Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:3340

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-09-2019
Datum publicatie
23-09-2019
Zaaknummer
23-002981-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring poging tot zware mishandeling. Verwerping beroep op noodweer(exces). Afwijzing vordering tenuitvoerlegging. Oplegging van voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een week.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002981-18

datum uitspraak: 13 september 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 16 augustus 2018 in de strafzaak onder de parketnummers 15-109634-18 en 15-065508-17 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedag] 1956,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 30 augustus 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

primair

hij, op of omstreeks 31 maart 2018 te Purmerend, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) met een stok/plank, in elk geval een hard voorwerp, op/tegen het (achter)hoofd, althans tegen het lichaam, heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair
hij, op of omstreeks 31 maart 2018 te Purmerend, althans in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) met een stok/plank, in elk geval een hard voorwerp, op/tegen het (achter)hoofd, althans tegen het lichaam, te slaan;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Bewijsoverweging

De verdachte heeft door het slaan met een stok op het achterhoofd van de aangever bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de aangever zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Immers, het hoofd is een vitaal en kwetsbaar deel van het (menselijk) lichaam dat, gelet op het geconstateerde letsel, met kracht door de verdachte is geraakt. Het hof acht bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

primair
hij, op 31 maart 2018 te Purmerend ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, [slachtoffer] met kracht, met een stok, tegen het achterhoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte een geslaagd beroep op noodweer, dan wel op noodweerexces toekomt. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de dreigende, intimiderende houding van aangever, het door de aangever intrappen van de ruit en zijn poging de woning in te gaan, samen met het grijpen naar de broeksband door de aangever, maken dat er sprake is geweest van een onmiddellijke wederrechtelijke aanranding.

Het hof stelt voorop dat een beroep op noodweer(exces) kan worden gehonoreerd indien aannemelijk is geworden dat het handelen van de verdachte was geboden door de noodzakelijke verdediging van verdachtes of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, waar onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zodanige aanranding.

Het hof gaat op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 31 maart 2018 is bij de woning van de verdachte een conflict ontstaan tussen de verdachte en de aangever. De aangever wilde – zoekend naar zijn vriendin – de woning van de verdachte betreden. De verdachte wilde niet dat de aangever zijn woning betrad en sloot daarom de deur. Daaropvolgend heeft de aangever de onderste ruit van de voordeur van de verdachte ingetrapt. Om de aangever weg te jagen bij zijn woning heeft de verdachte vervolgens een stok uit de paraplubak bij zijn voordeur gepakt, de deur opnieuw geopend en de aangever op zijn hand en achterhoofd geslagen. Over deze geweldshandelingen heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verder verklaard dat hij, in zijn herinnering, een aantal stappen uit zijn woning heeft gezet – de galerij op – om met de stok die klap(pen) aan de aangever te geven.

Op grond van het voorgaande stelt het hof vast dat de aangever reeds van de woning wegliep toen de verdachte hem sloeg. Zo er al op enig moment sprake zou zijn geweest van een noodweersituatie, is niet aannemelijk geworden dat die situatie nog voortduurde op het moment dat de aangever van de verdachte wegliep. Aldus is het hof van oordeel dat er toen voor de verdachte geen noodzaak tot verdediging bestond en dat het beroep op noodweer derhalve moet worden verworpen.

In vervolg op hetgeen hiervoor ten aanzien van het beroep op noodweer is overwogen, overweegt het hof ten aanzien van het subsidiaire beroep op noodweerexces het volgende.

Niet aannemelijk is geworden dat de verdachte toen hij de aangever op zijn achterhoofd sloeg, handelde onder invloed van een dusdanig hevige gemoedsbeweging, dat hem een geslaagd beroep op noodweerexces zou kunnen toekomen.

Derhalve zijn geen omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde of de verdachte uitsluiten, zodat het bewezenverklaarde en de verdachte strafbaar zijn.

Het primair bewezen verklaarde levert op:

poging tot zware mishandeling.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg (subsidiair) bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte met een geslaagd beroep op noodweer integraal zal worden vrijgesproken.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot zware mishandeling, waarbij de verdachte de aangever met een stok op diens achterhoofd heeft geslagen, met een flinke wond tot gevolg. De omstandigheden waaronder de verdachte tot zijn handelen is gebracht, het grote aandeel dat aangever in het conflict heeft gehad en de slechte gezondheidstoestand van de verdachte brengen het hof ertoe een zeer beperkte en geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering tenuitvoerlegging (15-065508-17)

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 17 augustus 2017 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 7 dagen. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf zal worden afgewezen.

Het hof acht, hoewel het anders dan de advocaat-generaal komt tot een bewezenverklaring, termen aanwezig om de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) week.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Noord-Holland van 3 juli 2018, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 17 augustus 2017, parketnummer 15-065508-17, voorwaardelijk opgelegde een gevangenisstraf voor de duur van 7 dagen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.L.M. van der Voet, mr. R.D. van Heffen en mr. B.A.A. Postma, in tegenwoordigheid van mr. S. Bonset, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

13 september 2019.

mr. B.A.A. Postma is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]