van 20 april 2016 heeft de rechtbank Amsterdam op vordering van Breijer c.s. Hureco Tilburg B.V., hierna ‘Hureco’, veroordeeld aan eerstgenoemden een hoofdsom van in totaal € 211.077,42 te betalen, te vermeerderen met rente en kosten. Bij arrest van 16 januari 2018 heeft dit hof het genoemde vonnis bekrachtigd, met veroordeling van Hureco in de kosten van het hoger beroep.

2.2.

Uit het genoemde vonnis en arrest blijkt dat Breijer c.s. in opdracht van Hureco werkzaamheden hebben verricht in het kader van de verbouwing van een bepaald gebouwencomplex in Amsterdam. Op grond daarvan is Hureco aan Breijer c.s. de hierboven genoemde hoofdsom verschuldigd geworden. Zij heeft deze ook na het genoemde vonnis en arrest niet betaald. Hetzelfde geldt voor de bij het vonnis en het arrest uitgesproken rente- en kostenveroordelingen.

2.3.

[geïntimeerde] is, samen met twee andere natuurlijke personen, te weten [X] en [Y] , middellijk bestuurder van Hureco. Breijer c.s. houden [geïntimeerde] en de genoemde andere personen hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de bedragen waartoe Hureco door rechtbank en hof is veroordeeld. Zij hebben hem en de beide anderen daartoe bij dagvaarding van 12 oktober 2018 in rechte betrokken en hun veroordeling gevorderd tot betaling van € 325.712,84, met nevenvorderingen.

2.4.

Ter verzekering van het verhaal van bovenvermelde vordering hebben Breijer c.s. op 6 november 2018 conservatoire beslagen gelegd op aan [X] en [Y] toebehorende onroerende zaken gelegen in [plaats] , respectievelijk [plaats] . Bij vonnis van 20 december 2018 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam deze beslagen opgeheven. Breijer c.s. zijn van dat vonnis in hoger beroep gekomen bij het hof Den Haag.

2.5.

[geïntimeerde] is woonachtig in [woonplaats] , [land] . De bodemzaak waarin Breijer c.s. hun vordering tegen hem en zijn middellijke medebestuurders van Hureco hebben ingesteld, is aanhangig gemaakt bij de rechtbank Amsterdam.

3 Beoordeling

3.1.

In het onder 2.3 genoemde geding – de bodemzaak – houden Breijer c.s., voor zover thans van belang, [geïntimeerde] aansprakelijk voor de schade die zij lijden doordat Hureco de bedragen tot betaling waarvan de rechtbank en het hof haar bij het onder 2.1 genoemde vonnis en arrest hebben veroordeeld, niet heeft voldaan. Breijer c.s. vorderen in dit kader schadevergoeding op grond van een schadebrengend feit, te weten de niet-betaling van de bedoelde bedragen door toedoen van [geïntimeerde] , dat zich in Nederland heeft voorgedaan. Uit het bepaalde in artikel 7, aanhef en tweede lid, van de (herschikte) EEX-Verordening – zoals geldend sinds 10 januari 2015 – volgt daarom dat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt ten aanzien van de vordering die zij tegen [geïntimeerde] hebben ingesteld, ook al is diens woonplaats in [land] gelegen. De rechtsmacht van de Nederlandse rechter volgt bovendien uit het bepaalde in artikel 8, aanhef en eerste lid, van de (herschikte) EEX-Verordening, aangezien (i) Breijer c.s. hun vordering mede hebben ingesteld tegen de hierboven genoemde [X] en [Y] , die beiden woonachtig zijn in Nederland, en (ii) tussen hetgeen zij van de verschillende gedaagden vorderen een nauwe band bestaat zoals bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de (herschikte) EEX-Verordening.

3.2.

Uit het bovenstaande volgt dat de Nederlandse rechter bevoegd is kennis te nemen van de vordering die Breijer c.s. in de bodemzaak tegen [geïntimeerde] hebben ingesteld. De bevoegdheid in de bodemzaak brengt mee dat de Nederlandse rechter eveneens bevoegd is verlof te verlenen tot het treffen van bewarende maatregelen, zoals het leggen van conservatoir beslag ter verzekering van het verhaal van de in die zaak ingestelde vordering, waartoe Breijer c.s. in de huidige procedure verlof hebben verzocht. Aan deze bevoegdheid doet niet af dat de onroerende zaken van [geïntimeerde] waarop Breijer c.s. volgens het inleidende verzoekschrift conservatoir beslag willen leggen en waarop hun verzoek betrekking heeft, zijn gelegen in [plaats] , [land] , een en ander zoals nader omschreven onder 43 in het inleidende verzoekschrift. De beschreven bevoegdheid van de Nederlandse rechter in de bodemzaak sluit in beginsel een bevoegdheid in om verlof te verlenen tot het leggen van conservatoir beslag op de door Breijer c.s. genoemde onroerende zaken, ook al bevinden deze zich buiten Nederland. Het beslagverlof zal in zoverre grensoverschrijdend kunnen zijn.

3.3.

De bodemzaak is aanhangig gemaakt bij de rechtbank Amsterdam, zodat in eerste aanleg de voorzieningenrechter van die rechtbank bevoegd was en, dus, in hoger beroep dit hof bevoegd is van het gedane verzoek kennis te nemen. Of grond bestaat voor verlening van verlof tot het leggen van grensoverschrijdend beslag zoals door Breijer c.s. verzocht, moet worden beoordeeld aan de hand van de maatstaf neergelegd in artikel 700, tweede lid, Rv. Daarin is bepaald dat de voorzieningenrechter beslist na summier onderzoek. Dat onderzoek vereist dat op grond van de stellingen van de verzoeker en hetgeen deze ter onderbouwing daarvan heeft aangevoerd, summierlijk moet blijken van de deugdelijkheid van de vordering tot verzekering waarvan het beslag strekt. Het is daarbij aan de verzoeker om feiten en omstandigheden te stellen die summierlijk de deugdelijkheid van de door hem gestelde vordering aantonen. Het voorgaande brengt niet mee dat de voorzieningenrechter bij de beoordeling van het verzoek om beslagverlof een voorlopig oordeel moet geven over de gegrondheid van die vordering, maar wel dat hij na het door artikel 700, tweede lid, Rv bepaalde summiere onderzoek de deugdelijkheid daarvan zal moeten kunnen aannemen. In hoger beroep is het hof aan dezelfde maatstaf gebonden. Anders dan Breijer c.s. onder 36 in het beroepschrift betogen, is voor een summiere beoordeling van de deugdelijkheid van de vordering niet pas plaats in een geding strekkend tot opheffing van een eenmaal gelegd beslag, nadat verlof tot het leggen daarvan is verleend. Artikel 700, tweede lid, Rv voorziet immers reeds in een summier onderzoek voordat op het verzoek tot het verlenen van beslagverlof wordt beslist, welk onderzoek die beslissing dient zoals hiervoor omschreven.

3.4.

Het bovenstaande tot uitgangspunt nemend overweegt het hof als volgt. Uit het inleidende verzoekschrift, de schriftelijke aanvulling daarop die Breijer c.s. in eerste aanleg hebben ingediend en het beroepschrift blijkt dat de vordering tegen [geïntimeerde] tot verzekering waarvan zij beslag willen leggen, op de eerste plaats is gegrond op aansprakelijkheid van [geïntimeerde] wegens onbehoorlijke taakvervulling als middellijk bestuurder van Hureco. Breijer c.s. doen daartoe een beroep op het bepaalde in de artikelen 2:9 en 2:11 BW. Het bepaalde in artikel 2:9 BW ziet echter uitsluitend op de verplichting van een bestuurder tot een behoorlijke vervulling van zijn taak tegenover de rechtspersoon waarvan hij bestuurder is. Handelen in strijd met die verplichting kan daarom in beginsel alleen tegenover die rechtspersoon leiden tot persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder. Artikel 2:9 BW levert dus niet een zelfstandige grond op voor een vordering van derden aan wie de rechtspersoon – al dan niet krachtens rechterlijke uitspraken zoals onder 2.1 bedoeld – bedragen verschuldigd is, zoals Breijer c.s. Het bepaalde in artikel 2:11 BW legt dezelfde aansprakelijkheid ook op middellijke bestuurders, zonder uitbreiding van de kring van degenen tegenover wie laatstgenoemden op grond van artikel 2:9 BW aansprakelijk kunnen zijn, tot anderen dan de rechtspersoon. Uit het beroep van Breijer c.s. op de artikelen 2:9 en 2:11 BW in verband met de taakvervulling van [geïntimeerde] als middellijk bestuurder van Hureco, kan daarom niet summierlijk de deugdelijkheid van de vordering blijken.

3.5.

Breijer c.s. hebben aan de vordering waarop het door hen verzochte beslagverlof betrekking heeft, op de tweede plaats ten grondslag gelegd aansprakelijkheid van [geïntimeerde] wegens onrechtmatig handelen als middellijk bestuurder van Hureco in verband met de niet-betaling van de bedragen waartoe laatstgenoemde bij het onder 2.1 genoemde vonnis en arrest is veroordeeld. In dit verband hebben Breijer c.s. erop gewezen dat [geïntimeerde] degene was die het bij Hureco voor het zeggen had, dat hij het doen van betalingen door Hureco heeft stopgezet en dat hij in het geding dat heeft geleid tot het onder 2.1 genoemde vonnis, heeft meegedeeld dat Hureco hoe dan ook geen verhaal bood. Breijer c.s. zien echter over het hoofd dat voor persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder of middellijk bestuurder jegens een schuldeiser van de rechtspersoon wegens onrechtmatig handelen, niet voldoende is dat die schuldeiser wordt benadeeld door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van zijn vordering op de rechtspersoon, ook niet indien dat onbetaald en onverhaalbaar blijven het gevolg is van gedragingen van de bestuurder of middellijk bestuurder. Vereist is dat de bestuurder of middellijk bestuurder persoonlijk een voldoende ernstig verwijt treft voor het onbetaald en onverhaalbaar blijven van de vordering van de schuldeiser op de rechtspersoon. Noch in het verzoekschrift en de aanvulling daarop, noch in het beroepschrift, hebben Breijer c.s. afdoende feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan moet worden aangenomen dat [geïntimeerde] daarvoor persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Ook in verband met het gestelde onrechtmatig handelen is daarom niet summierlijk van de deugdelijkheid van de vordering gebleken.

3.6.

Bij het bovenstaande is in het bijzonder van belang dat uit het enkele feit dat een rechtspersoon een vordering onbetaald laat en voor de voldoening ervan geen verhaal biedt, op zichzelf niet volgt dat de handelende natuurlijke persoon persoonlijk een ernstig verwijt treft. Daarvoor zijn bijkomende feiten en omstandigheden vereist. Anders dan Breijer c.s. onder 12 in het inleidende verzoekschrift en op bladzijde 4 van de aanvulling daarop doen voorkomen, is hiertoe niet toereikend het instellen van hoger beroep door [geïntimeerde] namens Hureco tegen het onder 2.1 genoemde vonnis, waarbij Hureco tot betaling van een hoofdsom van in totaal € 211.077,42 aan Breijer c.s. is veroordeeld. In dit verband verdient verder nog overweging dat Breijer c.s. niet alleen [geïntimeerde] , maar ook de onder 2.3 genoemde andere middellijke bestuurders van Hureco, [X] en [Y] , aansprakelijk houden voor de schade die zij lijden doordat Hureco haar betalingsverplichtingen jegens hen niet is nagekomen en dat de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam de ten laste van deze andere middellijke bestuurders gelegde conservatoire beslagen heeft opgeheven, zoals onder 2.4 vermeld. Die voorzieningenrechter heeft daartoe onder meer overwogen dat aannemelijk is dat de vorderingen van Breijer c.s. tegen laatstgenoemden ondeugdelijk zijn. In het hoger beroep dat Breijer c.s. tegen het desbetreffende vonnis hebben ingesteld, was op het tijdstip van de mondelinge behandeling van het huidige hoger beroep nog geen uitspraak gedaan. Bij deze stand van zaken had het op de weg van Breijer c.s. gelegen met feiten toe te lichten dat ofschoon de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam niet summierlijk de deugdelijkheid van de vorderingen van Breijer c.s. tegen de middellijke medebestuurders van [geïntimeerde] heeft aangenomen, thans wel summierlijk de deugdelijkheid van de – op dezelfde grondslagen gestoelde – vordering tegen [geïntimeerde] tot verzekering waarvan zij beslag willen leggen, moet worden aangenomen. Een dergelijke toelichting ontbreekt.

3.7.

Het hierboven overwogene brengt mee dat het verzoek van Breijer c.s. om verlening van verlof tot het leggen van grensoverschrijdend conservatoir beslag ten laste van [geïntimeerde] ter verzekering van het verhaal van de in de bodemzaak tegen deze ingestelde vordering, ook in hoger beroep niet toewijsbaar is. Het beroepschrift bevat een reeks klachten, uitgewerkt in vier grieven met toelichtingen, over de procesgang in eerste aanleg en de overwegingen waarop de afwijzende beslissing van de voorzieningenrechter berust, waaronder een uitgebreide klacht over de toepassing door de voorzieningenrechter van het bepaalde in artikel 21 Rv. Nu het verzoek reeds om de hierboven besproken redenen niet toewijsbaar is, behoeven die klachten, en daarmee de grieven, geen bespreking bij gebrek aan voldoende belang.

3.8.

De slotsom uit het bovenstaande is dat het hoger beroep tevergeefs is ingesteld en dat de bestreden beschikking zal worden bekrachtigd. De kosten van het geding in hoger beroep komen voor rekening van Breijer c.s. Aangezien [geïntimeerde] niet is verschenen, is voor een daartoe strekkende proceskostenveroordeling geen aanleiding, zodat deze achterwege wordt gelaten.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking.

Deze beschikking is gegeven door mrs. W.H.F.M. Cortenraad, M.L.D. Akkaya en F.J. Verbeek en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 10 september 2019.