Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:3375

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-09-2019
Datum publicatie
24-09-2019
Zaaknummer
200.213.396/01 NOT
Formele relaties
Herstelarrest: ECLI:NL:GHAMS:2017:3174
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eindbeslissing na tussenbeslissing en horen van getuigen. Naar het oordeel van het hof is klaagster niet geslaagd in het leveren van het van haar verlangde bewijs. Het hof bevestigt de beslissing van de kamer, waarin klaagster niet-ontvankelijk is verklaard in haar klacht (vervaltermijn).

Zie ECLI:NL:GHAMS:2017:3174.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.213.396/01 NOT

nummer eerste aanleg : C/05/311806 KL RK 16-133

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 17 september 2019

inzake

[klaagster] ,

wonend te [woonplaats 1] ,

appellante,

gemachtigde: mr. F.W. Horstman, advocaat te Velsen-Zuid,

tegen

mr. [naam] ,

oud-notaris te [woonplaats 2] ,

geïntimeerde,

gemachtigde: mr. J. Mencke, advocaat te Amsterdam.

1 Het verdere geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna klaagster respectievelijk de oud-notaris genoemd.

1.2.

Op 8 augustus 2017 heeft het hof in deze zaak een tussenbeslissing gegeven

(ECLI:NL:GHAMS:2017:3174). Voor het verloop van het geding, de weergave van de feiten en de standpunten van partijen tot aan deze tussenbeslissing verwijst het hof naar deze beslissing.

1.3.

Het hof heeft in de tussenbeslissing klaagster toegestaan door het horen van getuigen te bewijzen dat zij pas in juli 2015 op de hoogte is geraakt van het feit dat zij met [X] (hierna ook: [X] ) is getrouwd onder huwelijkse voorwaarden, inhoudende koude uitsluiting. Iedere verdere beslissing is aangehouden.

1.4.

Op 29 maart 2018 zijn aan de zijde van klaagster als getuigen gehoord: klaagster zelf, mr. [getuige 1] (hierna: [getuige 1] ), [getuige 2] (hierna: de ex-schoonmoeder van klaagster), [getuige 3] (hierna: de ex-schoonvader van klaagster), [getuige 4] (hierna: de zus van klaagster) en [getuige 5] (hierna: de moeder van klaagster). [getuige 1] heeft zich tijdens dit getuigenverhoor op haar verschoningsrecht beroepen.

1.5.

Bij beslissing van 29 mei 2018 heeft de raadsheer-commissaris – kort samengevat – bepaald dat [getuige 1] alsnog als getuige dient te verschijnen op een nader te bepalen getuigenverhoor.

1.6.

Op 9 oktober 2018 is aan de zijde van klaagster [getuige 1] opnieuw als getuige gehoord. Aan de zijde van de oud-notaris zijn [X] (de ex-echtgenoot van klaagster), [getuige 6] , [getuige 7] en [getuige 8] (vrienden/oud-collega’s van [X] ) als getuigen gehoord.

Van de verhoren zijn processen-verbaal opgemaakt, die zich bij de stukken bevinden.

1.7.

Namens klaagster zijn op 7 juni 2019 producties bij het hof ingediend.

1.8.

De mondelinge behandeling in deze zaak is voortgezet ter openbare terechtzitting van
20 juni 2019. Klaagster en haar gemachtigde, alsmede de gemachtigde van de oud-notaris zijn verschenen. Beide gemachtigden hebben het woord gevoerd aan de hand van een pleitnota. De oud-notaris is, met berichtgeving vooraf, niet verschenen.

2 Beoordeling

2.1.

Bij de voortzetting van de mondelinge behandeling heeft de gemachtigde van de oud-notaris er bezwaar tegen gemaakt dat het hof de op 7 juni 2019 ingediende producties in zijn beoordeling betrekt, op de grond dat deze producties reeds eerder ingediend hadden kunnen worden. Dit bezwaar wordt verworpen. De producties zijn op tijd ingediend en van een zodanige aard en omvang dat de oud-notaris voldoende gelegenheid heeft gehad om een reactie erop voor te bereiden.

2.2.

Ter beoordeling aan het hof ligt nog voor de vraag of klaagster ontvankelijk is in klachtonderdeel i. van haar op 16 juni 2016 bij de kamer ingediende klacht, inhoudende dat de oud-notaris in 1999 niet heeft onderzocht welke bedoelingen klaagster en [X] hadden met hun huwelijkse voorwaarden.

2.3.

Sinds 1 mei 2016 geldt voor de klachttermijn het huidige artikel 99 lid 21 van de Wet op het notarisambt (hierna: Wna), inhoudende, samengevat weergegeven, dat een klacht slechts kan worden ingediend gedurende drie jaren na de dag waarop de klager van het handelen of nalaten van de notaris kennis heeft genomen, dan wel gedurende een jaar na de datum waarop de gevolgen van het handelen of nalaten van de notaris redelijkerwijs als bekend geworden zijn aan te merken. Op grond van het overgangsrecht is dit huidige artikellid ook van toepassing op de onderhavige zaak.

2.4.

Klaagster stelt ontvankelijk te zijn in klachtonderdeel i., nu zij pas op 7 juli 2015 op de hoogte is geraakt van het feit dat zij met [X] is getrouwd onder huwelijkse voorwaarden, inhoudende koude uitsluiting. Pas toen is klaagster duidelijk geworden dat de oud-notaris de afspraken tussen haar en [X] over de huwelijkse voorwaarden niet (juist) had opgenomen in de akte.

2.5.

Klaagster is in de tussenbeslissing toegelaten deze stelling te bewijzen en in dat kader zijn de navolgende getuigen gehoord.

De getuige [getuige 1] heeft het volgende, voor zover hier van belang, verklaard:

“Mevrouw [klaagster] heeft mij op een gegeven moment benaderd in verband met de echtscheiding. Wanneer dat geweest is weet ik niet meer.

Ik kan me nog herinneren dat mevrouw [klaagster] in juli 2015 contact met mij gezocht heeft. Ik heb vaker telefonisch contact gehad met mevrouw [klaagster] . (...) In juli 2015 heb ik voor de eerste keer met mevrouw [klaagster] over huwelijkse voorwaarden gesproken. Toen ik de eerste keer met mevrouw [klaagster] over de huwelijkse voorwaarden sprak, kreeg ik de indruk dat zij niet wist wat deze huwelijkse voorwaarden inhielden. Ik heb toen met haar besproken wat die voorwaarden inhielden. Ik heb haar toen uitgelegd wat koude uitsluiting betekende, mevrouw [klaagster] ging ervan uit dat het voor haar beter geregeld was. Wat zij daar precies onder verstond, weet ik niet meer. Rond juli 2015 werd ik ook voor de eerste keer geconfronteerd met die huwelijkse voorwaarden. Ik weet niet meer precies of ik toen voor de eerste keer werd geconfronteerd met de koude uitsluiting, maar ik denk van wel. Ik weet niet meer van wie ik de huwelijkse voorwaarden gekregen heb. (…)

In die tijd, juli 2015, was [A] advocaat van de echtgenoot van mevrouw [klaagster] . Ik had contact met haar, maar wanneer, waarover weet ik niet meer. Ik weet niet of ik de huwelijkse voorwaarden van mevrouw [A] heb gekregen.”

Klaagster heeft als getuige onder meer het volgende verklaard:

“(…) Met mijn ex-echtgenoot was van te voren afgesproken dat bij echtscheiding ieder de helft zou krijgen, van alles. Van die afspraak is een handgeschreven notitie gemaakt. Die notitie is door mijn ex-echtgenoot gemaakt. (…)

(…) heeft mijn ex toen contact gezocht met zijn ouders in [plaats] en gevraagd of zij een notaris kende. Ik ben er niet bij aanwezig geweest toen hij zijn ouders belde. Vervolgens heeft hij mij medegedeeld dat het geregeld was met een notaris, dat was vastgelegd wat we hadden afgesproken en dat wij (…) naar het consulaat konden in [buitenlandse stad] ter ondertekening. Ik wist niet welke notaris benaderd was en ik heb ook geen contact met hem gehad. Voordat we naar het consulaat gingen, heb ik geen stuk doorgelezen. Ik kan me niet herinneren dat door de notaris naar ons iets is toegestuurd voordat we naar het consulaat gingen, ik heb in elk geval niets gezien.

Bij de Consul is over allerlei zaken gesproken. De inhoud van hetgeen ik moest ondertekenen is niet besproken. Ik heb het stuk ook niet van te voren gelezen. (…) Het enige dat ik me kan herinneren is, dat hij gezegd heeft dat het ging om de huwelijkse voorwaarden die wij wilden overeenkomen. Nadat we het stuk hadden ondertekend, zijn we gegaan. Ik heb het stuk niet meegenomen. (…)

10 april 2015 verliet mijn man de echtelijke woning. In mei 2015 heb ik contact gezocht met een advocaat, mevrouw [getuige 1] . 7 juli 2015 is er een overleg geweest tussen mijn man en mij en adviseurs. (…) Rond 18:00 uur diezelfde dag belde mevrouw [getuige 1] mij opnieuw met de mededeling dat zij contact had gehad met de advocaat van mijn ex, mevrouw [A] , die haar mededeelde dat zij van mijn ex gehoord had dat onze huwelijkse voorwaarden een koude uitsluiting inhielden. Mevrouw [getuige 1] vroeg mij toen of ik wist wat dat betekende. Ik wist dat niet en zij vertelde mij toen dat dat inhield dat ik niets zou krijgen.

Ik heb 7 juli 2015 mijn moeder in de avond nog een keer gebeld en haar medegedeeld wat ik rond 18:00 uur van mevrouw [getuige 1] had gehoord. Mijn moeder was stomverbaasd en zei dat kan niet. Mijn moeder is niet betrokken geweest bij het opstellen c.q. vaststellen van de huwelijkse voorwaarden. (...) Diezelfde avond heb ik ook nog mijn schoonmoeder gebeld met wie ik altijd goed contact heb gehad. Mijn schoonvader heeft dat gesprek meebeluisterd (...). Ook mijn schoonouders waren stomverbaasd dat in onze huwelijkse voorwaarden koude uitsluiting zou zijn opgenomen. Een aantal weken daarna heb ik het er met mijn zus over gehad, ook zij was stomverbaasd dat in onze huwelijkse voorwaarden een koude uitsluiting is opgenomen.

In 2012 is mijn ex een paar dagen weggeweest. In verband daarmee heb ik contact gezocht met mevrouw [getuige 1] . Er is toen met haar niet over financiële zaken gesproken, maar alleen over hoe ik mijn leven wilde indelen als er een echtscheiding kwam. (...)”

De ex-schoonmoeder van klaagster heeft, voor zover van belang, het volgende verklaard:

“(...) In juli 2015 heb ik voor de eerste keer gehoord over huwelijkse voorwaarden die mijn zoon en zijn vrouw zouden hebben gesloten. Ik heb dat gehoord van mijn ex-schoondochter. Zij vertelde mij dat per telefoon. Voor zover ik mij kan herinneren, heeft zij toen gezegd: ‘ik krijg geen cent’. Ze was opgewonden. Op dat moment had ik de indruk dat dat nieuw voor haar was. Uit het feit dat ze opgewonden was, kreeg ik de indruk dat ze dat voor de eerste keer hoorde. Ik dacht toen ik dat hoorde: dat kan niet, want er is toch altijd sprake van alimentatie. We hebben niet gesproken over het vermogen van de echtelieden. (…)”

De ex-schoonvader van klaagster heeft, voor zover van belang, het volgende verklaard:

“(…) Het kan zijn dat mijn zoon mij ooit benaderd heeft voor een naam van een notaris, maar ik kan het mij niet herinneren. (…)Voor het eerst heb ik vernomen van het huwelijksgoederenregime waarin mijn zoon getrouwd was in de periode dat de echtscheiding liep. Wanneer dat precies geweest is weet ik niet meer. Uit de agenda van mijn vrouw heb ik onlangs begrepen dat dat in de zomer van 2015 (juli) is geweest. In telefoongesprekken met mijn ex-schoondochter is het huwelijksgoederenregime aan de orde geweest. Ik herinner mij alleen het gesprek waarin zij aankondigde dat zij niets kreeg, nergens recht op had. Ze bracht die mededeling nogal opgewonden, emotioneel. Ik kon me niet voorstellen dat ze geen alimentatie zou krijgen, dus ik dacht dat haar opmerking betrekking had op het vermogen.”

De zus van klaagster heeft, voor zover van belang, het volgende verklaard:

“(…) Vrij snel nadat mijn zus getrouwd is, heb ik van haar vernomen dat er huwelijkse voorwaarden waren gemaakt. Over de inhoud daarvan is toen geen mededeling gedaan. Op 20 april 2015, de verjaardag van mijn zus (partij [klaagster] ), hoorde ik dat haar man bij haar wegging. Enkele maanden later vroeg ze aan mij of ik wist wat koude uitsluiting was. Ik hoorde die term toen voor de eerste keer. Ik wist niet wat het betekende en zij ook niet. Ik heb haar toen niet gevraagd waarom zij mij dat vroeg. Ik kan mij niet meer herinneren hoe dat gesprek precies gegaan is. Het woord koude uitsluiting had mijn zus (…) nog nooit gehoord en het was een verrassing voor haar. Zij had dat toen voor de eerste keer gehoord. Ik ben er niet verder op doorgegaan, want ik vond het niet interessant. (…)”

De moeder van klaagster heeft, voor zover van belang, het volgende verklaard:

“(…) Voordat zij trouwde, is er nooit gesproken over het huwelijksgoederenregime waarin zij zou trouwen. Ik heb ook nooit iets gehoord over het maken van huwelijkse voorwaarden. Op 7 juli 2015 is mijn dochter naar mr. [getuige 1] geweest, haar advocaat. Zij had die geraadpleegd omdat haar man toen al weg was. Zij vertelde me dat ze in de ochtend naar haar advocaat zou gaan. Naderhand vertelde ze me, dat het alleen over een kastje ging in dat gesprek, terwijl zij hele andere dingen had verwacht. In de avond belde zij mij in paniek op en had ze het over koude uitsluiting. Ik had er nog nooit van gehoord. Ik vroeg haar wat dat betekende. Ze vertelde me dat dat inhield dat ze niks zou krijgen. We hebben het er toen niet over gehad of dat sloeg op alimentatie dan wel vermogen dan wel beide. Ik dacht nog eerst dat ze met koude uitsluiting ‘koude kant’ bedoelde. Uit de manier waarop zij het mij vertelde, werd mij duidelijk dat zij absoluut niet wist dat zij in koude uitsluiting getrouwd was. Ik heb ook nooit met mijn ex-schoonzoon gesproken over huwelijkse voorwaarden.”

2.6.

Van de zijde van de oud-notaris zijn eveneens getuigen gehoord die, voor zover van belang, het volgende hebben verklaard.

De getuige [X] :

“In de weken voorafgaand aan ons bezoek aan de Consul in [buitenland] , is door notaris [naam] de conceptakte van onze huwelijkse voorwaarden via de thuisfax naar ons toegezonden. Wij hebben toen samen die akte doorgenomen. Bij die akte zaten ook andere documenten waarin de notaris tekst en uitleg gaf over de inhoud van de huwelijkse voorwaarden. De zogenaamde “belehrung” werd in aparte documenten verstrekt. Dit geldt ook voor de conceptakte die uiteindelijk geleid heeft tot onze huwelijkse voorwaarden, zoals die opgenomen zijn in de akte die door de Consul is gepasseerd. Door de notaris [naam] is in een document dat bij die conceptakte zat, uitgelegd wat koude uitsluiting inhield. In die tijd had ik een functie waardoor ik veel moest reizen. Mijn vrouw onderhield de contacten met notaris [naam] via de fax en wellicht ook telefonisch. De stukken die van notaris [naam] kwamen, werden vervolgens door ons samen besproken. Het ging met name om de koude uitsluiting en die is door ons besproken.

(…)

Volgens mij heeft mevrouw [klaagster] goed begrepen wat koude uitsluiting inhield: voor haar was belangrijk dat bij een eventuele echtscheiding alimentatie betaald zou worden en dat het vermogen uiteindelijk naar de kinderen zou gaan. Ik heb over de koude uitsluiting die in onze huwelijkse voorwaarden was opgenomen nooit met mijn ouders gesproken. Ik heb een vrij schaars contact met mijn ouders. Dit hangt samen met omstandigheden uit het verleden.

Bij de Consul zijn de hoofdpunten door de Consul aan de orde gesteld en toegelicht. Door vragen aan ons beiden te stellen, heeft de Consul zich ervan vergewist dat wij beiden wisten wat wij ondertekenden. In dat gesprek is de koude uitsluiting aan de orde geweest. Dat was het PUNT van de akte. Mij is bekend dat mevrouw [klaagster] een zaak tegen de Nederlandse staat heeft aangespannen, omdat de Consul niets uit de akte zou hebben voorgelezen. In die zaak heeft de Consul een verklaring afgelegd. Voor zover mij bekend is die zaak ingetrokken. Toen de huwelijksrelatie tussen mevrouw [klaagster] en mij minder goed werd, is de koude uitsluiting vaker onderwerp van gesprek geweest. (…)

Tweemaal is veranderen van de huwelijkse voorwaarden expliciet aan de orde geweest:

1. Bij onze terugkeer naar Nederland in 2010. Dat hing samen met de aankoop van de echtelijke woning;

2. In december 2012 heb ik een tijd elders gewoond. In verband met de kinderen ben ik teruggekeerd. Mevrouw [klaagster] had toen contact gehad met een echtscheidingsadvocaat. Als voorwaarde om terug te kunnen keren, werd gesteld dat de koude uitsluiting ongedaan moest worden gemaakt.

(…) Deze productie is gemaakt in de weken voorafgaand aan het bezoek aan de Consul. Deze aantekeningen heb ik gemaakt in verband met de gesprekken die ik met mevrouw [klaagster] had over de huwelijkse voorwaarden. Dit waren mijn aantekeningen van die gesprekken. Uit deze productie blijkt dat er verschillende vormen van huwelijkse voorwaarden zijn besproken door mij en mevrouw [klaagster] .

(…)”

De getuige [getuige 6] voornoemd:

“(…)

In 2002 heb ik de eerste keer gehoord dat mevrouw [klaagster] en de heer [X] huwelijkse voorwaarden hadden. Ik was toen ik dat hoorde niet verbaasd, want ik ben er altijd vanuit gegaan dat hij daarvan niet zou afwijken, van het trouwen onder huwelijkse voorwaarden. Ik wist niet wat de huwelijkse voorwaarden precies inhielden, maar van mevrouw [klaagster] heb ik gehoord dat zij niet in de vermogensopbouw van de heer [X] zou delen. Ik heb dat van mevrouw [klaagster] in 2002 in [buitenland] gehoord.

Dit onderwerp “koude uitsluiting” is ook gespreksonderwerp geweest tussen mevrouw [klaagster] en mij in 2010. Op uw vraag waarom mevrouw [klaagster] haar huwelijksregime toen met mij besprak, antwoord ik dat dit samenhing met het feit dat ik ook een huwelijkscrisis achter de rug had, waar ik goed uitgekomen was. Bovendien was ik toen op bezoek bij de heer [X] en mevrouw [klaagster] , de heer [X] was nog aan het werk, en was ik met mevrouw [klaagster] alleen. Wat koude uitsluiting inhoudt, weet ik tot op de dag van vandaag nog niet exact. Ik had wel van mevrouw [klaagster] begrepen dat zij blij was dat de woning mede op haar naam stond, omdat zij dan zou delen in de waardestijging. Mevrouw [klaagster] en/of de heer [X] hebben mij nooit verteld wat “koude uitsluiting” precies inhield. Mevrouw [klaagster] gebruikte wel de term “koude uitsluiting”. In 2002 heeft mevrouw [klaagster] voor de eerste keer het begrip “koude uitsluiting” genoemd. (…)”

De getuige [getuige 7] voornoemd:

“(…) Voorjaar 1999 werden mijn vrouw en ik opgebeld door de heer [X] en mevrouw [klaagster] met de mededeling dat ze gingen trouwen. Dat was een gesprek tussen mij en mijn vrouw enerzijds en de heer [X] en mevrouw [klaagster] anderzijds. (...) In dat gesprek kwam het volgende aan de orde:

1. [X] wilde eigenlijk niet trouwen;

2. Het kind (zoon [kind] ) zou verzekerd moeten worden via de ziektekostenverzekering van zijn vader;

3. Het vermogen van [X] en het vermogen van de ouders van mevrouw [klaagster] moesten gescheiden blijven, dat was een voorwaarde van [X] onder welke hij wel wilde trouwen;

4. Ik heb mevrouw [klaagster] gevraagd wat zij daarvan vond. Mevrouw [klaagster] was daar niet gelukkig mee, maar omdat het vermogen uiteindelijk toch bij de kinderen terecht zou komen, kon ze er wel mee leven.

Het was een compromis tussen beiden.

Ook van belang was dat mevrouw [klaagster] op die manier in [buitenland] kon blijven.

Het regime waaronder getrouwd wordt, is opnieuw aan de orde geweest in het voorjaar 2001. Ik ben in juni 2001 getrouwd en in dat verband hebben we in het voorjaar 2001 met de heer [X] en mevrouw [klaagster] gesproken over het regime waaronder zij getrouwd waren en waaronder wij zouden gaan trouwen. In dat gesprek is door mevrouw [klaagster] aan mijn vrouw uitgelegd wat “koude uitsluiting” inhield. Zij heeft in dat gesprek ook aangegeven dat de heer [X] en zij onder de huwelijkse voorwaarden, koude uitsluiting, getrouwd waren. Mevrouw [klaagster] heeft vaker bij mij aangekaart dat de heer [X] alles had en zij niks. De term “koude uitsluiting” is daarbij niet genoemd. Ik vond het vreemd dat mevrouw [klaagster] daarover steeds begon tegen mij, ik hield mij er zoveel mogelijk buiten. Het bevorderde niet de sfeer. (…)”

De getuige [getuige 8] voornoemd:

“(…) Uit de agenda van 2006 is mij gebleken dat wij op 24 november 2006 geluncht hebben bij mevrouw [klaagster] thuis. “Wij” waren in dit verband: mevrouw [klaagster] , mevrouw [B] en ik. Alle drie zijn uit Nederland afkomstig. We konden dus Nederlands praten. Tijdens die lunch kwam aan de orde dat mijn huidige partner in een gecompliceerde echtscheiding zat. Ik zei toen dat als ik zou gaan scheiden nergens recht op zou hebben en dat ik hoopte dat hij geld zou geven voor onze zoon. Mevrouw [klaagster] zei toen dat als zij zou gaan scheiden, zij nergens recht op zou hebben. Mevrouw [B] en ik waren zeer verbaasd en wij merkten op dat dat alleen maar kan als je onder huwelijkse voorwaarden bent gehuwd. Mevrouw [klaagster] zei toen dat dat ook zo was, dat ze onder huwelijkse voorwaarden was getrouwd. Mevrouw [B] en ik waren daarover verbouwereerd en vroegen mevrouw [klaagster] waarom dat zo was. Zij gaf toen te kennen dat de heer [X] dat wilde. Ik gaf aan dat ik mij dat niet kon voorstellen, omdat ik zelf ook gescheiden ben en wist dat je alimentatie krijgt voor je kinderen en jezelf gedurende een aantal jaren. Mevrouw [klaagster] heeft toen niet aangegeven dat zij bedoelde dat ze van het vermogen niets zou krijgen. Ze raakte wel erg geëmotioneerd. Mevrouw [B] en ik hebben haar toen gevraagd waarom zij daarover niet met de heer [X] sprak als het haar zo dwars zat en de heer [X] voorstelde daaraan iets te doen. Mevrouw [klaagster] gaf aan dat zij daar een ‘hard hoofd’ in had. Naderhand heb ik daar nooit meer met mevrouw [klaagster] over gesproken. (…)”

2.7.

Naar het oordeel van het hof is met het doen horen van de hierboven onder 2.5. genoemde getuigen klaagster, mede gelet op de verklaringen van de hierboven onder 2.6. genoemde getuigen, niet geslaagd in het leveren van het van haar verlangde bewijs. In de verklaringen van de getuigen van klaagster valt enkel een beschrijving te lezen van de emotionele toestand van klaagster toen zij contact had gehad met haar advocaat over de aanstaande echtscheiding van haar en [X] . Daaruit kan niet de conclusie worden getrokken dat klaagster (pas) in juli 2015 op de hoogte is geraakt van het feit dat zij met [X] is getrouwd onder huwelijkse voorwaarden, inhoudende koude uitsluiting. De door klaagster na de getuigenverhoren nog bij het hof ingediende producties leveren geen of onvoldoende (steun)bewijs op voor klaagsters te bewijzen stelling.

Dit betekent dat moet worden aangenomen dat op 16 juni 2016, toen klaagster de klacht indiende, zowel de termijn van drie jaren na de dag waarop de klager van het handelen of nalaten van de notaris kennis heeft genomen, als de termijn van één jaar na de datum waarop de gevolgen van het handelen of nalaten van de notaris redelijkerwijs als bekend geworden zijn aan te merken, reeds waren verstreken. De kamer heeft klaagster dus ook in klachtonderdeel i. terecht niet-ontvankelijk verklaard.

2.8.

Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing, waarbij klaagster als de in het ongelijk gestelde partij zal worden veroordeeld in de kosten van de getuigen.

3 Beslissing

Het hof:

- bevestigt de bestreden beslissing;

- veroordeelt klaagster tot vergoeding van de taxen van de getuigen, begroot op € 240,- voor [getuige 4] , € 550,- voor [getuige 6] en € 550,- voor [getuige 6] .

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.D.R.M. Boumans, G.C.C. Lewin en T.K. Lekkerkerker en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2019 door de rolraadsheer.