Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:3269

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-08-2019
Datum publicatie
17-09-2019
Zaaknummer
23-001068-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet nakomen verplichtingen Leerplichtwet. Het hof acht een voorwaardelijke werkstraf passend en geboden, nu de verdachte niet meer ambieert al zijn tijd te besteden aan het spelen van videogames.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001068-19

datum uitspraak: 8 augustus 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 14 maart 2019 in de strafzaak onder de parketnummers 13-235505-18 en 13-151541-16 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2001,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

8 augustus 2019.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks 04 september 2018 tot en met 19 oktober 2018 te Amsterdam, althans in Nederland als jongere die de leeftijd van 12 jaren had bereikt, terwijl hij als leerling aan een school, te weten [school] stond ingeschreven, niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969, deze school geregeld te bezoeken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij vanaf 4 september 2018 tot en met 19 oktober 2018 te Amsterdam als jongere die de leeftijd van 12 jaren had bereikt, terwijl hij als leerling aan een school, te weten [school] stond ingeschreven, niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969, deze school geregeld te bezoeken.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

als leerplichtige jongere die de leeftijd van 12 jaren heeft bereikt de verplichting tot geregeld volgen van het onderwijs niet nakomen.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De kantonrechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 60 uren, bij niet verrichten te vervangen door 30 dagen jeugddetentie.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 60 uren, bij niet verrichten te vervangen door 30 dagen jeugddetentie, waarvan 30 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte is een geruime tijd niet naar school gegaan. Hiermee heeft hij niet voldaan aan zijn verplichting om overeenkomstig het bepaalde in de Leerplichtwet 1969 geregeld school te bezoeken. Bovendien is dit niet de eerste keer dat de verdachte heeft gespijbeld: blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiƫle Documentatie van 16 juli 2019 is hij twee keer eerder inzake overtreding van de Leerplichtwet onherroepelijk veroordeeld.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij thans niet meer ambieert al zijn tijd te besteden aan het spelen van videogames waarmee hij wereldkampioen wilde worden. Die voormalige ambitie vormde de reden dat hij in de bewezenverklaarde periode zijn school niet bezocht. Hij is op zoek naar een baan en heeft de verantwoordelijkheid voor betaling van een gedeelte van de huur van het huis waar hij met zijn familie woont op zich genomen. In deze gewijzigde persoonlijke omstandigheden en in de algemene positieve indruk die de verdachte tijdens de zitting heeft gemaakt, ziet het hof reden enkel een voorwaardelijke straf op te leggen. Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke werkstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 26 van de Leerplichtwet 1969 en de artikelen 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y en 77z van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de gedeeltelijke tenuitvoerlegging, te weten 30 uren, van de bij vonnis van de kantonrechter Amsterdam van 28 november 2016 opgelegde voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 50 uren subsidiair 25 dagen jeugddetente. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom kan de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. Het hof ziet in het hiervoor overwogene aanleiding om dat, in overeenstemming met de beslissing in eerste aanleg en de vordering van advocaat-generaal, slechts voor een gedeelte van die straf te doen. Gelet op het feit dat de verdachte zich, ondanks een opgelegde voorwaardelijke straf, wederom schuldig heeft gemaakt aan overtreding van het bepaalde in de Leerplichtwet, acht het hof het passend en geboden een deel van de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke werkstraf toe te wijzen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen jeugddetentie.

Bepaalt dat de werkstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Gelast de tenuitvoerlegging van een gedeelte van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de kantonrechter Amsterdam van 28 november 2016, parketnummer 13-151541-16, te weten van:

taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 15 (vijftien) dagen jeugddetentie.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.F.E. Geerlings, mr. N.A. Schimmel en mr. J.H.C. van Ginhoven, in tegenwoordigheid van mr. R.L. Vermeulen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

8 augustus 2019.