Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:3233

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-09-2019
Datum publicatie
20-09-2019
Zaaknummer
200.251.430/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanneming van werk. Hoogte van in kader van beëindigingsovereenkomst te retourneren bedrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.251.430/01

zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam: 6665810 \ CV EXPL 18-3926

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 3 september 2019

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonend te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

niet verschenen.

Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd

1 Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaarding van 5 november 2018 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 24 augustus 2018, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde. Tegen [geïntimeerde] is verstek verleend. [appellant] heeft een memorie van grieven met producties ingediend. Ten slotte is arrest bepaald.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en
- uitvoerbaar bij voorraad - alsnog de vordering van [appellant] zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties.

[appellant] heeft in hoger beroep bewijs van zijn stellingen aangeboden.

2 De feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1.1 tot en met 1.4 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten dienen, voor zover niet in geschil, ook in hoger beroep als uitgangspunt. Waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

a. [appellant] en [geïntimeerde] hebben in 2016 een overeenkomst van aanneming van werk gesloten (hierna: de overeenkomst). Daarbij is afgesproken dat [geïntimeerde] voor [appellant] werkzaamheden zou verrichten ten behoeve van de verbouwing van de nieuwe woning van [appellant] in [plaats] .

b. Op 19 juli 2016 heeft [appellant] aan [geïntimeerde] per bank een bedrag van € 10.000,- overgemaakt met de omschrijving “ [plaats] VERBOUWING 2016”

c. Op 30 september 2016 heeft [appellant] per bank een bedrag van € 2.000,- ontvangen van [geïntimeerde] .

d. [geïntimeerde] heeft de overeengekomen werkzaamheden niet afgemaakt.

3 De beoordeling

3.1

[appellant] heeft in eerste aanleg gevorderd (i) betaling van een bedrag van € 8.000,-, te vermeerderen met wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 februari 2018, (ii) betaling van een bedrag van € 937,75 ter zake van buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 februari 2018 (de datum van dagvaarding) en (iii) veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten. De kantonrechter heeft deze vordering afgewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] met zijn grieven op.

3.2

[appellant] heeft in hoger beroep, met stukken onderbouwd en in het verlengde van hetgeen hij reeds in eerste aanleg had gesteld, aangevoerd dat [geïntimeerde] te kort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de overeenkomst. [geïntimeerde] heeft volgens [appellant] werkzaamheden niet of niet goed uitgevoerd en materialen niet geleverd. Zo is in de woonkamer een draagbalk scheef gemonteerd met een verloop van vijf centimeter over een lengte van drie meter en is aan de achterzijde van de woning een voor openslaande deuren in de gevel gemaakt gat scheef gezaagd aan een zijde en is aan een andere zijde een stuk muur scheef afgebroken, waardoor metselwerk moest worden hersteld. Het elektrawerk van [geïntimeerde] voldeed evenmin. Een opvolgend elektrotechniekbedrijf heeft onder meer verklaard dat in de muur geboorde dozen en schakelaars scheef waren aangebracht en op verschillende hoogtes, deze dozen ook anderszins op meerdere punten niet in orde waren en slechts een goede installatie kon worden aangelegd als opnieuw werd begonnen met de desbetreffende werkzaamheden. Ook het CV-werk was niet in orde; [geïntimeerde] heeft volgens [appellant] zelf erkend dat er knikjes in de CV-leiding zaten. Verder zou [geïntimeerde] een CV-ketel, radiatoren en tuindeuren aanschaffen en plaatsen, zo heeft [appellant] naar voren gebracht. Dit heeft [geïntimeerde] niet gedaan. [geïntimeerde] heeft slechts met een oude halve kraan, een oude doucheafvoer en een tweedehands toiletonderdeel aangeleverd. Het door [appellant] overgemaakte bedrag van € 10.000,- was deels ook voor materiaal bestemd. [appellant] heeft zelf een CV-ketel moeten aanschaffen en een bedrag van € 6.405,- aan materiaal uitgegeven. Partijen hebben uiteindelijk, zo heeft [appellant] verder gesteld, de overeenkomst beëindigd althans als ontbonden beschouwd. Daarbij is afgesproken dat [geïntimeerde] het door [appellant] betaalde bedrag van € 10.000,- ten titel van ongedaanmakingsverplichting dan wel ten titel van schadevergoeding zou terugbetalen. [geïntimeerde] is daarna weggebleven en heeft ook nimmer een eindafrekening aan [appellant] gestuurd. Op 30 september 2016 heeft [geïntimeerde] al gedeeltelijk gevolg gegeven aan laatstgenoemde afspraak door een bedrag van € 2.000,- aan [appellant] terug te betalen. [geïntimeerde] is [appellant] derhalve nog een bedrag van € 8.000,- verschuldigd. [appellant] heeft [geïntimeerde] meermalen gesommeerd tot betaling van dit laatste bedrag over te gaan. [geïntimeerde] heeft via WhatsApp op 28 oktober 2016 aan [appellant] bericht: Sorry dat geld nog niet gestort hebt dinsdag zal het er op staan mvg [geïntimeerde] en op 2 december 2016: Al 2000 euro overgemaakt morgen of maandag de rest en Maak vandaag 1000 euro over. Ook [geïntimeerde] ging derhalve uit van vervolgbetalingen. Hieruit blijkt dat de kous nog niet af was met de eerder door [geïntimeerde] gedane betaling van het bedrag van € 2.000,-, aldus nog steeds [appellant] . Onder meer bij brief van 19 januari 2018 heeft [appellant] [geïntimeerde] gesommeerd een bedrag van € 8.000,- te betalen. Daarbij is aangezegd dat bij uitblijven van betaling vóór 1 februari 2018 aanspraak zou worden gemaakt op wettelijke rente en 15% incassokosten over de hoofdsom. De kantonrechter heeft de vordering van [appellant] dan ook ten onrechte afgewezen, zo heeft [appellant] ten slotte betoogd.

3.3

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg een aantal werkzaamheden opgesomd die hij naar zijn stellingen heeft verricht in het kader van de overeenkomst. Hij heeft daarbij gesteld met een aantal (vier althans minstens drie) man een aantal weken (drie althans tweeëneenhalve week) van zeven dagen te hebben gewerkt. [geïntimeerde] heeft voorts naar voren gebracht vervolgens in overleg met [appellant] tijdens de bouwvak vakantie te hebben opgenomen. Nadat hij van vakantie was teruggekeerd en de werkzaamheden weer wilde oppakken, zoals afgesproken, had [appellant] een andere aannemer in de arm genomen. [appellant] gaf te kennen geen vertrouwen meer te hebben in [geïntimeerde] . Hij heeft [geïntimeerde] foto’s laten zien van knikjes in de CV-leiding. Deze knikjes hadden echter geen gevolgen wat betreft eventuele lekkage, aldus [geïntimeerde] . [geïntimeerde] is ermee akkoord gegaan te stoppen met de werkzaamheden, aangezien de andere aannemer al aan het werk was, zelfs al klaar was, en [geïntimeerde] de relatie met [appellant] goed wilde houden, omdat hij graag in het restaurant van [appellant] kwam. Met de terugbetaling van het bedrag van € 2.000,- was de kwestie voor [geïntimeerde] afgehandeld. [geïntimeerde] heeft de aantijging betreffende de elektra verworpen en gesteld juist niet de uitsparing in de muur te hebben gemaakt, maar wel het herstelmetselwerk te hebben verricht. Dat de kwaliteit van het werk goed was, blijkt ook uit het feit dat [appellant] de betaling van het bedrag van € 10.000,- ook pas na twee of drie weken heeft gedaan nadat hij het reeds verrichte werk had goedgekeurd. Verder heeft [geïntimeerde] gesteld wél een CV-ketel te hebben geleverd. [geïntimeerde] heeft voor een bedrag van € 5.000,- aan materiaal geleverd. Volgens [geïntimeerde] is tussen partijen afgesproken dat [geïntimeerde] alleen de schade aan de CV-leiding ten bedrage van € 2.000,- zou vergoeden en dat heeft hij ook gedaan. [appellant] wilde geen factuur, omdat hij geen btw wilde betalen. [geïntimeerde] heeft ten slotte in eerste aanleg weersproken nog nader te zijn gesommeerd door [appellant] en genoemde brief van 19 januari 2018 te hebben ontvangen.

3.4

[geïntimeerde] heeft derhalve in eerste aanleg erkend dat partijen een beëindigingsovereenkomst hebben gesloten, maar weersproken dat partijen daarbij zijn overeengekomen dat deze de afspraak inhield dat [geïntimeerde] het door [appellant] betaalde bedrag van € 10.000,- geheel zou terugbetalen. [geïntimeerde] heeft echter niet betwist de WhatsApp-berichten van 2 december 2016, waarop [appellant] zich reeds in eerste aanleg heeft beroepen, te hebben verstuurd. Hij heeft ook niet toegelicht hoe de inhoud van deze berichten zich verhoudt tot zijn betwisting van de vordering van [appellant] . Dit had wel op de weg van [geïntimeerde] gelegen, nu uit deze WhatsApp-berichten onomwonden blijkt dat [geïntimeerde] [appellant] nog geld verschuldigd was in vervolg op het genoemde reeds door [geïntimeerde] betaalde bedrag van € 2.000,-, waarvan aangenomen moet worden dat dit het in het verband van de beëindigingsovereenkomst voldane bedrag betrof. Hier komt nog bij het in hoger beroep aanvullend door [appellant] naar voren gebrachte WhatsApp-bericht van 28 oktober 2016 waarbij (nogmaals) door [geïntimeerde] wordt bevestigd dat hij aan [appellant] geld verschuldigd is. Nu [geïntimeerde] in hoger beroep niet is verschenen, is ook dit WhatsApp-bericht onweersproken gebleven. Het verweer van [geïntimeerde] tegen de door [appellant] gestelde inhoud van de beëindigingsovereenkomst schiet in het licht van deze WhatsApp-berichten tekort. Het hof houdt het daarom ervoor, overeenkomstig de stellingen van [appellant] , dat partijen bij de beëindigingsovereenkomst hebben afgesproken dat [geïntimeerde] het door [appellant] betaalde bedrag van € 10.000,- geheel zou terugbetalen. Nu niet ter discussie staat dat [geïntimeerde] slechts een bedrag van € 2.000,- heeft terugbetaald, wordt het door [appellant] gevorderde bedrag van € 8.000,- dan ook toewijsbaar geoordeeld. Wettelijke rente zal worden toegewezen als gevorderd vanaf 1 februari 2018, de datum van verzuim blijkens voormelde brief van 19 januari 2018. Uit de door [appellant] overgelegde stukken blijkt voldoende dat deze brief aangetekend naar het juiste adres is verzonden en op afdoende wijze aan [geïntimeerde] is aangeboden. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen, aangezien niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor toewijzing daarvan, nu niet is aangemaand tot betaling binnen een termijn van veertien dagen. Omdat door voormelde beëindigingsovereenkomst de overeenkomst niet meer van kracht is, behoeven de geschilpunten van partijen die zien op de vraag in hoeverre [geïntimeerde] de overeenkomst is nagekomen geen bespreking meer.

3.5

Het hoger beroep slaagt derhalve voor wat betreft de gevorderde hoofdsom en de gevorderde wettelijke rente en faalt voor wat betreft de gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd voor wat betreft eerstgenoemde posten en voor wat betreft de laatgenoemde post worden bekrachtigd. [geïntimeerde] zal als overwegend in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in beide instanties. Ook in zoverre zal het bestreden vonnis dus worden vernietigd.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover daarbij de gevorderde hoofdsom van € 8.000,- en de gevorderde wettelijke rente daarover zijn afgewezen en [appellant] in de proceskosten is veroordeeld en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geïntimeerde] tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellant] te betalen het bedrag van € 8.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 1 februari 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van [appellant] begroot op € 324,01 aan verschotten en € 500,- voor salaris;

bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [appellant] tot op heden begroot op € 416,01 aan verschotten en € 759,- voor salaris;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.K. Veldhuijzen van Zanten, J.C.W. Rang en S. van Gulijk en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 3 september 2019.