Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:3350

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-09-2019
Datum publicatie
16-09-2019
Zaaknummer
200.251.553/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Beëindiging ouderlijk gezag van de moeder noodzakelijk in het belang van de ontwikkeling van de kinderen.

Artikelen: 1:266 lid 1 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Zaaknummer: 200.251.553/01

Zaaknummer rechtbank: C13/644262 / FA RK 18-1355

Beschikking van de meervoudige kamer van 10 september 2019 inzake

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. G.M. Haring te Amsterdam,

en

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Den Haag, locatie Amsterdam,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de raad.

Als belanghebbenden zijn verder aangemerkt:

- [de vader] (hier na te noemen: de vader);

- de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna te noemen: de GI);

- de minderjarige [minderjarige 1] (hierna te noemen: [kind A] );

- de minderjarige [minderjarige 2] (hierna te noemen: [kind B] );

- [Y] (hierna te noemen: de pleegmoeder van [kind A] );

- [Z] (hierna te noemen: de pleegmoeder van [kind B] ).

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 31 oktober 2018 uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De moeder is op 18 december 2018 in hoger beroep gekomen van bovengenoemde beschikking.

2.2

De raad heeft bij brief van 28 juni 2019, ingekomen op 1 juli 2019, meegedeeld geen verweerschrift in te dienen en verweer te voeren ter zitting in hoger beroep. Bij deze brief bevindt zich recente informatie van de gezinsmanager.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 11 juli 2019 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de raad, vertegenwoordigd door de heer [X] ;

- de vader;

- de GI, vertegenwoordigd door een collega van de gezinsmanager.

3 De feiten

3.1

Uit de relatie van de moeder en de vader (hierna gezamenlijk ook: de ouders) zijn geboren:

- [kind A] , op [geboortedatum 1] 2002 ;

- [kind B] , op [geboortedatum 2] 2010 (hierna gezamenlijk: de kinderen).

De moeder oefende tot de bestreden beschikking alleen het gezag uit over de kinderen. De vader heeft de kinderen niet erkend.

3.2

[kind A] is sinds 7 augustus 2009 meermaals onder toezicht gesteld.

[kind B] is sinds 21 mei 2015 meermaals onder toezicht gesteld.

De kinderen zijn ook meermaals uithuisgeplaatst geweest. Sinds eind 2017 verblijven zij in hun huidige perspectief biedende pleeggezinnen.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is op verzoek van de raad het ouderlijk gezag van de moeder over de kinderen beëindigd en is de GI tot voogd over de kinderen benoemd.

4.2

De moeder verzoekt vernietiging van de bestreden beschikking en opnieuw rechtdoende het verzoek van de raad het gezag van de moeder te beëindigen, (alsnog) af te wijzen.

4.3

De raad verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Aan het hof ligt voor of het gezag van de moeder over de kinderen moet worden beëindigd.

5.2

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:266 lid 1 BW kan de rechter het gezag van een ouder beëindigen, indien:

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

b. de ouder het gezag misbruikt.

5.3

De moeder kan zich niet verenigen met de bestreden beschikking en voert daartoe in hoger beroep het volgende aan.

Ten onrechte heeft de rechtbank geoordeeld dat de ouders niet in staat zijn binnen een aanvaardbare termijn voor de kinderen te zorgen. Daarbij is niet meegewogen dat de moeder een liefdevolle band met de kinderen heeft. Zij ziet [kind A] bijna dagelijks. Recent is [kind A] geslaagd voor de middelbare school maar het lijkt erop dat de gezinsmanager te laat is met de aanmelding voor haar vervolgopleiding. Ook vertelt de pleegmoeder van [kind A] onwaarheden over de moeder aan de GI en de raad.

[kind B] woont om de hoek bij de moeder maar de ouders zien hem slechts één keer in de maand gedurende één uur tijdens een begeleid omgangsmoment bij Spirit. Wanneer zij [kind B] op straat tegenkomen durft hij hen niet te groeten.

Ook hebben de kinderen door de vele wisselingen van gezinsmanagers geen band kunnen opbouwen met de gezinsmanager. De huidige gezinsmanager is bovendien reeds sinds de bestreden beschikking onbereikbaar voor de ouders en de kinderen. De advocaat van de moeder heeft hierover een klacht tegen de gezinsmanager ingediend, wat inmiddels is afgehandeld middels een klachtgesprek.

De rechtbank heeft voorts ten onrechte geen rekening gehouden met de omstandigheid dat het sinds enige tijd beter gaat met de moeder omdat zij een andere behandeling voor haar psychische problematiek heeft ontvangen. Zij heeft geen medicatie meer, sport iedere dag en één keer in de maand komt Mentrum bij haar op bezoek.

De moeder heeft altijd meegewerkt aan de hulpverlening voor de kinderen en zij heeft zelf de huidige pleegmoeders aangedragen. De moeder noch de vader staat dan ook in de weg aan beslissingen ten aanzien van de kinderen, zodat de moeder het gezag dient te behouden. De gezagsbeëindiging is een te verstrekkende maatregel die met de huidige mate van hulpverlening vanuit de GI niet op zijn plaats is, aldus de moeder. Voorts is door de GI eenzijdige, negatieve en oude informatie aan de raad verstrekt waardoor het feitenonderzoek van de raad onzorgvuldig geweest.

5.4

De raad heeft op 27 februari 2018 een rapport uitgebracht op verzoek van de GI om een advies uit te brengen ten aanzien van de gezagsbeëindiging. In vervolg hierop heeft de raad de rechtbank verzocht het gezag van de moeder te beëindigen. Ter zitting in hoger beroep heeft de raad meegedeeld dit verzoek te handhaven. Gezien het belaste verleden van de kinderen en de verschillende uithuisplaatsingen, hebben zij nu behoefte aan voorspelbaarheid en duidelijkheid. De aanvaardbare termijn voor terugplaatsing bij de ouders is inmiddels verstreken. De GI heeft sinds 2016 vele vormen van hulpverlening, te weten NIKA, IAG en SoS van Altra ingezet, alsmede hulp via de GGZ. Dit heeft echter niet mogen baten. De ouders hebben geen althans onvoldoende probleeminzicht. Zij zijn onvoldoende stuurbaar op hun opvoedvaardigheden en sluiten onvoldoende aan bij hetgeen de kinderen nodig hebben. Het perspectief van de kinderen ligt thans niet meer bij de ouders maar bij de pleegmoeders. De kinderen hebben aangegeven dat zij het daar fijn vinden en daar graag willen blijven. Met dit perspectief dient de voogdij bij een neutrale partij te worden belegd zodat voorspelbare en duidelijke beslissingen kunnen worden gemaakt die een duidelijke lijn uitzetten, die de kinderen kunnen volgen. Zo voedt de pleegmoeder van [kind B] hem traumasensitief op, wat fijn is voor [kind B] omdat het duidelijkheid schept. De kinderen hebben nu behoefte aan duidelijkheid over hun toekomstperspectief en zij dienen stabiliteit in hun opvoeding en plaatsing te ervaren. Beëindiging van het gezag van de moeder en het beleggen van de voogdij bij de GI is daarom geïndiceerd, aldus de raad.

De raad heeft ter zitting in hoger beroep zijn zorgen uitgesproken over de afstemming van de samenwerking van de GI met de ouders en heeft de GI dringend geadviseerd daarin verbetering aan te brengen.

5.5

De vader heeft ter zitting in hoger beroep medegedeeld andere opvattingen over opvoeden te hebben dan de pleegmoeders. Hoewel de pleegmoeders de kinderen een goede opvoeding geven die aan alle noodzakelijke vereisten voldoet, vindt de vader het teleurstellend dat met name [kind B] , doordat hij de ouders weinig ziet, niet de opvoeding krijgt die de vader hem graag had willen bieden. Door de moeizame omgang ziet hij dat [kind B] in een spagaat tussen zijn pleegmoeder en de ouders zit, waarbij de ouders en [kind B] steeds verder uit elkaar groeien. Bovendien voert de GI de omgang al jaren niet goed uit zodat de voogdij niet bij hen dient te worden belegd, aldus de vader.

5.6

De GI heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat de GI op vele manieren heeft geprobeerd contact te zoeken met de ouders. De ouders zijn iedere maand uitgenodigd voor het Uitvoerend Overleg (UVO) en worden vaak gebeld maar hangen doorgaans snel weer op. De huidige gezinsmanager is overigens thans voor onbepaalde tijd onbereikbaar in verband met ziekte.

De huidige omgangsfrequentie met [kind B] is gebruikelijk nu zijn perspectief niet bij de ouders ligt en een maandelijkse omgang zodoende voorspelbaarheid en duidelijkheid met zich brengt. Bovendien dient deze omgang te worden begeleid omdat de ouders [kind B] in onveilige situaties brengen wanneer de omgang onbegeleid plaatsvindt. [kind A] gaat uit zichzelf vaak bij de ouders op bezoek. Hoewel de omgangsmomenten met haar ouders niet altijd positief verlopen, is de GI, gelet op de leeftijd van [kind A] , terughoudend met de bemoeienis van deze omgangsregeling.

5.7

Het hof overweegt als volgt.

Het betoog van de moeder dat het feitenonderzoek van de raad onzorgvuldig is geweest, volgt het hof niet nu is gebleken dat de raad alle betrokkenen heeft gehoord en hun zienswijze en visie in het rapport heeft vermeld. Uit de stukken en uit het verhandelde ter zitting is het volgende gebleken.

Over de thuissituatie bij de ouders bestaan zorgen sinds augustus 2009. [kind A] is van 6 augustus 2009 tot 19 augustus 2010 uithuisgeplaatst geweest in verband met de problematische thuissituatie waaronder onvoldoende hygiëne en huiselijk geweld tussen de ouders waarvan [kind A] getuige was. Voorts is gebleken dat de ouders [kind A] alleen in een park hadden achtergelaten. Na de thuisplaatsing van [kind A] in 2010 zijn verschillende zorgmeldingen gedaan en zijn zowel [kind A] als [kind B] van 21 mei 2015 tot 17 februari 2017 (opnieuw) uithuisgeplaatst geweest. Op 19 oktober 2017 zijn beide kinderen vervolgens opnieuw uithuisgeplaatst na meerdere zorgmeldingen tussen februari en oktober 2017. Sinds deze laatste uithuisplaatsing is gebleken dat de kinderen in de thuissituatie bij de ouders veel zijn blootgesteld aan huiselijk geweld tussen de ouders. Beide kinderen hebben gedragsproblematiek ontwikkeld waar zij met name op school in hun contacten met leeftijdsgenoten last van lijken te hebben. Daarnaast is gebleken dat de moeder sinds april 2015 kampt met ernstige psychische problemen waardoor zij onvoldoende beschikbaar is geweest voor de kinderen.

Sinds de plaatsing bij hun huidige pleegmoeders vertonen de kinderen minder gedragsproblemen en gaat het beter met hen. Zo voedt de pleegmoeder van [kind B] hem traumasensitief op en krijgt [kind A] intensieve begeleiding vanuit de pleegzorg bij psycho-educatie en leert zij hoe zij kan omgaan met de ouders.

De moeder heeft aldus in de periode tussen 19 augustus 2010 en 19 oktober 2017 meerdere kansen gekregen om te laten zien dat zij de zorg voor de kinderen wel op zich kan nemen. Gebleken is dat dat niet is gelukt en dat de moeder samen met de vader herhaaldelijk in oude patronen blijft terugvallen. De kinderen ondervinden ook thans nog problemen nadat zij de ouders hebben gezien of omgang met hen hebben gehad. Zo blijkt uit de brief van de raad van 28 juni 2019, dat de ouders, in tegenstelling tot wat zij hierover ter zitting in hoger beroep hebben verklaard, zelf [kind B] niet groeten wanneer zij hem tegenkomen op straat. Uit diezelfde brief blijkt dat [kind A] vaak van streek is wanneer zij bij de ouders is geweest of wanneer de moeder bij haar en de pleegmoeder aan de deur is geweest omdat de moeder tegen [kind A] schreeuwt en haar verwijten maakt.

Daarnaast geldt dat niet is komen vast te staan dat de moeder thans geen hinder meer ondervindt van haar psychische problematiek. De moeder stelt weliswaar dat zij (in plaats van de als de diagnose gestelde psychose) een depressie had waarvan zij, middels een behandeling in het AMC waar zij met de juiste medicatie zou zijn behandeld, inmiddels zou zijn genezen. De moeder onderbouwt dit echter niet middels het overleggen van stukken die haar opname bij het AMC of haar genezing bevestigen.

5.8

Het hof is gelet op het voorgaande met de rechtbank, de raad en de GI van oordeel dat de beëindiging van het gezag van de moeder in het belang van de ontwikkeling van de kinderen noodzakelijk is. Gelet op de persoonlijke problematiek van de kinderen worden de kinderen zonder adequate verzorging en opvoeding en hulp ernstig in hun ontwikkeling bedreigd. Door de problematische thuissituatie, waarbij de ouders, ondanks hun inspanningen en medewerking aan de hulpverlening, onvoldoende kunnen aansluiten bij hetgeen de kinderen nodig hebben, de behoefte die de kinderen hebben aan duidelijkheid en structuur en de vele wisselingen die zij reeds door de verschillende uithuisplaatsingen hebben meegemaakt, is het hof met de raad van oordeel dat de moeder niet binnen een voor de kinderen aanvaardbaar te achten termijn niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding voor hen zal kunnen dragen.

Voorts hebben zowel de moeder als de vader ter zitting in hoger beroep verklaard dat de pleegmoeders goed voor de kinderen zorgen en dat zij instemmen met de plaatsing bij deze pleegmoeders en het toekomstperspectief van de kinderen bij hen. Gelet op het perspectief van de kinderen, die aldus met instemming van de ouders bij de pleegmoeders ligt, volstaat de maatregel van de uithuisplaatsing, die voorziet in een tijdelijke opvoedsituatie met als uiteindelijk doel thuisplaatsing, niet langer. Nu het gezag van de moeder aldus zal worden beëindigd, acht het hof het in het belang van de kinderen de voogdij bij een neutrale partij als de GI te beleggen zodat de kinderen zich bij de pleegmoeders in een veilige situatie verder kunnen ontwikkelen. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.

5.9

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mr. J. Kok, mr. M.T. Hoogland en mr. J.W. Brunt, in tegenwoordigheid van de griffier, en is op 10 september 2019 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.