Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:3338

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-09-2019
Datum publicatie
23-09-2019
Zaaknummer
23-002122-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Poging tot zware mishandeling 86-jarige vrouw. Oplegging van taakstraf 50 uren waarvan 30 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002122-18

datum uitspraak: 13 september 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 29 mei 2018 in de strafzaak onder parketnummer 15-155853-15 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Bondsrepubliek Duitsland) op [geboortedag] 1965,

postadres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 30 augustus 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

primair:

zij op of omstreeks 9 maart 2015 te Zuidoostbeemster, gemeente Beemster aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken hand, heeft toegebracht door met haar fiets op/tegen de haar, verdachte, tegemoed komende (fietsende) [slachtoffer] op/tegen te rijden en/of te botsen;

subsidiair:
zij op of omstreeks 9 maart 2015 te Zuidoostbeemster, gemeente Beemster ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen -gezeten op een fiets- naar de haar, verdachte, in tegenovergestelde richting fietsende [slachtoffer] toegereden en/of (vervolgens) is zij, verdachte, op/tegen die [slachtoffer] opgebotst en/of aangereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair:
zij op of omstreeks 9 maart 2015 te Zuidoostbeemster, gemeente Beemster [slachtoffer] heeft mishandeld door -gezeten op een fiets- op/tegen die (fietsende) [slachtoffer] op te botsen en/of aan te rijden, terwijl het feit

zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken hand, althans enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Bewijsoverweging (poging zware mishandeling)

Uit de verklaring van de aangeefster [slachtoffer] en de getuigenverklaring van [getuige] volgt dat de verdachte zich op 9 maart 2015 zonder duidelijke aanleiding gewelddadig heeft gedragen door – met haar fiets – op de aangeefster in te rijden. Daardoor is de aangeefster – die eveneens op de fiets reed – ten val gekomen en heeft zij haar hand gebroken. De aangeefster was ten tijde van het feit 86 jaar oud. Het is een feit van algemene bekendheid dat voor mensen van een dergelijk hoge leeftijd de kans op gecompliceerde botbreuken en ander (zwaar) lichamelijk letsel op het moment dat zij ten val komen aanmerkelijk is, zeker als het een val vanaf een fiets is. De hoge leeftijd van de aangeefster moet voor de verdachte kenbaar zijn geweest toen zij haar aanreed. Door desondanks op deze wijze de aangeefster ten val te brengen heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de aangeefster zwaar lichamelijk letsel zou bekomen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

subsidiair
zij op 9 maart 2015 te Zuidoostbeemster, gemeente Beemster, ter uitvoering van het door de verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen -gezeten op een fiets- naar de haar, verdachte, in tegenovergestelde richting fietsende [slachtoffer] is toegereden en vervolgens is zij, verdachte, tegen [slachtoffer] aangereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen subsidiair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

poging tot zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg (meer subsidiair) bewezen verklaarde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken, met een proeftijd van twee jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het meer subsidiair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 28 uren, subsidiair 14 dagen hechtenis met een proeftijd van twee jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van een fietsende vrouw op leeftijd, die door verdachtes handelen lelijk ten val is gekomen. Dergelijk handelen brengt gevoelens van onveiligheid teweeg, zowel bij slachtoffers als bij omstanders en zodoende in de samenleving in het algemeen.

Het hof vindt dit een ernstig feit en neemt de verdachte haar handelen kwalijk. Het hof neemt de aard van het ontstane letsel in aanmerking en de gevolgen die het handelen van de verdachte voor het slachtoffer heeft veroorzaakt. Gelet evenwel op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals die tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gekomen en de ouderdom van het feit acht het hof, alles afwegende, een deels voorwaardelijke taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45, 63 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 50 (vijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.L.M. van der Voet, mr. R.D. van Heffen en mr. B.A.A. Postma, in tegenwoordigheid van mr. S. Bonset, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

13 september 2019.

mr. B.A.A. Postma is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.