Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:3290

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-05-2019
Datum publicatie
24-09-2019
Zaaknummer
23-003787-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mishandeling op een nachtelijk tijdstip in een tankstation en opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003787-18

datum uitspraak: 2 mei 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 14 maart 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-093768-16 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

2 mei 2019.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
hij op een of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 11 maart 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld door eenmaal of meermalen (met kracht) (met gebalde vuist) op/tegen het gezicht, althans het hoofd te slaan en/of te stompen;

2:
hij op of omstreeks 11 maart 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2,58 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde concaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij op 11 maart 2016 te Amsterdam, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] tegen het gezicht te slaan;

2:
hij op 11 maart 2016 te Amsterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2,58 gram van een materiaal bevattende cocaïne.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

mishandeling.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis waarvan 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één dag met aftrek van voorarrest en een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren.

De raadsvrouw heeft verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en hem een voorwaardelijke taakstraf op te leggen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft op een nachtelijk tijdstip onder invloed van alcohol een voor hem onbekende man in een winkel bij een tankstation tegen zijn gezicht geslagen. Een feit als het onderhavige maakt niet alleen inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, maar draagt ook bij aan in de maatschappij heersende gevoelens van angst en onveiligheid, in het bijzonder nu het feit heeft plaatsgevonden in het bijzijn van anderen. Daarnaast had de verdachte bij zijn aanhouding wikkels met cocaïne bij zich. Cocaïne vormt een ernstig gevaar voor de volksgezondheid en het gebruik ervan is bezwarend voor de samenleving, niet in de laatste plaats vanwege de daarmee gepaard gaande criminaliteit.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 17 april 2019 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld voor een mishandeling en het opzettelijk handelen in strijd met artikel 2 onder C van de Opiumwet. Uit ditzelfde uittreksel volgt dat de verdachte het onder 1 en 2 bewezen verklaarde heeft gepleegd tijdens de door de politierechter in de rechtbank Amsterdam op 13 januari 2015 opgelegde proeftijd van twee jaren. Dit weegt in zijn nadeel.

De ernst van het bewezen verklaarde feit rechtvaardigt, mede in het licht van de recidive, en gelet op de straffen die door rechters in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd, in beginsel de oplegging van een onvoorwaardelijke taakstraf.

Uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, een e-mail van 25 april 2019 van psycholoog [naam 1] en een e-mail van 30 april 2019 van Mentrum-medewerker [naam 2], is het hof gebleken dat zich in het afgelopen jaar positieve veranderingen in de persoonlijke situatie van de verdachte hebben voorgedaan.

Nadat de verdachte een aantal jaren op straat heeft geleefd en met (zware) psychische problematiek te kampen heeft gehad, is hij eerst opgenomen in een psychiatrische kliniek en vervolgens in de Mentrum-Herstelkliniek terecht gekomen. De verdachte wordt begeleid door een zorgteam van Mentrum en is in behandeling bij een psycholoog, hetgeen goed verloopt. Medicatie is niet langer nodig en zijn depressieve klachten zijn verminderd. De verdachte neemt deel aan een woontraject, werkt een aantal dagen per week bij een vervoersbedrijf en is bezig zijn financiële zaken op orde te brengen.

Met de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat het in het belang van de verdachte én van de samenleving is dat deze positieve ontwikkelingen niet worden doorkruist.

Het hof acht daarom, alles afwegende, een voorwaardelijke taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.L.M. van der Voet, mr. P.F.E. Geerlings en mr. A.E. Kleene-Krom, in tegenwoordigheid van mr. A. Stronkhorst, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 2 mei 2019.