Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:3282

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-09-2019
Datum publicatie
27-09-2019
Zaaknummer
23-003947-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Woningoverval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-003947-18

Datum uitspraak: 26 april 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 29 oktober 2018 in de strafzaak onder parketnummer 15-870541-15 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,

adres: [adres 1],

thans gedetineerd in PI Noord Holland Noord, Unit Zuyder Bos te Heerhugowaard.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 12 april 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 09 oktober 2014 te IJmuiden, gemeente Velsen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen uit een woning aan de [adres 2]

- een of meerdere mobiele telefoon('s) (merk [merk 1]) en/of de opladers

- een geldbedrag van ongeveer 4.000 euro en/of

- een dameshorloge (merk [merk 2])

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] heeft gedwongen tot de afgifte van

- een of meerdere mobiele telefoon('s) (merk [merk 1]) en/of de opladers

- een geldbedrag van ongeveer 4.000 euro en/of

- een dameshorloge (merk [merk 2])

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededaders,

- zich wederrechtelijk de toegang tot de woning van die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] heeft/hebben verschaft en/of

- die [benadeelde 1] de woning in heeft/hebben geduwd en/of tegen de grond heeft/hebben geduwd en/of zijn polsen met tierips heeft/hebben vastgebond en/of zijn enkels met ducttape heeft/hebben vastgebonden en/of

- een klap in zijn nek heeft/hebben gegeven en/of

- een pistool op hem heeft/hebben gericht en/of tegen het hoofd heeft/hebben geduwd en/of gehouden en/of

- heeft/hebben geroepen: "Geld, goud! waar is het?" en/of "Blijf liggen" en/of

- hem bij de penis heeft/hebben gegrepen en/of heeft/hebben geroepen: "We gaan hem eraf snijden, we gaan hem eraf snijden" en/of

- een pistool in de mond van die [benadeelde 1] heeft/hebben geduwd en/of

- de polsen van die [benadeelde 2] met tierips heeft/hebben vastgebonden en/of haar mond met ducttape heeft/hebben vastgeplakt.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring en een andere kwalificatie van het feit komt dan de rechtbank.

Bewijsmiddelen

Het hof neemt over de bewijsmiddelen zoals vermeld in de bijlage bij het vonnis waarvan beroep, met dien verstande dat het hof het navolgende bewijsmiddel toevoegt.

De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 12 april 2019.

Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Wij zijn op 9 oktober 2014 met vijf mensen naar de woning van [benadeelde 1] aan de [adres 2] in IJmuiden gegaan. Die woning was op de [verdieping] verdieping van een flatgebouw. De bedoeling was dat wij [benadeelde 1] daar zouden aantreffen. De groep bestond uit vier mannen en één vrouw. Ik had een bivakmuts van thuis meegenomen. Toen we in IJmuiden uit de auto stapten, zag ik dat ook een riotgun was meegenomen. Iedereen ging voor de deur van het huis van [benadeelde 1] staan. De vrouw moest aanbellen. Ik zag een schim achter het glas van de deur. De deur ging open. Iemand trapte de deur nog verder open waardoor het glas in de deur brak. Ik heb mijzelf aan dat glas gesneden. De mannen stormden naar binnen. Ik ging als laatste naar binnen. Ik had een tas met tie-wraps en ducttape. Wij hebben [benadeelde 1] overmeesterd en vastgebonden met tie-wraps en ducttape. Er werd geschreeuwd. Eén van ons ging met mevrouw [benadeelde 2] naar een andere kamer in de woning. Ik zag dat zij overstuur was. Ik was een tijdje bij [benadeelde 2] in de kamer. Dat was de slaapkamer. Ik heb het geld van [benadeelde 2] gepakt.

Bewijsoverweging

Het hof is van oordeel dat de namens de verdachte gevoerde verweren, strekkende tot deelvrijspraken van onderdelen van de tenlastelegging, te weten van de diefstal van het horloge, het roepen van “Geld, goud! waar is het?” en het dreigen met het vuurwapen, worden weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof leidt uit de gebezigde bewijsmiddelen onder meer af dat eerst een riot- of shotgun en daarna een pistool tegen het hoofd van [benadeelde 1] is gehouden.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 9 oktober 2014 te IJmuiden, gemeente Velsen, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen uit een woning aan de [adres 2]

- mobiele telefoons (merk [merk 1]) en opladers en

- een geldbedrag van 4.000 euro en

- een dameshorloge (merk [merk 2])

toebehorende aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [benadeelde 1] en [benadeelde 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken,

welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en zijn mededaders

- zich wederrechtelijk de toegang tot de woning van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] hebben verschaft en

- [benadeelde 1] de woning in hebben geduwd en tegen de grond hebben geduwd en zijn polsen met tie-wraps hebben vastgebonden en zijn enkels met ducttape hebben vastgebonden en

- een klap in zijn nek hebben gegeven en

- een pistool op hem hebben gericht en tegen het hoofd hebben gehouden en

- hebben geroepen: "Geld, goud! waar is het?" en "Blijf liggen" en

- hem bij de penis hebben gegrepen en hebben geroepen: "We gaan hem eraf snijden, we gaan hem eraf snijden" en

- een pistool in de mond van [benadeelde 1] hebben geduwd en

- de polsen van [benadeelde 2] met tie-wraps hebben vastgebonden en haar mond met ducttape hebben vastgeplakt.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 65 maanden, met aftrek van voorarrest.

De raadsman heeft naar voren gebracht dat de verdachte een a-typische rol bij het tenlastegelegde feit heeft vervuld, hij is namelijk door zijn mededaders gedwongen aan de overval mee te doen. Daarnaast is de redelijke termijn van de berechting in eerste aanleg overschreden. Hij heeft verzocht hiermee en met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte rekening te houden en hem een aanzienlijk lagere straf op te leggen dan de rechter in eerste aanleg heeft opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Daarbij is in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Het hof acht de door de verdachte geschetste gang van zaken terzake zijn a-typische rol niet aannemelijk. De verklaring van de verdachte hierover is door de als getuige beëdigde aangever ter terechtzitting in hoger beroep naar het land der fabelen verwezen. Deze vindt bovendien op geen enkel punt bevestiging in het dossier. De verdachte heeft evenmin verifieerbare gegevens met betrekking tot de door hem genoemde gang van zaken verstrekt. Het hof houdt de verdachte dan ook ten volle verantwoordelijk voor het bewezenverklaarde en hij komt dus niet in aanmerking voor de door de raadsman op dit onderdeel bepleite strafvermindering.

De verdachte heeft samen met zijn mededaders een gewapende overval gepleegd in een woning. Zij zijn ’s avonds met vier mannen de woning binnengedrongen, waar een man en diens vriendin aanwezig waren. Dat zij zich geconfronteerd zagen met de duidelijk zichtbare zwangere vriendin heeft hen niet weerhouden van het toepassen van ingrijpend geweld op haar en haar vriend. De slachtoffers zijn door de verdachte en zijn mededaders vastgebonden aan handen en/of voeten, hun monden zijn vastgeplakt met ducttape en zij zijn beiden met een vuurwapen bedreigd. De verdachte en zijn mededaders hebben het mannelijke slachtoffer een klap in zijn nek gegeven en gedreigd zijn penis eraf te zullen snijden. Daarnaast hebben de verdachte en zijn mededaders geld, telefoons en een horloge van de slachtoffers weggenomen.

Door aldus te handelen heeft de verdachte op intimiderende wijze een zeer ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers, temeer omdat een woning bij uitstek de plaats is waar mensen zich veilig moeten kunnen voelen. Dit blijkt ook uit de slachtofferverklaringen van de slachtoffers, waarin zij de gevolgen die de overval voor hen heeft gehad hebben beschreven. Daarnaast veroorzaken dergelijke misdrijven in de samenleving onrust en algemene gevoelens van onveiligheid. De verdachte heeft zich aan die gevolgen voor de slachtoffers en de samenleving niets gelegen laten liggen.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 26 maart 2019 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld voor onder meer diefstallen uit woningen en een geweldsdelict. Dit heeft hem er niet van weerhouden een ernstig feit als het onderhavige te plegen, hetgeen in zijn nadeel weegt.

Het hof heeft gelet op de straffen die door rechters bij woningovervallen met toepassing van dergelijk geweld en bedreigingen plegen te worden opgelegd en die hun weerslag hebben gevonden in de Oriëntatiepunten voor Straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht.

In hetgeen de raadsman omtrent de persoonlijke situatie van de verdachte heeft aangevoerd, vindt het hof ook overigens geen enkele aanleiding een mildere of andersoortige straf op te leggen.

Het hof stelt vast dat bij de berechting van deze zaak in eerste aanleg de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden met tien maanden.

Namens de verdachte is op 12 november 2018 hoger beroep ingesteld. De behandeling in hoger beroep is afgerond met een eindbeslissing op 26 april 2019. Gelet op de voortvarende behandeling in de hoger beroep fase zal het hof volstaan met de enkele constatering van de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en hieraan geen rechtsgevolg verbinden.

Het hof acht alles afwegende een gevangenisstraf van na te melden aanmerkelijke duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 11.689,90, bestaande uit € 4.689,90 aan materiële schade en

€ 7.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de maatregel van artikel 36f Sr. Daarnaast is een bedrag van € 1.000,00 aan proceskosten gevorderd.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 6.069,95, bestaande uit

€ 69,95 aan materiële schade en € 6.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de maatregel van artikel 36f Sr. De verdachte is veroordeeld in de proceskosten van de benadeelde partij tot een bedrag van € 500,00.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De raadsman van de verdachte heeft de vordering betwist en gesteld dat:

( a) de schadepost van het contante geld moet worden afgewezen omdat dit “zwart” geld betreft,

( b) de kosten voor het laminaat moeten worden afgewezen omdat het causale verband tussen die kosten en het handelen van de verdachte ontbreekt,

( c) de kosten voor de beveiligingsmaatregelen moeten worden afgewezen omdat ook daarvoor het vereiste causale verband ontbreekt,

( d) de gevorderde immateriële schade dient te worden gematigd en

( e) de schadevergoedingsmaatregel krachtens artikel 36f Sr niet moet worden opgelegd omdat de verdachte niet in staat is de schade te vergoeden en daardoor het ondergaan van de vervangende hechtenis op voorhand vast staat.

Ten aanzien van de gevorderde proceskosten heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat deze kosten niet zijn gemaakt ten behoeve van de vordering tot schadevergoeding.

Ten aanzien van de betwiste posten overweegt het hof als volgt.

( a) Het procesdossier bevat – behoudens de verklaring van de verdachte – geen aanknopingspunten die erop wijzen dat het contante geld een criminele herkomst heeft zodat deze schadepost voor toewijzing vatbaar is.

( b) De foto’s van het laminaat in de bijlage bij de vordering geven geen uitsluitsel over de oorzaak van de beschadigingen en het laminaat is bovendien pas twee jaren na het bewezenverklaarde feit vervangen, zodat onvoldoende verband bestaat tussen de laminaatkosten en het handelen van de verdachte. Deze post dient dan ook te worden afgewezen.

( c) Tussen de kosten voor de beveiligingsmaatregelen en het handelen van de verdachte bestaat onvoldoende verband, zodat deze post dient te worden afgewezen.

( d) Het bedrag aan immateriële schade zal worden begroot naar maatstaven van billijkheid.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 4.069,95 (te weten € 4.000,00 aan contant geld en € 69,95 voor de [merk 1]). De verdachte is tot vergoeding van de materiële schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden in de zin van artikel 6:106, eerste lid aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek.

[benadeelde 1] heeft onder meer gesteld dat als gevolg van het door de verdachte en diens mededaders gepleegde strafbare feit hij en zijn vrouw grote stress hebben ervaren, met name ook in de 2 laatste maanden van de zwangerschap, waardoor tussen hen veel spanningen en onenigheid zijn ontstaan.

Het hof begroot de omvang van de immateriële schade naar maatstaven van billijkheid op € 7.000,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering ook voor dat deel zal worden toegewezen.

Voor het overige is uit het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is in zoverre niet tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering voor het overige zal worden afgewezen.

Oplegging van een maatregel

Het hof acht (e), anders dan de raadsman, niet aannemelijk dat de draagkracht van de verdachte in de toekomst onvoldoende zal zijn om de omvang van de materiële en immateriële schade volledig te voldoen. Het hof zal de maatregel van artikel 36f Sr opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Proceskosten

Naar het hof begrijpt zien de gevorderde proceskosten op de kosten voor rechtsbijstand in verband met het horen van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] als getuigen in de strafzaak. Deze kosten zijn kennelijk niet gemaakt ten behoeve van de civiele vordering en vallen dan ook niet onder het bereik van artikel 592a Sv. Het hof begroot de tot aan de datum van deze uitspraak gemaakte kosten op de voet van artikel 592a Sv dan ook op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Deze benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 12.092,75, bestaande uit € 5.092,75 aan materiële schade en

€ 7.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de maatregel van artikel 36f Sr. Daarnaast is een bedrag van € 1.000,00 aan proceskosten gevorderd.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 10.797,80, bestaande uit

€ 4.797,80 aan materiële schade en € 6.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de maatregel van artikel 36f Sr. De verdachte is veroordeeld in de proceskosten van de benadeelde partij tot een bedrag van € 500,00.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De raadsman van de verdachte heeft de vordering betwist en gesteld dat:

( a) De schadepost van het contante geld moet worden afgewezen omdat dit “zwart” geld betreft.

( b) De kosten voor het laminaat moeten worden afgewezen omdat het causale verband tussen die kosten en het handelen van de verdachte ontbreekt.

( c) De kosten voor het eigen risico moeten worden afgewezen wegens gebrek aan onderbouwing.

( d) De kosten voor het horloge moeten worden afgewezen in verband met de verzochte vrijspraak op dit punt.

( e) De gevorderde immateriële schade dient te worden gematigd.

( f) De schadevergoedingsmaatregel krachtens artikel 36f Sr niet van toepassing is omdat de verdachte niet in staat is de schade te vergoeden, daardoor het ondergaan van de vervangende hechtenis op voorhand vaststaat en die omstandigheid in de weg staat aan oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Ten aanzien van de gevorderde proceskosten heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat deze kosten niet zijn gemaakt ten behoeve van de vordering tot schadevergoeding.

Ten aanzien van de betwiste posten overweegt het hof als volgt.

( a) Het procesdossier bevat – behoudens de verklaring van de verdachte – geen aanknopingspunten die erop wijzen dat het contante geld een criminele herkomst heeft zodat deze schadepost voor toewijzing vatbaar is.

( b) De foto’s van het laminaat in de bijlage bij de vordering geven geen uitsluitsel over de oorzaak van de beschadigingen en het laminaat is bovendien pas twee jaren na het bewezenverklaarde feit vervangen, zodat onvoldoende verband bestaat tussen de laminaatkosten en het handelen van de verdachte. Deze post dient dan ook te worden afgewezen.

( c) De kosten voor het eigen risico zijn onderbouwd in een bijlage bij de vordering zodat deze post voor toewijzing vatbaar is.

( d) de diefstal van het horloge is bewezenverklaard, zodat deze post kan worden toegewezen.

( e) Het bedrag aan immateriële schade zal worden begroot naar maatstaven van billijkheid.

[benadeelde 2] heeft evenals haar echtgenoot [benadeelde 1] als materiële schade de gestolen € 4.000,00 opgevoerd. Nu het hof dit deel van de vordering van [benadeelde 1] heeft toegewezen, zal de vordering van [benadeelde 2] in zoverre worden afgewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 472,80 (te weten € 100,00 voor de [merk 1], € 166,70 aan eigen risico en € 206,10 voor het horloge). De verdachte is tot vergoeding van de schade materiële schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden in de zin van artikel 6:106, eerste lid aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek.

[benadeelde 2] heeft onder meer gesteld dat als gevolg van het door de verdachte en diens mededaders gepleegde strafbare feit zij in de maanden erna met verdriet, boosheid, angst en stress heeft geleefd. Zij voelde zich thuis niet meer veilig en durfde niet langer alleen thuis te zijn. Zij is nog steeds bang en alert en kijkt continue om zich heen: op straat en thuis.

Het hof begroot de omvang van de immateriële schade naar maatstaven van billijkheid op € 7.000,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering ook voor dat deel zal worden toegewezen.

Voor het overige is uit het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is in zoverre niet tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering voor het overige zal worden afgewezen.

Oplegging van een maatregel

( f) Het hof acht, anders dan de raadsman, niet aannemelijk dat de draagkracht van de verdachte in de toekomst onvoldoende zal zijn om de omvang van de materiële en immateriële schade volledig te voldoen. Het hof zal de maatregel van artikel 36f Sr opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Proceskosten

Zoals hierboven reeds is overwogen begrijpt het hof dat de gevorderde proceskosten zien op de kosten voor rechtsbijstand in verband met het horen van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] als getuigen in de strafzaak. Deze kosten zijn kennelijk niet gemaakt ten behoeve van de civiele vordering en vallen dan ook niet onder het bereik van artikel 592a Sv. Het hof begroot de tot aan de datum van deze uitspraak gemaakte kosten op de voet van artikel 592a Sv dan ook op nihil.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 63 en 312 Sr.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a Sr bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 11.069,95 (elfduizend negenenzestig euro en vijfennegentig cent) bestaande uit € 4.069,95 (vierduizend negenenzestig euro en vijfennegentig cent) materiële schade en € 7.000,00 (zevenduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 oktober 2014 tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 11.069,95 (elfduizend negenenzestig euro en vijfennegentig cent) bestaande uit € 4.069,95 (vierduizend negenenzestig euro en vijfennegentig cent) materiële schade en € 7.000,00 (zevenduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 oktober 2014 tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 7.472,80 (zevenduizend vierhonderdtweeënzeventig euro en tachtig cent) bestaande uit € 472,80 (vierhonderdtweeënzeventig euro en tachtig cent) materiële schade en € 7.000,00 (zevenduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 oktober 2014 tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 7.472,80 (zevenduizend vierhonderdtweeënzeventig euro en tachtig cent) bestaande uit € 472,80 (vierhonderdtweeënzeventig euro en tachtig cent) materiële schade en € 7.000,00 (zevenduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 72 (tweeënzeventig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 oktober 2014 tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. W.M.C. Tilleman, mr. H.A. van Eijk en mr. M.L.M. van der Voet, in tegenwoordigheid van mr. A. Stronkhorst, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

26 april 2019.

mr. W.M.C. Tilleman is buiten staat dit arrest te ondertekenen.