Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:3266

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-09-2019
Datum publicatie
09-10-2019
Zaaknummer
18/00277 & 18/00278
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid hoger beroep, machtiging verleend?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 09-10-2019
V-N Vandaag 2019/2205
FutD 2019-2651
V-N 2019/58.20.12
NTFR 2019/2575
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerken 18/00277 en 18/00278

10 september 2019

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op de hogere beroepen van

[X] , wonende te [Z] , hierna: [X] ,

(gemachtigde: mr. drs. J.M.C. Niederer)

tegen de uitspraak in de zaken met kenmerk AMS 17/1310 en AMS 17/1313 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

[X]

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, hierna: de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Met dagtekening 25 mei 2016 en aanslagnummer [aanslagnummer] en met dagtekening 1 juni 2016 en aanslagnummer [aanslagnummer] heeft de heffingsambtenaar naheffingsaanslagen parkeerbelasting vastgesteld. [X] heeft op 4 juli 2016 bij wege van e-mail bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag van 25 mei 2016. [X] stelt dat hij op 7 juli 2016 bij wege van e-mail bezwaar heeft gemaakt tegen de naheffingsaanslag van 1 juni 2016.

1.2.

De heffingsambtenaar betoogt op 11 juli 2016 te hebben geweigerd de e-mail van

[X] als bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag van 25 mei 2016 in behandeling te nemen.

1.3.

De heffingsambtenaar stelt voorts dat hij de e-mail betrekking hebbende op de naheffingsaanslag van 1 juni 2016 niet heeft ontvangen.

1.4.

Bij brieven van 2 januari 2017 heeft [X] de heffingsambtenaar in gebreke

gesteld om een uitspraak te doen op de bezwaarschriften. De heffingsambtenaar heeft deze brieven aangemerkt als bezwaarschriften.

1.5.

[X] heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig doen van uitspraak op de bezwaren.

1.6.

Bij uitspraken op bezwaar van 2 juni 2017 heeft de heffingsambtenaar de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard.

1.7.

[X] heeft aanvullende beroepschriften ingediend. De rechtbank heeft partijen laten weten dat de beroepschriften zich mede richten tegen de uitspraken op bezwaar.

1.8.

Het beroep in de zaak die betrekking heeft op de naheffingsaanslag van 25 mei 2016 is mede gericht tegen de weigering van de heffingsambtenaar van 11 juli 2016 om de e-mail van [X] als bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag van 25 mei 2016 in behandeling te nemen.

1.9.

Bij uitspraak van 16 mei 2018 heeft de rechtbank als volgt beslist, waarbij het nummer 17/1310 ziet op de procedure inzake de naheffingsaanslag van 25 mei 2016, en het nummer 17/1313 op de procedure inzake de naheffingsaanslag van 1 juni 2016:

“De rechtbank verklaart het beroep in de zaken 17/1310 en 17/1313 niet-ontvankelijk voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit.

De rechtbank verklaart het beroep in de zaak 17/1310 niet-ontvankelijk voor zover gericht tegen de weigering om op het bezwaarschrift te beslissen.

De rechtbank verklaart het beroep in de zaken 17/1310 en 17/1313 voor het overige ongegrond.”

1.10.

De tegen deze uitspraak door [X] ingestelde hogere beroepen zijn bij het Hof

ingekomen op 20 mei 2018. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. [X] heeft een conclusie van repliek genomen, de heffingsambtenaar een conclusie van dupliek. [X] heeft nadere stukken ingediend met dagtekening 1 juni 2019, 4 juni 2019 en 22 juni 2019.

1.11.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2019. Met kennisgeving aan het Hof is van de zijde van [X] en van de heffingsambtenaar niemand verschenen.

2 Tussen partijen vaststaande feiten

2.1.

De naheffingsaanslagen zijn opgelegd aan [onderneming]

2.2.

Tot de gedingstukken behoren twee door de gemachtigde overgelegde nagenoeg identieke machtigingen. Eén machtiging (gedateerd 15 februari 2016) meldt als naam van degene die de machtiging geeft “ [machtiging a] ”, en is ondertekend door [X] . Eén machtiging (gedateerd 2 juni 2016) meldt als naam van degene die de machtiging geeft “ [machtiging b] ”, en is ondertekend door [X] .

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

In geschil is of de rechtbank de beroepen gericht tegen de uitspraken van 2 juni 2017 (zie 1.6.) terecht ongegrond heeft verklaard, terecht heeft geoordeeld dat de heffingsambtenaar geen dwangsommen verschuldigd is en terecht geen aanleiding heeft gezien voor een proceskostenveroordeling.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft - voor zover in hoger beroep van belang - het volgende overwogen (waarbij het Hof de voetnoten heeft weggelaten):

Maakt de gemachtigde van [X] misbruik van procesrecht?

4. Volgens de heffingsambtenaar moet de rechtbank [X] niet-ontvankelijk verklaren in zijn beroepen omdat zijn gemachtigde misbruik van procesrecht maakt. Hij voert een groot aantal procedures, maakt daarbij veelvuldig gebruik van zeer algemeen geformuleerde machtigingen en procedeert op basis van no-cure-no-pay. In deze zaken heeft hij het beroepschrift verstuurd naar een onjuist adres. De ingebrekestellingen zijn ook verstuurd naar een onjuist adres en bevatten bovendien geen kenmerk. De bezwaarschriften wekken de suggestie dat ze zijn verstuurd naar algemeen.dbga@amsterdam.nl, maar zijn feitelijk verstuurd naar parkeerbezwaar@amsterdam.nl. De gemachtigde heeft geen inhoudelijke gronden ingediend.

5. De gemachtigde spreekt tegen dat hij misbruik van procesrecht zou maken. Geen rechtsregel verzet zich tegen het procederen krachtens een algemeen geformuleerde machtiging, terwijl de verhouding tussen [X] en zijn gemachtigde een zaak van hen beiden is. Andere door de gemachtigde gevoerde procedures kunnen aan [X] niet worden tegengeworpen. In de naheffingsaanslagen stond geen rechtsmiddelenclausule, terwijl de bezwaarschiften en de ingebrekestellingen juist waren geadresseerd. Met de ingebrekestellingen was bovendien een kopie van het bezwaarschrift meegestuurd, waaruit

het kenmerk van het dossier bleek.

6. Op de zitting heeft de heffingsambtenaar aan zijn standpunt toegevoegd dat indiening per e-mail in plaats van het voorgeschreven web-formulier ervoor zorgt dat een zaak niet correct in de systemen van de heffingsambtenaar wordt geregistreerd. Dat bemoeilijkt de bewaking van de beslistermijn. Het weglaten van een kenmerk in een ingebrekestelling, zelfs als daarbij een kopie van de naheffingsaanslag is gevoegd, zorgt voor verwarring als beide documenten los van elkaar raken.

7. De rechtbank oordeelt als volgt over de vraag of de gemachtigde van [X] misbruik van procesrecht maakt. Het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat iemand geen bevoegdheid kan inroepen, voor zover hij haar misbruikt. Deze bepaling vindt buiten het vermogensrecht toepassing, voor zover de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet. Van misbruik is sprake als iemand geen ander doel heeft dan een ander te schaden of een ander doel heeft dan waarvoor de bevoegdheid is verleend. Ook is van misbruik sprake als iemand, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening van zijn bevoegdheid en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 van het EVRM.

8. In deze zaken maakt de gemachtigde van [X] aanspraak op dwangsommen en vergoeding van proceskosten, terwijl hij inhoudelijk niet op de hoogte lijkt te zijn van de naheffingsaanslagen waar het om gaat. Dat roept de verdenking op dat hij de bevoegdheid om deze procedures te voeren gebruikt met een ander doel dan waarvoor zij is verleend. Gezien de geldende strenge maatstaf oordeelt de rechtbank echter niet dat de gemachtigde misbruik van procesrecht heeft gemaakt. Tussen [X] en zijn gemachtigde overeengekomen volmachten en betalingsafspraken zijn daarvoor op zichzelf geen voldoende reden. Hoewel vraagtekens zijn te plaatsen bij de gevolgde werkwijze, heeft zij geen rechtstreekse invloed gehad op het verloop van de procedure. Het staat in dit dossier niet vast dat de gemachtigde correspondentie structureel verkeerd adresseert of dossierkenmerken structureel weglaat. Hij heeft de bezwaarschriften gericht aan het mailadres parkeerbezwaar@amsterdam.nl en daarmee de correcte registratie in de systemen van de heffingsambtenaar gepasseerd. Hiermee worden problemen veroorzaakt bij de heffingsambtenaar, wat de gemachtigde als professionele bijstandsverlener duidelijk moet zijn geweest. Anderzijds blijkt uit de naam van het e-mailadres dat het wel bij de heffingsambtenaar in gebruik is. Alles afwegende oordeelt de rechtbank daarom niet dat sprake is van een structurele handelwijze.

9. De rechtbank oordeelt daarom in beide zaken niet dat de gemachtigde misbruik van

procesrecht heeft gemaakt.

Zijn op 4 en 7 juli 2016 bezwaarschriften ingediend?

10. De rechtbank beantwoordt nu de vraag of en wanneer [X] bezwaarschriften heeft ingediend. Deze vraag gaat vooraf aan de vraag of tijdig is beslist op die bezwaarschriften, de vraag of de bezwaarschriften ontvankelijk waren en de vraag of de heffingsambtenaar dwangsommen verschuldigd is.

11. Het beroep richt zich in de zaak 17/1310 tegen het niet-tijdig nemen van een beslissing op het bezwaarschrift dat [X] op 4 juli 2016 per e-mail heeft ingediend. De heffingsambtenaar stelt dat hij heeft geweigerd de e-mail als bezwaarschrift in behandeling te nemen, omdat hij niet had kenbaar gemaakt dat deze weg was geopend voor het indienen van bezwaarschriften.

12. Het beroep richt zich in de zaak 17/1313 tegen het niet-tijdig nemen van een beslissing op het bezwaarschrift dat [X] op 7 juli 2016 per e-mail stelt te hebben ingediend. De heffingsambtenaar stelt deze e-mail toen niet te hebben ontvangen, aangezien hij deze in zijn systemen niet kan terugvinden. In beroep heeft [X] een afdruk overgelegd van zijn e-mail van 7 juli 2016 aan parkeerbezwaar@amsterdarn.nl met als onderwerp “bezwaarschrift tegen naheffingsaanslag d.d. 1juni 2016 met kenmerk [aanslagnummer] ” en met als bijlage een pdf-bestand met de naam “4 bezwaar.pdf’. Ook heeft hij een afdruk overgelegd van een ontvangstbevestiging, die de heffingsambtenaar kennelijk automatisch heeft verzonden.

13. De rechtbank oordeelt als volgt over de vraag of [X] op 4 en 7 juli 2016 bezwaar heeft gemaakt tegen de opgelegde naheffingsaanslagen. Artikel 2:15, eerste lid, van de Algemene Wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat een bericht elektronisch naar een bestuursorgaan kan worden verzonden voor zover het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat deze weg is geopend. Als die weg niet is geopend kan een elektronisch verzonden bezwaarschrift op grond van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

14. Niet ter discussie staat dat de heffingsambtenaar de e-mail van 4juli 2016 op dezelfde dag heeft ontvangen. De rechtbank vindt dat [X] eveneens voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de heffingsambtenaar zijn e-mail van 7 juli 2016 op dezelfde dag heeft ontvangen. De rechtbank leidt dit af uit de overgelegde ontvangstbevestiging en uit de erkenning van de heffingsambtenaar dat hij de e-mail van 4 juli 2016 op hetzelfde mailadres wel heeft ontvangen. Dat een e-mail is gebruikt in plaats van het voorgeschreven web-formulier kan verklaren waarom het bezwaarschrift niet meer is te vinden in de systemen van de heffingsambtenaar. Dit kan gevolgen hebben voor de ontvankelijkheid van het bezwaar, maar doet niet af aan de vaststelling dat een bezwaarschrift is ingediend.

15. Dit betekent dat op 4 en 7 juli 2016 weliswaar bezwaarschriften zijn ingediend, maar

dat deze niet voldeden aan de bij de wet gestelde vereisten voor het in behandeling nemen

daarvan.

Heeft de heffingsambtenaar tijdig een uitspraak op bezwaar gedaan?

16. De rechtbank beoordeelt nu of de heffingsambtenaar uitspraak heeft gedaan op de bezwaarschriften en of deze uitspraak tijdig was.

17. Terwijl het beroep aanhangig was heeft de heffingsambtenaar op 2 juni 2017 uitspraak gedaan op bezwaarschriften van 2 januari 2017. Daarmee doelt de heffingsambtenaar op de door [X] gestuurde ingebrekestellingen van die datum, waarbij kopieën van de bezwaarschriften van 4 en 7 juli 2016 waren gevoegd. De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar hiermee uitspraak heeft gedaan op die bezwaarschriften. Daarvoor is niet van belang dat de heffingsambtenaar pas de ingebrekestellingen van 2 januari 2017 als bezwaarschrift heeft aangemerkt. Duidelijk is immers dat bij die ingebrekestellingen de bezwaarschriften waren gevoegd en dat de heffingsambtenaar heeft beslist op het daarin gemaakte bezwaar. Evenmin is van belang dat de heffingsambtenaar bij e-mail van 11 juli 2016 had geweigerd het bezwaarschrift van 4 juli 2016 in behandeling te nemen. Op die weigering kon de heffingsambtenaar terugkomen, aangezien hij nog geen uitspraak had gedaan op het bezwaarschrift.

18. De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar niet tijdig op de bezwaarschriften heeft beslist. Op grond van artikel 4:17, eerste lid, van de Awb en artikel 236, tweede lid, van de Gemeentewet had de heffingsambtenaar dit in hetzelfde kalenderjaar moeten doen. Deze termijn verstreek dus op 1 januari 2017, terwijl de uitspraken zijn gedaan op 2 juni 2017. Nu de uitspraken inmiddels zijn gedaan heeft [X] echter geen belang meer bij zijn verzoek aan de rechtbank om te bepalen dat de heffingsambtenaar uitspraak moet doen. In zoverre is zijn beroep niet-ontvankelijk.

De weigering om op het bezwaarschrift van 4 juli 2016 te beslissen

19. De heffingsambtenaar stelt dat hij op de e-mail van 4 juli 2016 heeft geantwoord met een weigering om deze als bezwaarschrift in behandeling te nemen. [X] betwist dat hij deze bij e-mail van 11 juli 2016 verzonden weigering heeft ontvangen. Hij zegt dat hij verzending langs elektronische weg niet had opengesteld. In zijn repliek richt [X] het

beroep mede tegen die weigering.

20. De rechtbank oordeelt hierover als volgt. Hierboven heeft de rechtbank uitgelegd dat de heffingsambtenaar is teruggekomen van zijn weigering op het bezwaarschrift te beslissen. [X] heeft daarom geen belang meer bij zijn beroep tegen deze weigering. De rechtbank zal hem daarin niet-ontvankelijk verklaren.

Zijn de bezwaarschriften terecht niet-ontvankelijk verklaard?

21. De rechtbank beoordeelt nu het beroep tegen de uitspraken op bezwaar van 2 juni 2017, waarin de bezwaarschriften niet-ontvankelijk zijn verklaard.

22. De heffingsambtenaar heeft de bezwaarschriften niet-ontvankelijk verklaard omdat deze niet de gronden van het bezwaar bevatten. [X] heeft de gelegenheid gehad dit verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn, zodat het bezwaar volgens de heffingsambtenaar niet-ontvankelijk kon worden verklaard. [X] is echter van mening dat de heffingsambtenaar hem eerst een kopie van de stukken van de zaken had moeten verstrekken. Eerder had de heffingsambtenaar geen gronden van het bezwaar mogen verlangen, zo begrijpt de rechtbank zijn betoog.

23. De rechtbank oordeelt dat de bezwaarschriften terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard. Op grond van artikel 6:5 van de Awb moet een bezwaarschrift ten minste de gronden van het bezwaar bevatten. Als aan die eis niet is voldaan kan het bezwaar op grond van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. Vaststaat dat [X] geen gronden van het bezwaar heeft ingediend en dat hij geen gebruik heeft gemaakt van de geboden gelegenheid om dat verzuim te herstellen.

24. De rechtbank oordeelt dat de voor het herstel gestelde termijn niet te kort is geweest. Zij verwerpt het betoog van [X] dat de heffingsambtenaar hem eerst een kopie van de stukken van de zaken had moeten verstrekken. [X] baseert dit betoog op artikel 7:4 van de Awb. Dat artikel bepaalt dat het bestuursorgaan alle op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen ter inzage legt en dat [X] van deze stukken afschriften kunnen verkrijgen. Anders dan [X] meent houdt dit artikel niet in dat een [X] in de bezwaarfase recht heeft op toezending van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Het geeft [X] slechts een recht op inzage en het verkrijgen van afschriften.

25. De rechtbank merkt op dat niet vaststaat dat [X] belang had bij de bezwaarschriften. De opgelegde naheffingsaanslagen zijn immers geadresseerd aan [onderneming] Hieruit leidt de rechtbank af dat de naheffingsaanslagen zijn opgelegd aan een besloten vennootschap. Het is immers verboden de aanduiding B.V. in een handelsnaam te voeren als een onderneming niet toebehoort aan een besloten vennootschap. Een besloten vennootschap bezit rechtspersoonlijkheid en is zelfstandig drager van rechten en verplichtingen. Hieruit zou volgen dat alleen [onderneming] en niet [X] gehouden is de opgelegde naheffingsaanslagen te betalen.

26. De rechtbank heeft geen aanleiding te onderzoeken of de bezwaarschriften ook om die reden niet-ontvankelijk waren. De heffingsambtenaar heeft de bezwaarschriften terecht niet-ontvankelijk verklaard omdat geen gronden van het bezwaar zijn ingediend. Het daartegen gerichte beroep is reeds daarom ongegrond.

Is de heffingsambtenaar dwangsommen verschuldigd?

27. Tot slot is de vraag aan de orde of de heffingsambtenaar dwangsommen verschuldigd is omdat hij te laat op de bezwaarschriften heeft beslist.

28. De rechtbank oordeelt hierover als volgt. Op grond van artikel 4:17, eerste lid, van de Awb verbeurt een bestuursorgaan een dwangsom indien een beschikking niet tijdig wordt gegeven. Op grond van het zesde lid van dat artikel is geen dwangsom verschuldigd indien de aanvraag kennelijk niet-ontvankelijk is. Een bezwaar is kennelijk niet ontvankelijk indien over de ontvankelijkheid redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is, zodat het op grond van artikel 7:3 van de Awb niet nodig is [X] daarover te horen. Daarbij is niet beslissend of het bestuursorgaan het bezwaar daadwerkelijk kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard.

29. Hierboven heeft de rechtbank uitgelegd dat de heffingsambtenaar de bezwaarschriften terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat geen gronden zijn ingediend. [X] heeft dit niet betwist. Dat een bezwaarschrift gronden moet bevatten is in artikel 6:5, eerste lid onder d, van de Awb uitdrukkelijk bepaald. De rechtbank oordeelt daarom dat er geen twijfel over bestaat dat de op 4 en 7 juli 2016 ingediende bezwaarschriften niet-ontvankelijk waren.

30. Aangezien de bezwaarschriften kennelijk niet-ontvankelijk waren, is de heffingsambtenaar geen dwangsommen verschuldigd omdat hij te laat heeft beslist. Evenmin behoeft hij wettelijke rente te vergoeden. De rechtbank zal de beroepen in zoverre ongegrond verklaren.

Slotsom

31. De rechtbank zal in beide zaken het beroep deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond verklaren. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”

5 Beoordeling van het geschil

5.1.

In overweging 25 heeft de rechtbank opgemerkt dat niet vast staat dat [X] belang heeft bij de bezwaarschriften.

5.2.

In zijn verweerschrift in hoger beroep heeft de heffingsambtenaar onder andere het volgende aangevoerd:

“Naar de mening van verweerder was appellant niet bevoegd bij de rechtbank beroep in te stellen, zodat hij ook geen hoger beroep kan instellen. Verweerder merkt daartoe het volgende op. De naheffingsaanslag is opgelegd aan [onderneming] . Het beroepschrift bij de rechtbank en in hoger beroep is ingediend door de heer Niederer namens [X] . Uit de overlegde machtiging blijkt dat [X] handelt namens [onderneming] . Uit de machtiging blijkt niet dat [X] bevoegd is namens [onderneming] (hoger) beroep in te stellen. Appellant heeft ook geen stukken overlegd waaruit deze bevoegdheid zou blijken. Naar de mening van verweerder is [X] geen belanghebbende en is het (hoger) beroep om die reden niet ontvankelijk.”

5.3.

De stukken van het geding bevatten niets waaruit kan volgen dat [X] als bestuurder van [onderneming] dan wel als bepaaldelijk door [onderneming] daartoe gemachtigd, bevoegd was namens [onderneming] beroep in te stellen. Hoewel de bevoegdheid van [X] door de heffingsambtenaar expliciet aan de orde is gesteld (zie 5.2.) heeft [X] noch in zijn conclusie van repliek noch in enig ander nadien bij het Hof ingediend stuk iets aangevoerd of overgelegd waaruit zou kunnen volgen dat hij wel bevoegd was om hetzij namens [onderneming] hetzij uit eigen hoofde beroep in te stellen. Dit had zonder meer – in aanmerking nemende dat hij wordt vertegenwoordigd door een beroepsmatig optredende gemachtigde – op zijn weg gelegen indien zulks wel het geval zou zijn.

5.4.

Het vorenoverwogene brengt mee dat er van moet worden uitgegaan dat [X] geen rechtens relevant belang heeft bij de belastingaanslagen. [X] heeft derhalve evenmin belang bij een eventuele weigering van de heffingsambtenaar om de e-mail van [X] als bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag van 25 mei 2016 in behandeling te nemen (zie onder 1.8.) en/of bij door de heffingsambtenaar op tegen de belastingaanslagen ingediende bezwaarschriften gedane uitspraken (zie onder 1.6.).

5.5.

De rechtbank heeft het beroep dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard voor zover het is gericht tegen de weigering van de heffingsambtenaar van 11 juli 2016 (zie 1.2. en 1.8.), wat er ook moge wezen van de daartoe gebruikte gronden.

5.6.

De rechtbank had ook de beroepen voor zover gericht tegen de uitspraken op bezwaar van 2 juni 2017 (bij gebreke van enig belang) niet-ontvankelijk moeten verklaren.

5.7.

Het vorenstaande brengt niet mee dat de hogere beroepen niet-ontvankelijk zijn. Nu de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het door [X] ingediende beroep, was [X] bevoegd tegen die uitspraak in hoger beroep te gaan.

5.8.

Nu de beroepen van [X] niet-ontvankelijk zijn en ervan moet worden uitgegaan dat hij noch bij het bezwaar, noch bij het beroep een relevant belang had, bestaat geen grond voor een proceskostenveroordeling in de beroeps- of bezwaarfase.

5.9.

Aangezien [X] geen belanghebbende is bij de belastingaanslagen bestaat reeds op die grond geen recht op een dwangsom op de voet van paragraaf 4.1.3.2. van de Awb (artikel 4:17, lid 6, aanhef en onderdeel b, Awb).

Slotsom

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat de uitspraak van de rechtbank niet in stand kan blijven. Het beroep dient alsnog ook niet-ontvankelijk te worden verklaard voor zover het gericht is tegen de uitspraken op bezwaar van 2 juni 2017. Voor zover het de beslissing inzake de dwangsommen betreft heeft de rechtbank het beroep terecht ongegrond geacht.

6 Kosten

Nu de uitspraak van de rechtbank niet in stand kan blijven ziet het Hof aanleiding voor een veroordeling in de kosten in verband met de behandeling van de hogere beroepen op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met artikel 8:108 van die wet. Nu het hoger beroep alleen punten van formele aard betreft kent het Hof aan de zaak in hoger beroep een factor 0,5 voor het gewicht toe. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten bedragen derhalve 0,5 x 1,5 (proceshandelingen) x € 512 = € 384. Het Hof vindt voorts aanleiding om nu de uitspraak van de rechtbank alleen voor wat betreft het dictum wordt gecorrigeerd zonder dat daarbij een andere materiële situatie ten aanzien van de heffing van de belasting ontstaat, te bepalen dat de griffier het griffierecht aan de indiener van het hogerberoepschrift terugbetaalt (artikel 8:114, lid 1, Awb).

7 Beslissing

Het Hof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de rechtbank behoudens voor zover daarin de beroepen gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit en tegen de weigering van de heffingsambtenaar van 11 juli 2016 niet-ontvankelijk zijn verklaard;

  • -

    verklaart de beroepen voor zover gericht tegen de uitspraken op bezwaar van 2 juni 2017 niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

  • -

    veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van het hoger beroep tot een bedrag van € 384;

  • -

    gelast de griffier het griffierecht in hoger beroep van € 126 aan [X] te vergoeden.

De uitspraak is gedaan door mrs. F.J.P.M. Haas, voorzitter, M.J. Leijdekker en N. Djebali, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. V. Sathananthan als griffier.

De beslissing is op 10 september 2019 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.