Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:325

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
05-02-2019
Datum publicatie
12-02-2019
Zaaknummer
200.230.227/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Alimentatie, kosten huishoudgeld’

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.230.227/01

zaak-/rekestnummer rechtbank: C/15/257597 / FA RK 17-2121

beschikking van de meervoudige kamer van 5 februari 2019 inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats 1] , [land] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. I.R. Feddema te Amsterdam,

en

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. M. Verkijk te Haarlem.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, van 16 augustus 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De man is op 14 december 2017 in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking van 16 augustus 2017.

2.2

De vrouw heeft op 31 januari 2018 een verweerschrift ingediend.

2.3

Bij het hof zijn vervolgens de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de man van 5 januari 2018 met bijlagen, ingekomen op 8 januari 2018;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 12 juni 2018 met bijlagen, ingekomen op dezelfde dag.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 20 juni 2018 plaatsgevonden. De advocaten van partijen zijn verschenen. Partijen zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. De advocaat van de man heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

2.5

Na de mondelinge behandeling zijn met toestemming van het hof ingekomen:

- een brief van de vrouw van 2 juli 2018 met bijlagen, ingekomen per post op 4 juli 2018;

- een faxbericht van de zijde van de man van 4 juli 2018, ingekomen op dezelfde dag.

3 De feiten

3.1

Partijen zijn met elkaar gehuwd. Uit dit huwelijk zijn twee thans meerderjarige kinderen geboren.

3.2

De man is per 1 juni 2016 geëmigreerd naar Marokko. De vrouw woont met een van de twee kinderen van partijen, [X] , geboren [in] 1974 (hierna: [X] ). Zij bewonen de huurwoning die partijen in het verleden gezamenlijk bewoonden.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is, overeenkomstig het inleidende verzoek van de vrouw, bepaald dat de man aan de vrouw als huishoudgeld € 650,- netto per maand dient te voldoen, met ingang van 1 juni 2016 en voor wat betreft de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen. De man heeft in eerste aanleg geen verweer gevoerd.

4.2

De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, het inleidend verzoek van de vrouw af te wijzen.

4.3

De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen, althans opnieuw rechtdoende een bijdrage te bepalen tegen een zodanige ingangsdatum zoals het hof in goede justitie vermeent te behoren.

5 De motivering van de beslissing

5.1

De man bestrijdt de beslissing van de rechtbank met het primaire standpunt dat bijzondere omstandigheden zich ertegen verzetten dat hij op grond van artikel 1:84 Burgerlijk Wetboek (BW) dient bij te dragen in de kosten van huishouding van de vrouw. Hij voert hiertoe aan dat de vrouw er zelf voor heeft gekozen in Nederland te blijven wonen. De man heeft de vrouw uitdrukkelijk laten weten dat zij dan zelf haar kosten van huishouding in Nederland zou moeten voldoen. De man betwist dat sprake is van een overeenkomst tussen partijen ten aanzien van doorbetaling van de huurwoning door de man na zijn remigratie naar Marokko.

Subsidiair stelt de man dat de door de rechtbank bepaalde bijdrage van € 650,- per maand onredelijk hoog is gelet op zijn inkomsten. De bijdrage betreft ongeveer de helft van het inkomen van de man, terwijl de vrouw een AOW-uitkering en ouderdomspensioen ontvangt en bovendien haar vaste lasten met de bij haar inwonende dochter kan delen. Conform artikel 1:84 BW dienen de kosten van de man en de vrouw afzonderlijk bij elkaar te worden opgeteld en dan naar rato van het inkomen van partijen te worden verdeeld, aldus de man.

Tot slot stelt de man dat de door de rechtbank gehanteerde ingangsdatum van 1 juni 2016 niet redelijk is. Er was geen afspraak tussen de man en de vrouw over doorbetaling van de huurwoning door de man en de man kon dan ook geen rekening houden met een aan de vrouw te betalen bijdrage. De ingangsdatum dient te worden bepaald op de datum van indiening van het inleidend verzoek, te weten 10 april 2017.

5.2

De vrouw weerspreekt de stellingen van de man. Zij voert aan dat de man in 2009 de voormalig echtelijke huurwoning heeft verlaten en de huurpenningen tot 2016 altijd heeft voldaan. Deze afspraak is volgens de vrouw indertijd gemaakt, althans de man heeft de betaling altijd op zich genomen. De vrouw mocht gelet op haar inkomen van de man verwachten dat hij de huurbetaling zou voortzetten. De verplichtingen van de man vloeien rechtstreeks voort uit de wet. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden die tot een andere opvatting kunnen leiden. Niet relevant is dat vrouw niet mee wilde naar Marokko. Een bijdrage van € 650,- per maand is redelijk, waarbij de vrouw verwijst naar de overgelegde financiële gegevens.

5.3

Het hof overweegt als volgt. Beide partijen hebben zowel de Nederlandse als de Marokkaanse nationaliteit. Hun geschil betreft hun onderlinge betrekkingen als echtgenoten. De Nederlandse rechter komt daarover rechtsmacht toe op grond van artikel 3 Rv aanhef en onder a. Rv, nu de vrouw in Nederland haar woonplaats heeft. Ingevolge artikel 10:36, aanhef en onder c. BW wordt het onderhavige geschil beheerst door Nederlands recht. De vrouw en de man hadden tot 2016 beiden hun gewone verblijfplaats in Nederland. Weliswaar is de man geëmigreerd naar Marokko, maar de vrouw leeft nog steeds in Nederland, terwijl het voorts in deze zaak gaat om de vraag of en in hoeverre de man aan de vrouw gelden ter beschikking dient te stellen voor het huishouden in Nederland. Daarmee zijn de echtgenoten, alle omstandigheden in aanmerking genomen, het nauwst met Nederland verbonden.

5.4

Ingevolge artikel 1:84 lid 1 BW komen de kosten der huishouding ten laste van het gemene inkomen van de echtgenoten en, voor zover dit ontoereikend is, ten laste van hun eigen inkomens in evenredigheid daarvan; voor zover de inkomens ontoereikend zijn, komen deze kosten ten laste van het gemene vermogen en, voor zover ook dit ontoereikend is, ten laste van de eigen vermogens naar evenredigheid daarvan. Een en ander geldt niet voor zover bijzondere omstandigheden zich er tegen verzetten. Lid 2 van genoemd artikel bepaalt dat de echtgenoten jegens elkaar verplicht zijn tot de bestrijding van de in het eerste lid bedoelde uitgaven voldoende gelden ter beschikking te stellen uit de onder hun bestuur staande goederen, voor zover bijzondere omstandigheden zich daartegen niet verzetten.

5.5

De man voert aan dat bijzondere omstandigheden zich verzetten tegen het vaststellen van een bijdrage ten behoeve van de vrouw, daartoe aanvoerend dat de vrouw er zelf voor heeft gekozen in Nederland te blijven wonen. Dit verweer faalt. Het is immers de man die ervoor gekozen heeft in de bestaande situatie verandering te brengen door naar Marokko te emigreren. Deze eigen keuze van de man levert geen bijzondere omstandigheid op als bedoeld in artikel 1:84 leden 1 en 2 BW.

Voor zover de vrouw heeft willen betogen dat zij met de man is overeengekomen dat hij ook na zijn vertrek naar Marokko zonder meer de woonlasten van de vrouw zou blijven voldoen, kan haar dat niet baten. Ingevolge artikel 1:84 lid 3 BW dient een dergelijke overeenkomst immers schriftelijk te worden aangegaan. Daarover is niets gesteld of gebleken.

5.6

Dit betekent dat het hof zal moeten bepalen of en in hoeverre in de gegeven omstandigheden de man op grond van artikel 1:84 lid 2 BW aan de vrouw een bijdrage is verschuldigd. Daarbij is, zoals de man terecht aanvoert, uitgangspunt dat de kosten van de huishoudingen van ieder der partijen afzonderlijk bij elkaar moeten worden opgeteld en vervolgens in beginsel naar rato van hun inkomens over hen worden verdeeld.

Het hof heeft de hierna vermelde bedragen steeds afgerond, tenzij anders vermeld. Het hof zal als ingangsdatum 1 juni 2016 bepalen. De man heeft immers jarenlang aan de vrouw een bijdrage voldaan en zijn vertrek naar Marokko per die datum vormt, zoals overwogen, geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan dit niet langer van hem zou kunnen worden gevergd. De man had dus rekening moeten houden met een voortzetting van die bijdragen.

5.7.

Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken:

Zij vormt samen met [X] een huishouden. Zij had in 2016 een inkomen uit AOW van € 9.009,- bruto per jaar en daarnaast een pensioenuitkering van € 185,- netto per maand. Rekening houdend met de algemene heffingskorting en de ouderenkorting leidt dat tot een netto besteedbaar inkomen van € 936,- per maand.

Zij heeft huurlasten van € 643,- per maand. Zij betaalt € 23,- per maand aan waterschapsbelasting en € 44,- per maand aan PWN als voorschot voor drinkwater. Haar voorschot voor de NUON bedraagt € 163,- per maand. Aan afvalstoffenheffing betaalt zij € 27,- per maand.

[X] heeft een Wajong-uitkering van € 1.002,- netto per maand en kan dus bijdragen aan de kosten van het huishouden. Het hof acht het daarom redelijk slechts de helft van bovengenoemde lasten voor rekening van de vrouw te brengen. Daarnaast zal het hof rekening houden met haar premie ziektekostenverzekering van € 113,- per maand en, anders dan de man doet in zijn berekening, met de bijstandsnorm voor een alleenstaande, gecorrigeerd voor woonlasten en ziektekostenpremie, zijnde € 705,-. De totale kosten van haar huishouden bedragen derhalve € 1.268,-. De vrouw komt dus maandelijks € 332,- netto tekort om de kosten van de huishouding te voldoen.

5.8.

Ten aanzien van de man is het volgende gebleken. Hij had blijkens de desbetreffende jaaropgaven in 2015 een AOW-uitkering van € 8.429,- bruto per jaar en een pensioenuitkering van het Spoorwegpensioenfonds van € 8.541,- bruto per jaar. Rekening houdend met de algemene heffingskorting en de ouderenkorting betekent dat, dat hij een maandelijks netto besteedbaar inkomen heeft van € 1.345,-.

Zijn vaste lasten bedragen:

  • -

    Belasting € 3,- per maand

  • -

    Autoverzekering € 26,- per maand

  • -

    Medicijnen € 131,- per maand

  • -

    Watergeld € 3,- per maand

  • -

    Elektriciteit € 10,- per maand

  • -

    Benzine en onderhoud auto € 150,- per maand

Daarnaast zal het hof rekening houden met voornoemde Nederlandse bijstandsnorm gecorrigeerd voor woonlasten en ziektekosten van € 705,-. Gezien de gemiddeld lagere kosten voor levensonderhoud in Marokko acht het hof het redelijk die norm te corrigeren tot 75% van dat bedrag, zijnde € 529,-.

Het hof zal geen rekening houden met de overige door de man gestelde lasten, te weten telefoonkosten van € 75,- per maand, kosten voor onderhoud van een woning van € 50,- per maand, en een (mogelijke) verhoging medicijnkosten tot € 150,- per maand. Onvoldoende is gebleken dat dit kosten der huishouding zijn als bedoeld in artikel 1:84 lid 1 BW.

Hieruit volgt dat de kosten van de huishouding voor de man in totaal € 852,- per maand bedragen.

5.9

Uit het voorgaande blijkt dat het totale netto besteedbaar inkomen van partijen € 2.281,- per maand bedraagt. Het aandeel van de man daarin is 59%, gelet op hun inkomensverdeling. De totale kosten van hun huishoudens zijn € 2.120,- per maand. Dat is minder dan hun totale netto inkomens. De man dient van die kosten 59%, dus in beginsel een bedrag van € 1.251,- voor zijn rekening te nemen. Hoewel het hier geen bijdrage in het levensonderhoud als bedoeld in artikel 1:402a lid 1 BW betreft, acht het hof het redelijk te bepalen dat deze bijdrage zal worden geïndexeerd met het krachtens die bepaling jaarlijks vast te stellen indexeringspercentage.

5.10

De door de rechtbank vastgestelde bijdrage van € 650,- per maand kan niet in stand blijven, niet alleen omdat dit het aandeel van de man te boven gaat, maar ook omdat het meer is dan het maandelijkse tekort van de vrouw van in totaal € 332,-. Wanneer de man het maandelijkse tekort van de vrouw aanvult, blijft er voor hem een bedrag van 161,- over van zijn netto besteedbaar inkomen minus zijn eigen kosten en minus het tekort van de vrouw. Het hof vindt het redelijk om dit surplus tussen de man en de vrouw te verdelen. Zodoende zal een bijdrage in de kosten van de huishouding van de vrouw worden opgelegd van € 412,- per maand. Mogelijk ontstaat door de bestreden beschikking een terugbetalingsverplichting voor de vrouw, nu zij onder man loonbeslag heeft gelegd. Het hof acht het evenwel niet redelijk dat zij geïncasseerde bedragen zou kunnen behouden voor zover dit een bedrag van € 412,- per maand te boven gaat, aangezien dit meerdere geen betrekking kan hebben gehad op voor haar rekening komende kosten van haar huishouding.

5.11

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep, en opnieuw beschikkende:

- bepaalt dat de man als bijdrage in de kosten van de huishouding met ingang van 1 juni 2016 aan de vrouw zal voldoen een bedrag van € 412,- (vierhonderd en twaalf euro) per maand, toekomstige termijnen bij vooruitbetaling te voldoen;

- bepaalt dat dit bedrag jaarlijks wordt verhoogd met wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a lid 1 BW, voor het eerst per 1 januari 2017;

- bepaalt dat voor zover de man meer heeft betaald of meer op hem is verhaald dan bovengenoemd bedrag, de vrouw dit meerdere dient terug te betalen;

- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.C. Louwinger-Rijk, mr. A.V.T. de Bie en
mr. J.A. van Keulen, in tegenwoordigheid van mr. A. Paats als griffier en is op
5 februari 2019 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.