Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:3353

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-09-2019
Datum publicatie
16-09-2019
Zaaknummer
200.256.066/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

De gronden voor de uithuisplaatsing van de kinderen waren aanwezig ten tijde van de bestreden beschikking en voor de duur van de daarbij verleende machtiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.256.066/01

zaaknummer rechtbank: C15/279740 / JU RK 18-1801

beschikking van de meervoudige kamer van 10 september 2019 inzake

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats 1] , gemeente [gemeente] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. H.S. Franken te Zoetermeer,

en

de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming

en Jeugdreclassering,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de GI.

Als belanghebbenden zijn verder aangemerkt:

- [de vader] , wonende te [woonplaats 2] (hierna te noemen: de vader), advocaat mr. R.J.C. Silven te Volendam;

- [A] en [B] (hierna de te noemen: de grootouders);

- de minderjarige [minderjarige 1] (hierna te noemen: [kind A] );

- de minderjarige [minderjarige 2] (hierna te noemen: [kind B] );

- de minderjarige [minderjarige 3] (hierna te noemen: [kind C] ).

Als informanten zijn aangemerkt:

- de pleegouders van [kind B] ;

- de pleegouders van [kind C] .

In zijn adviserende taak is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming.

locatie Haarlem,

hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de kinderrechter) van 14 december 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De moeder is op 12 maart 2019 in hoger beroep gekomen van bovengenoemde beschikking.

2.2

De GI heeft op 10 april 2019 een verweerschrift ingediend.

2.3

De vader heeft op 10 april 2019 een verweerschrift ingediend.

2.4

[kind A] heeft zijn mening per brief kenbaar gemaakt.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op 29 april 2019 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de GI, vertegenwoordigd door de betrokken jeugdzorgwerkers;

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de grootouders;

- de pleegvader van [kind C] ;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [X] .

3 De feiten

3.1

Uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk van de moeder en de vader (hierna gezamenlijk te noemen: de ouders) zijn geboren:

- [kind A] op [geboortedatum ] 2005;

- [kind B] op [geboortedatum ] 2008;

- [kind C] op [geboortedatum ] 2008 (hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen).

De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit.

3.2

De kinderen staan sinds 7 mei 2015 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 7 mei 2019.

3.3

Bij beschikking van de kinderrechter van 29 september 2017 is een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen verleend voor plaatsing in het netwerk van de kinderen en aansluitend, voor [kind B] en [kind C] , een plaatsing in een pleeggezin, en voor [kind A] een plaatsing op een observatieplek in de jeugdhulpverlening dan wel in een verpleegkundig kinderzorghuis, met ingang van 29 september 2017 voor de duur van vier weken. De uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg is laatstelijk verlengd tot uiterlijk 20 december 2018.

3.4

[kind A] woont sinds 29 september 2017 bij de grootouders, zij zijn de ouders van de vader, zij vormen een perspectief biedend pleeggezin voor hem.

[kind B] heeft begin 2018 enige tijd in een crisispleeggezin gewoond, hier kan hij sinds 14 december 2018 definitief blijven.

[kind C] woont sinds oktober 2018 in een perspectief biedend pleeggezin.

3.5

Het NIFP heeft in opdracht van de GI forensisch psychologisch onderzoek gedaan betreffende de moeder, de vader en de kinderen afzonderlijk, en daarvan op 23 november 2018 rapport(en) uitgebracht.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is de machtiging uithuisplaatsing van de kinderen in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot uiterlijk 7 mei 2019.

4.2

De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing van de kinderen (alsnog) af te wijzen.

4.3

De GI verzoekt het verzoek van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4.4

De vader verzoekt het verzoek van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ter beoordeling aan het hof ligt voor of de gronden voor de machtiging uithuisplaatsing ten tijde van de bestreden beschikking en voor de duur van de machtiging, aanwezig waren

5.2

Ingevolge artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

5.3

De moeder is van mening dat de kinderrechter ten onrechte de machtiging uithuisplaatsing heeft verlengd. Sinds de uithuisplaatsing is geen deugdelijk onderzoek verricht en zeker niet gewerkt aan terugkeer van de kinderen naar de moeder. Doordat door of vanuit de GI geen adequate hulpverlening is geboden, is sprake van een verslechtering van het welzijn van de kinderen. Inmiddels is de raad van mening dat het gezag van de ouders beëindigd moet worden, omdat zij geen toestemming willen geven voor de nodige medische behandelingen van [kind A] . De moeder geeft echter wel degelijk toestemming voor de medische behandeling van [kind A] . Ook heeft zij nog nooit afspraken geweigerd of afgezegd. Toen [kind A] nog thuis woonde kende hij geen angst voor de moeder. Dat hij nu angstig is en de moeder niet wil zien, komt doordat de raad, de GI en de grootouders hem vertellen dat de moeder hem ziek heeft gemaakt. Tot op heden is geen gesprek tot stand gebracht tussen haar en [kind A] om het contact te verbeteren en de angst van [kind A] te verminderen.

De moeder betwist de diagnose in het NIFP-rapport dat zij een narcistische persoonlijkheidsstoornis zou hebben. Uit het verleden van de moeder en het rapport van de psychiater van de moeder, de heer Van Rhijn, valt dit in het geheel niet af te leiden. Ook verzet zij zich tegen de (andere) onderzoeksresultaten van het NIFP. Het NIFP-onderzoek heeft zich slechts op het verleden gericht, aldus de moeder.

5.4

De GI voert verweer als volgt.

Voor de GI staan de zorgen omtrent de kinderen centraal als grond voor de uithuisplaatsing. De GI is van mening dat de kinderen ernstig worden bedreigd in hun ontwikkeling. Het lukt de ouders vanwege hun persoonlijkheidsproblematiek niet de kinderen een veilig, stabiel en voorspelbaar opvoedingsklimaat te bieden, als gevolg waarvan de kinderen een ernstige hechtingsstoornis hebben ontwikkeld van het gedesorganiseerde type. De ouders tonen weinig zelfinzicht zodat het niet reëel is te verwachten dat zij zullen kunnen profiteren van een (intensieve) behandeling. Bovendien vormt het verleden bij de moeder thuis een contra-indicatie voor thuisplaatsing. Thuisplaatsing is voorheen wel onderzocht en overwogen maar na het advies de kinderen niet thuis te plaatsen is hier niet meer naartoe gewerkt.

[kind A] wil de moeder niet meer zien en wil niet bij haar wonen. Hij ontvangt reeds geruime tijd ondersteuning vanuit Lucertis. [kind B] wil ook niet meer bij de moeder wonen en is op 5 april 2019 gestart met begeleiding vanuit stichting de Praktijk. [kind C] wil graag bij het huidige pleeggezin blijven wonen en doet speltherapie. De moeder is en was bovendien wel degelijk op de hoogte van iedere behandeling die [kind A] ontvangt. De GI heeft met [kind A] besproken dat de moeder erg bezorgd was over de kinderen maar dat de artsen denken dat hij geen spierziekte heeft, de GI heeft hem niet verteld dat de moeder hem ziek zou maken. In het NIFP-rapport is geadviseerd het contact tussen [kind A] en de moeder voor onbepaalde tijd stop te zetten omdat dit contact zeer spanningsvol en stresserend voor hem is. Aan contactherstel kan pas worden gewerkt wanneer [kind A] emotioneel sterk genoeg is en hij zelf vorm en inhoud aan de relatie kan geven. De GI is van mening dat dit advies moet worden opgevolgd en heeft zelf gezien dat het contact met de moeder schadelijk is voor [kind A] .

De GI acht de kans op herhaling van ernstige kindermishandeling groot. Dit wordt volgens de GI in het NIFP-onderzoek bevestigd, zodat de verlenging van de uithuisplaatsing bekrachtigd dient te worden.

5.5

De vader kan zich verenigen met de beschikking waarvan beroep en stelt dan ook geen incidenteel hoger beroep in. Toch is hij het oneens met het oordeel van de kinderrechter en de GI dat het perspectief van de kinderen op korte en op lange termijn niet bij de ouders ligt. Het NIFP-rapport kan die conclusie bovendien niet dragen. De vader acht het in het belang van [kind B] en [kind C] dat zij op de lange termijn teruggeplaatst zullen worden bij hem. Voor [kind A] acht hij dit op korte termijn van belang. De vader heeft namelijk geen ziektesymptomen meer en is niet meer oververmoeid sinds hij niet meer met de moeder samenwoont. De vader bezoekt, in tegenstelling tot wat in het NIFP-rapport staat, een therapeut en staat op de wachtlijst van een psychiater. De vader is het dan ook met de moeder eens dat naar terugplaatsing van de kinderen bij de vader had moeten worden gekeken, met name nu zij dat zelf ook wensen.

De moeder wordt betrokken bij de hulpverlening van [kind A] maar zij weigert toestemming te geven voor zijn behandelingen. Bijvoorbeeld toen de hulp bij Lucertis moest worden uitgebreid. Ook zegt zij voortdurend afspraken af waardoor de behandeling van [kind A] bij Lucertis vertraging heeft opgelopen. Daarbij is [kind A] angstig voor de moeder. Hij weet dat hij zich beter voelt sinds hij niet meer bij de moeder woont. De pleegouders vertellen hem overigens slechts dat de moeder overbezorgd was en dat hij daardoor de verkeerde hulp kreeg. De vader is het met de moeder eens dat een gesprek dient plaats te vinden tussen [kind A] en de moeder. Op dit moment is dat echter niet in zijn belang omdat hij zich voorheen altijd vreemd gedroeg nadat hij contact had gehad met de moeder.

5.6

De grootouders bij wie [kind A] woont, hebben ter zitting in hoger beroep verteld dat het goed gaat met [kind A] . Hij krijgt therapie en doet het goed op school. Hij zit op judo en speelt veel buiten. In de buurt waar hij nu woont, wonen weinig kinderen van zijn leeftijd waardoor de pleegouders op zoek zijn naar een gastgezin in [plaats] zodat hij de weekenden ook met zijn klasgenoten kan doorbrengen en zich aan hen kan optrekken ten behoeve van zijn ontwikkeling, aldus de grootouders.

5.7

De pleegvader van [kind C] heeft ter zitting in hoger beroep meegedeeld dat het goed gaat met [kind C] . Zij ervaart rust waardoor zij de tijd heeft om zich te ontwikkelen. Zij kan zich concentreren en richt zich op haar vriendinnen. Ook op school doet zij het goed. Daarnaast volgt zij speltherapie. De pleegouders zien echter ook dat omgangsmomenten met de ouders impact op haar hebben en dat zij tijd nodig heeft om van deze momenten te herstellen.

5.8

De raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen. In het onderzoek naar gezagsbeëindiging heeft de raad geconcludeerd dat de ouders onvoldoende in staat zijn tegemoet te komen aan de belangen van de kinderen die een speciaal appel doen op hun opvoeders. De kinderen zijn nu op hun plek en beginnen zich te hechten of zijn al gehecht. Dit proces dient volgens de raad niet te worden doorbroken.

5.9

Het hof overweegt als volgt.

Uit de stukken en uit het verhandelde ter zitting in hoger beroep is het volgende gebleken.

In de beschikking van 13 februari 2018 heeft dit hof het aangewezen geacht dat de GI onderzoeken laat verrichten naar de persoonlijkheid van de moeder en de interactie tussen de moeder en de kinderen, naar de rol van de vader in de toekomst en naar alle drie de kinderen en hun perspectief. Hierop heeft de GI het NIFP verzocht onderzoek te doen naar de kinderen en de ouders. Uit de onderzoeken van het NIFP komt het volgende naar voren.

Bij de moeder is sprake van een narcistische persoonlijkheidsstoornis waardoor zij de kinderen geen stabiel, veilig, voorspelbaar en betrouwbaar opvoedingsklimaat heeft kunnen bieden. Hierdoor is een onveilig en gedesorganiseerd gezinssysteem ontstaan waarbinnen sprake was van mishandeling en verwaarlozing.

Bij de vader is sprake van een afhankelijke en vermijdende persoonlijkheidsstoornis. Hierdoor heeft hij zich afhankelijk opgesteld van de moeder en is hij meegegaan in de ontwikkeling van een destructief patroon binnen het gezinssysteem. Hij heeft de kinderen niet kunnen beschermen en behoeden voor verwaarlozing en mishandeling.

De ouders tonen thans weinig zelfinzicht zodat het volgens het NIFP niet reëel is te verwachten dat zij zullen kunnen profiteren van een (intensieve) behandeling. Gezien de (extra) behoeften van de kinderen, in combinatie met de persoonlijkheidsproblematiek van de ouders, kan niet worden verwacht dat zij die opvoeding aan de kinderen kunnen bieden.

Alle drie de kinderen hebben, blijkens het NIFP-rapport, als gevolg van het ontbreken van affectieve en pedagogische zorg, veiligheid, stabiliteit, stimulans, alsmede mishandeling, verwaarlozing en het niet voorspelbaar emotioneel beschikbaar zijn van een betrouwbare volwassene, een hechtingsstoornis van het gedesorganiseerde type. Vanuit een gedesorganiseerd gezinsbeeld hebben de kinderen een verstoord zelf- en mensbeeld ontwikkeld. [kind A] heeft hierdoor ernstige gedragsproblematiek, terwijl hij en [kind C] hierdoor eveneens meer dan de gemiddelde leeftijdsgenoot behoefte hebben aan een rustige, overzichtelijke, voorspelbare, veilige en gestructureerde leef- en opvoedingssituatie waarin zij positief worden bevestigd zodat zij zo gezond mogelijk kunnen opgroeien. De eerder gestelde diagnoses ADHD en ASS waarvan bij [kind A] en [kind B] sprake zou zijn, zijn naar het oordeel van het NIFP zeer onwaarschijnlijk, hun ongeremde gedrag komt voort uit de hechtingsstoornis.

Voor [kind A] adviseert het NIFP behandeling bij Lucertis om de zorgen over zijn cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling te verminderen. Hij is in het verleden onvoldoende gestimuleerd en hij is belemmerd geweest zijn sociale vaardigheden te ontwikkelen.

Bij [kind B] ziet het NIFP ernstige emotieregulatie-problematiek; [kind B] heeft geen grip op zijn emoties als gevolg van zijn kwetsbaarheid. Hij heeft een verwarde, chaotische en gedesintegreerde binnenwereld en weinig idee van een zelfbeeld en eigenwaarde. Inmiddels ontvangt [kind B] begeleiding vanuit stichting De Praktijk

[kind C] heeft volgens het NIFP professionele, consequente en neutrale opvoeders nodig zodat zij vertrouwen in zichzelf en anderen kan ontwikkelen. Daarnaast adviseert het NIFP een intensieve individuele behandeling gericht op het ontginnen van de angstige en chaotische afgeschermde binnenwereld van [kind C] .

Al met al adviseert het NIFP de kinderen niet terug te plaatsen bij de ouders, waarbij tevens wordt geadviseerd de kinderen, omdat zij elkaar in negatief gedrag versterken, in aparte pleeggezinnen te laten opgroeien. Door het gedesorganiseerde gezinsbeeld en het verstoorde zelf- en mensbeeld is de kans groot dat de kinderen bij elkaar het gedesintegreerde gezinsbeeld in stand zullen houden en/of het pleeggezin zullen ontwrichten, aldus het NIFP.

5.10

Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat de gronden voor de uithuisplaatsing van de kinderen ten tijde van de bestreden beschikking en voor de duur van de daarbij verleende machtiging, tot 7 mei 2019, aanwezig waren. De brief van de psychiater van de moeder van 26 februari 2019, waarin slechts wordt opgemerkt hoe het nu met de moeder gaat, doet geenszins af aan de bevindingen van het NIFP. Overige (relevante) feiten en omstandigheden die de bevindingen dan wel het advies van het NIFP weerspreken, zijn gesteld noch gebleken. Dat - blijkens de brief van PSYTREC van 17 april 2018 - de moeder van 26 maart 2018 tot en met 5 april 2018 een intensieve psychotraumabehandeling gevolgd en sindsdien geen PTSS-klachten meer heeft, is in dit verband evenmin van belang, gelet op de door het NIFP geconstateerde hechtingsstoornissen van de kinderen en de persoonlijkheidsstoornissen en het weinige zelfinzicht van de ouders. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.

5.11

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.E. Buitendijk, mr. A.R. Sturhoofd en mr. W.K. van Duren, in tegenwoordigheid van de griffier, en is op 10 september 2019 in het openbaar uitgesproken door de oudste raadsheer.