Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:3225

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-09-2019
Datum publicatie
10-09-2019
Zaaknummer
200.241.741/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beroepsaansprakelijkheid advocaat; niet indienen bezwaarschrift. Norm van HR 24 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:AM1905, (het Baijings-arrest). Niet voldaan aan stelplicht. Onvoldoende gesteld om te kunnen concluderen dat het niet tijdig indienen van een bezwaarschrift tot schade heeft geleid.

Eiswijziging in strijd met art 130 Rv en in strijd met de goede procesorde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.241.741/01

zaak/-rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/251869 / HA ZA 16-771

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 3 september 2019

inzake

INTERBULB B.V.,

gevestigd te Lisse,

appellante,

advocaat: mr. C.J. van Dijk te Ede,

tegen

1 [X] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

2. [Y] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

3. mr. [X] , h.o.d.n. Advocatenpraktijk mr. [X] , in zijn hoedanigheid van vereffenaar van de ontbonden maatschap

OPENBARE MAATSCHAP [X] & [Y] ADVOCATEN,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerden,

advocaat: mr. P.J. de Jong Schouwenburg te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna Interbulb, [X] , [Y] en de Maatschap genoemd. Geïntimeerden gezamenlijk worden [X] c.s. genoemd

Interbulb is bij dagvaarding van 19 juni 2018 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 21 maart 2018, onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen Interbulb als eiseres en [X] c.s. als gedaagden.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven;

- memorie van antwoord.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 20 mei 2019 doen bepleiten, Interbulb door mr. Van Dijk voornoemd en [X] c.s. door mr. De Jong Schouwenburg voornoemd en F.J.T.A. Werners, advocaat te Amsterdam, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Ten slotte is arrest gevraagd.

Interbulb heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad – opnieuw rechtdoende

primair:

voor recht zal verklaren dat [X] c.s. een beroepsfout hebben gemaakt c.q. toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van hun verbintenis door Interbulb niet te informeren over de mogelijkheid van het instellen van bezwaar dan wel de consequenties van het niet-instellen van bezwaar c.q. door geen bezwaar in te stellen tegen de beslissing van het PT van 6 april 2007 en dat zij aansprakelijk zijn voor de daaruit bij Interbulb voortvloeiende schade;

subsidiair:

voor recht zal verklaren dat [X] c.s. onrechtmatig jegens Interbulb hebben gehandeld door Interbulb niet te informeren over de mogelijkheid om bezwaar in te stellen en de consequenties van het niet indienen van bezwaar tegen de beslissing van het PT van 6 april 2007 dan wel door dat bezwaar niet zelfstandig in te stellen, en dat zij aansprakelijk zijn voor de daaruit bij Interbulb voortvloeiende schade;

primair en subsidiair:

[X] c.s. hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Interbulb te betalen een bedrag van

€ 3.668.797,08, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 15 december 2003 tot die der algehele voldoening, tot op 1 november 2016 berekend op € 2.259.560,16, derhalve een totaalbedrag van € 5.928.357,24 + PM;

met veroordeling van [X] c.s. in de kosten van het geding in beide instanties met nakosten en rente.

[X] c.s. hebben geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van Interbulb in de kosten van het geding in hoger beroep met nakosten en rente.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.20 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. De feiten komen neer op het volgende.

2.1.

Interbulb heeft in 2003 bloembollen verhandeld via het veilinghuis Sierteelt BemiddelingsCentrum B.V. te Lisse (hierna: SBC). Bij iedere aan- of verkoop was Interbulb op grond van de Verordening PT vakheffing bloembollen leverbaar oogstjaar 2003 en de Verordening PT vakheffing bloembollen plantgoed oogstjaar 2003 verplicht een percentage van de aankoop- of verkoopprijs af te dragen aan het Productschap Tuinbouw (hierna: PT).

2.2.

SBC heeft op 1 juni 2003 een overeenkomst gesloten met het PT omtrent de incasso en afdracht van heffingen die bloembollenhandelaren op grond van bedoelde verordeningen dienden af te dragen. De financiële afwikkeling van deze overeenkomst werd verzorgd door Stichting Derdengelden SBC, die de aan het PT verschuldigde bedragen op de transacties zou inhouden.

2.3.

Op 25 november 2005 is aan SBC en de Stichting Derdengelden SBC voorlopige surseance van betaling verleend. SBC en de stichting zijn op 3 december 2003 in staat van faillissement verklaard. In faillissementsverslag 20 van 4 december 2013 schrijft de curator over de oorzaak van de faillissementen:

“(…)

Eind oktober 2003 had de Stichting Derdengelden SBC op haar bankrekening ongeveer 110 miljoen euro bijgeschreven gekregen. Tot de datum van voorlopige surseance, 25 november opvolgend, is dat bedrag nagenoeg geheel uitgekeerd, naar waarneming van de curator voor vele tientallen miljoenen euro's aan partijen die daarop geen recht hadden. Ten gevolge daarvan zijn anderen onvoldaan gebleven, waardoor zodanige tekorten ontstonden dat voortzetting der onderneming niet mogelijk bleek.

(…)”

2.4.

[A] (hierna: [A] ), directeur van Interbulb, heeft het PT op 15 december 2003 verzocht € 3.668.797,08 aan te veel ingehouden vakheffing aan Interbulb te restitueren.

2.5.

[X] trad tot 2011 op als advocaat van Interbulb. Namens Interbulb heeft [X] op 3 november 2004 en 3 december 2004 het PT herinnerd aan het restitutieverzoek en verzocht het bedrag van € 3.668.797,08 over te maken op de derdenrekening van de Maatschap.

2.6.

Het PT heeft bij circulaire van 4 mei 2005 de indieners van restitutieverzoeken geïnformeerd over de wijze van afhandeling van de verzoeken die betrekking hebben op de periode 1 juni 2003 tot en met 31 oktober 2003. In deze circulaire staat het volgende:

“(…)

Om aan het gestelde, conform de Algemene wet bestuursrecht te voldoen, moet door het productschap iets worden ondernomen. Echter, het is van groot belang dat dit uiterst prudent plaatsvindt. Gelet op het nog niet inzichtelijk zijn van alle transacties en de mogelijke gevaren van het eventueel uitkeren van restituties in die gevallen waarin er sprake is geweest van mogelijk frauduleus handelen. (…)

Vandaar dat er is gezocht naar een aantal toe te passen criteria teneinde een volgorde vast te stellen met betrekking tot de afhandeling van de restitutieverzoeken. Wetende daarmee niet overeenkomstig het voorschrift wordt gehandeld dat er binnen een bepaalde periode op een restitutieaanvraag moet zijn beslist, aldus de Algemene wet bestuursrecht.

(…)

De criteria zijn:

1. Is er sprake van registratie bij het PT?

(…)

2. Hoe lang is een restitutieaanvrager geregistreerd bij het productschap?

(…)

3. Wat is de prijs die is betaald voor de verhandelde bollen?

(…)

4. Het aantal transacties?

(…)

5 Gesplitste porties bollen?

(…)

6. Wat is de marge geweest tussen aan- en verkoop?

(…)

Verder zal de restitutieaanvrager de volgende bescheiden aan PT moeten overleggen:

a. koopbriefje

b. koopovereenkomst

c. leveringsnota

d. factuur

e. bewijs van betaling

Indien daaraan is voldaan, worden de transacties voorts getoetst aan onder andere de navolgende elementen:

(…)”

Vervolgens bespreekt de circulaire 18 onderwerpen die volgens het PT relevant zijn bij de beoordeling van de restitutieverzoeken. Zij besluit dat zij voorziet dat “gedurende het komende ja(a)r(en)” een grote arbeidsintensieve inzet noodzakelijk is voor het afhandelen van deze problematiek.

2.7.

[X] heeft bij brief van 2 juni 2005 het PT laten weten dat de restitutieaanvraag van Interbulb voldoet aan de criteria die in de circulaire van 4 mei 2005 zijn geformuleerd om voor restitutie in aanmerking te komen, met de sommatie om uiterlijk 15 juni 2005 tot uitbetaling over te gaan.

2.8.

Bij besluiten van 6 april 2007 heeft het PT de restitutieverzoeken van een aantal bloembollenhandelaren afgewezen, waaronder het restitutieverzoek van Interbulb van december 2003.

2.9.

Het PT heeft haar afwijzende beslissing op het restitutieverzoek van Interbulb toegestuurd aan [X] . In het besluit staat het volgende:

“(…)

Gelet op het vorenstaande moet worden vastgesteld dat uw cliënt niet in de zin van artikel 14 (13) PT Verordeningen heeft aangetoond dat de door uw cliënt verschuldigde vakheffingen zijn afgedragen aan het PT.

(…)

U kunt binnen zes weken na de dag van verzending van dit besluit, hiertegen een met redenen omkleed bezwaarschrift indienen bij het Productschap Tuinbouw (…)”

2.10.

[X] heeft het besluit van het PT op 10 april 2007 aan [A] gefaxt, met slechts de opmerkingen “Ter informatie” en “-schrijven van PT d.d. 6 april jl.” Diezelfde maand hebben [X] en [A] de afwijzende beslissing besproken. Daarbij is aan de orde geweest dat een aantal bloembollenhandelaren bezwaar had aangetekend tegen het besluit van 6 april 2007.

2.11.

[A] heeft namens Interbulb op 2 december 2011 als volgt aan het Productschap geschreven:

“(…)

Nog steeds heeft geen afwikkeling plaatsgevonden ten aanzien van de restitutie vakheffing over 2003. Deze restitutie aanvraag is door mij ingediend op 15 december 2003. Het totale restitutiebedrag is € 3.668.797.08.

Hierbij is niet inbegrepen de zakelijke rente welke ik bovenop dit bedrag claim.

Ik verzoek u thans per omgaande deze zaak af te wikkelen door overmaking van het vermelde bedrag

(…)”

2.12.

Het Productschap heeft Interbulb op 20 december 2011 als volgt geantwoord:

“(…)

De aanvraag tot restitutie voor een bedrag van € 3.668.797,08 is op 1 december 2003 gedaan namens u door mr. [X] van advocatenkantoor [X] & [Y] te [plaats] . (…) Op 6 april 2007 heeft het productschap uw gemachtigde zijn beslissing gezonden. Ik voeg een uitdraai van de brief bij. Tegen deze beslissing is niet binnen zes weken bezwaar aangetekend.

Anders dan u melden, dat de betreffende restitutieaanvraag is afgewikkeld in 2007, kan ik niet.

(…)”

2.13.

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft op 1 februari 2012 het beroep gegrond verklaard dat negen bloembollenhandelaren hadden ingesteld tegen de ongegrondverklaring van hun bezwaren tegen het besluit van het PT van 6 april 2007. Het College heeft daartoe overwogen dat – kort gezegd – voldoende is komen vast te staan dat inhouding heeft plaatsgevonden van de verschuldigde vakheffing en dat het Productschap het betalingsrisico dat zij met het sluiten van de incasso-overeenkomst met SBC heeft genomen niet kan afwentelen op de betrokken handelaren.

Na deze uitspraak heeft het PT vaststellingsovereenkomsten gesloten met de bloembollenhandelaren die bezwaar en beroep hadden aangetekend tegen de afwijzing van restitutieverzoeken. Na de opheffing van het PT heeft het Ministerie van Economische Zaken de daarbij overeengekomen bedragen uitbetaald.

2.14.

[A] heeft [X] op 13 mei 2013 als volgt gemaild:

“(…)

Ik zie nu dat de betreffende brief door je kantoor naar mij is gefaxt op 10 april 2007. Dus die brief is er dan wel geweest in ieder geval. Kun jij eens nagaan hoe dit dan zit?

(…)”

2.15.

Op 14 mei 2013 heeft [X] het volgende antwoord aan [A] gestuurd:

“(…)

Uit mijn archief blijkt dat je begin 2007 bent overgegaan naar mr. [B] , die ik per kopie op de hoogte heb gehouden van de ontwikkelingen.

In ieder geval heb ik geen opdracht ontvangen om appèl in te stellen van de beslissing van het PT d.d. 6 april 2007.

(…)”

2.16.

Mr. [B] heeft [A] bij e-mail van 15 mei 2013 laten weten dat zij van hem noch van [X] opdracht heeft gekregen Interbulb bij te staan inzake de restitutieaanvraag van december 2003.

2.17.

De Raad van Discipline heeft op 15 december 2015 een klacht van Interbulb en [A] van 5 augustus 2005 tegen [X] gegrond verklaard. De Raad van Discipline heeft daarbij als volgt overwogen:

“(…)

De raad is van oordeel dat de (vermeende) afspraak om namens een cliënt geen bezwaar te zullen maken, bij uitstek een afspraak is die een advocaat schriftelijk dient te bevestigen, ook als de advocaat zich beschouwt als de huisadvocaat van de cliënt en de omgang informeel was. Door dat niet te doen heeft verweerder niet gehandeld zoals een behoorlijk advocaat betaamt. (…) Een behoorlijk en zorgvuldig handelend advocaat had in de gegeven omstandigheden – namelijk de omstandigheid dat het besluit van het Productschap Tuinbouw op het kantooradres van verweerder is ontvangen en dat verweerder zo goed als de 'huisadvocaat' van klager was – zijn cliënten op zijn minst genomen gewezen op de termijn waarbinnen het bezwaarschrift zou moeten worden ingediend. Door dit niet te doen, heeft verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.

(…)”

2.18.

Interbulb heeft de Maatschap bij brief van 31 maart 2016 laten weten dat met de gegrondverklaring van de tuchtrechtelijke klacht vaststaat dat de Maatschap jegens Interbulb is tekortgeschoten en verplicht is de schade die Interbulb daardoor lijdt te vergoeden.

2.19.

De Maatschap is per 30 april 2016 uitgeschreven uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel. [X] drijft thans de eenmanszaak Advocatenpraktijk mr. [X] .

2.20.

Onder bijsluiting van een conceptdagvaarding heeft Interbulb zowel [X] als [Y] bij brieven van 27 oktober 2016 verzocht een schadevergoeding van € 5.926.357,24 aan haar te betalen, met de aanzegging van een gerechtelijke procedure indien zij daartoe niet binnen 14 dagen zou overgaan.

3 Beoordeling

3.1.

Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vorderingen van Interbulb afgewezen en haar veroordeeld in de proceskosten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het verwijt dat [X] Interbulb niet heeft gewezen op de mogelijkheid van bezwaar feitelijk onjuist is. Voorts heeft zij geoordeeld dat Interbulb er niet gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat [X] bezwaar had ingesteld. Tot slot achtte de rechtbank het niet aannemelijk dat Interbulb tijdens het gesprek daarover niet zou zijn gewezen op de gevolgen van het niet instellen van bezwaar. Als Interbulb al een vordering zou hebben gehad op [X] c.s. dan zou deze zijn verjaard, aldus de rechtbank.

Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt Interbulb met negen grieven op.

3.2.

De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. De stellingen van Interbulb in hoger beroep komen kort samengevat op het volgende neer. Zij verwijt [X] c.s. dat [X] haar niet heeft geïnformeerd over het feit dat hij géén bezwaar zou instellen, en dat hij haar niet attent heeft gemaakt op de bezwaartermijn van zes weken, noch op de consequenties van het laten verlopen van die termijn.

Ook zonder expliciete opdracht had [X] bezwaar in moeten stellen volgens Interbulb. De opdracht hield immers in dat [X] haar behulpzaam zou zijn bij de restitutie van de vakheffing en dat zij erop mocht vertrouwen dat die opdracht voortduurde tot dat doel was bereikt. [X] heeft in strijd met zijn beroepsnorm gehandeld door de opdracht niet schriftelijk te bevestigen. Van verjaring is volgens Interbulb geen sprake.

Als gevolg van de verweten gedragingen stelt Interbulb schade te hebben geleden in de vorm van een gemiste proceskans. Zij stelt dat de kans op 100% moet worden gesteld, omdat andere partijen in dezelfde omstandigheden die wel bezwaar hebben ingesteld hun volledige restitutie hebben teruggekregen.

3.3.

[X] c.s. betwist dat zij ooit opdracht heeft gekregen tot het instellen van bezwaar en dat Interbulb er ook niet gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat dit bezwaar was ingesteld. Van een doorlopende opdracht was geen sprake. Zij stelt Interbulb wel degelijk te hebben geïnformeerd over de termijn en de gevolgen van het achterwege laten van bezwaar. Volgens [X] c.s. is in eerdergenoemd gesprek besloten dat het instellen van bezwaar geen zin zou hebben, omdat Interbulb niet over de vereiste bewijsstukken beschikte. Interbulb voldeed ook niet aan de voorwaarden voor recht op restitutie.

[X] c.s. betwisten dan ook dat een eventueel ingesteld bezwaar succesvol zou zijn geweest. Interbulb heeft, ondanks haar stelling dat zij wel over de benodigde bewijsstukken beschikt, daarvan geen stukken in het geding gebracht. Zij heeft haar schade daarmee niet aannemelijk gemaakt, aldus [X] c.s.. Bovendien betwisten [X] c.s. dat een eventueel toegekend bedrag uitgekeerd zou zijn. Verder doen zij een beroep op verjaring en schending van de klachtplicht. Subsidiair betwisten zij de hoogte van de gevorderde schade, en doen zij een beroep op matiging. Tot slot menen [X] c.s. dat Interbulb niet-ontvankelijk is in haar vorderingen tegen [Y] en de Maatschap.

Eiswijziging

3.4.

Bij gelegenheid van het pleidooi, nadat partijen hun pleitnota’s hadden voorgedragen en naar aanleiding van vragen van het hof en zijn - door de voorzitter van het hof ter zitting meegedeelde - voorlopig oordeel, heeft de advocaat van Interbulb laten weten dat hij zijn eis wilde wijzigen in die zin dat in plaats van de veroordeling tot betaling van een geldbedrag, verwijzing naar de schadestaat zou worden gevorderd. [X] c.s. maakten daartegen bezwaar, en stelden dat een dergelijke eiswijziging in dit stadium van de procedure in strijd moest worden geacht met de goede procesorde.

3.5.

Het hof stelt voorop dat artikel 130 Rv vereist dat een verandering van de eis of de gronden daarvan schriftelijk, bij conclusie of akte ter rolle geschiedt. Aan dat vereiste is niet voldaan, zodat reeds om die reden de eiswijziging niet kan worden aanvaard.

Los van dit formele gebrek, ziet het hof aanleiding om de eiswijziging buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde. De eiswijziging werd gevorderd op een uitzonderlijk laat moment in de procedure, te weten na de beide pleidooien, de vragen en het voorlopig oordeel van het hof. Uit de toelichting van de advocaat van Interbulb volgt dat de eiswijziging geen andere strekking heeft dan de discussie over het causale verband en de schade in deze procedure te vermijden en te verplaatsen naar de schadestaatprocedure. Kennelijk beoogt Interbulb op die wijze aan de nadelige gevolgen van mogelijke tekortkomingen in haar stelplicht op die punten te ontkomen. Dit moet in strijd geacht worden met de goede procesorde. Het hof zal dan ook recht doen op de hierboven onder 1 geciteerde vordering.

Verdere beoordeling

3.6.

De onderhavige vordering is, volgens de stellingen van Interbulb, gebaseerd op een gemiste proceskans die het gevolg is van een beroepsfout van [X] . Zij stelt – kort weergegeven – dat zij er niet op is gewezen dat er geen bezwaar was ingesteld, en dat zij, gelet op de aard van de opdracht, er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat bezwaar zou worden ingesteld, dat [X] eigener beweging bezwaar had moeten instellen, althans dat [X] haar had moeten informeren over de gevolgen van het niet instellen van bezwaar. Ten aanzien van dit laatste verwijt ligt in de stellingen besloten dat Interbulb, indien zij daarover juist was geïnformeerd, opdracht zou hebben gegeven om bezwaar in te stellen. Voor al deze verwijten geldt dat wanneer de fout wordt weggedacht zich een situatie had voorgedaan waarin door of namens Interbulb tijdig bezwaar was ingediend.

Het hof ziet aanleiding om veronderstellenderwijs aan te nemen dat [X] een beroepsfout kan worden verweten, en dat tevens moet worden aangenomen dat bij gebreke van die beroepsfout, het bezwaar tijdig zou zijn ingediend door [X] namens Interbulb althans door Interbulb zelf. De vraag ligt dan voor of Interbulb als gevolg hiervan schade heeft geleden.

3.7.

De norm voor de beroepsaansprakelijkheid van de advocaat wegens het niet tijdig instellen van een rechtsmiddel is geformuleerd in HR 24 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:AM1905, (het Baijings-arrest). Daaruit vloeit voort dat voor het antwoord op de vraag of de fout van de advocaat schade heeft veroorzaakt, in beginsel moet worden beoordeeld hoe de beroepsinstantie had behoren te beslissen, althans moet het toewijsbare bedrag worden geschat aan de hand van goede en kwade kansen die de benadeelde zou hebben gehad als het beroep tijdig was ingesteld. Uit de overwegingen in het Baijings-arrest kan worden afgeleid dat de Hoge Raad als uitgangspunt een wijze van schadebegroting voorstaat waarbij zo concreet mogelijk wordt vastgesteld hoe de procedure zou zijn verlopen als de beroepsfout achterwege was gebleven en de betrokken instantie had beslist zoals zij dan had behoren te doen. Daartoe worden partijen geacht alle gegevens te verschaffen die, indien het beroep (tijdig) was ingesteld, in de procedure aan de orde zouden zijn gekomen. De methode van het schatten van de schade aan de hand van de goede en kwade kansen is pas aangewezen als een concrete vaststelling niet mogelijk is.

3.8.

Het hof stelt vast dat Interbulb heeft verzuimd concreet te stellen hoe de bestuursrechtelijke procedure zou zijn verlopen als namens haar tijdig bezwaar was gemaakt. Zij heeft niet meer gesteld dan dat andere partijen, die in een vergelijkbare situatie verkeerden, succesvol zijn geweest in hun bezwaarprocedure. Zonder nadere toelichting, onderbouwd met stukken, die ontbreekt, is het hof niet in staat om te beoordelen of en in hoeverre deze andere partijen in een vergelijkbare positie als Interbulb verkeerden en hoe de procedure bij die partijen is verlopen. Met name gelet op het verweer van [X] dat Interbulb niet aan de gestelde criteria voldeed en niet over de relevante bewijsmiddelen beschikte voor een succesvol bezwaar had het op de weg van Interbulb gelegen om gemotiveerd te stellen welke voorwaarden werden gesteld en welke bewijsmiddelen daarvoor in de bestuursrechtelijke procedure verlangd werden en of en in hoeverre zij daarover beschikte.

Dit klemt te meer nu eerst bij gelegenheid van het pleidooi, naar aanleiding van vragen van het hof, concrete informatie werd verstrekt over de door andere partijen gevoerde procedures. Uit die informatie volgt dat, anders dan door Interbulb bij grieven was gesuggereerd, niet alle bezwaarmakende partijen succesvol waren geweest en dat de partijen die wel succesvol waren ook niet allemaal volledige restitutie hadden gekregen. Van Interbulb mocht worden verlangd dat zij zou stellen, en aannemelijk maken, tot welk van deze categorieën zij zou hebben behoord, als zij wel bezwaar had gemaakt. Nu zij dat heeft nagelaten is onvoldoende gesteld om te kunnen concluderen dat het niet tijdig indienen van een bezwaarschrift tot schade voor Interbulb heeft geleid. De vordering kan reeds om die reden niet worden toegewezen. Dit brengt mee dat de overige weren van [X] c.s. onbesproken kunnen blijven.

3.9.

Interbulb heeft geen feiten te bewijzen aangeboden, die indien bewezen, tot een andere beslissing zouden kunnen leiden, zodat het hof aan bewijslevering niet toekomt.

3.10.

De grieven falen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. Interbulb zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt Interbulb in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [X] c.s. begroot op € 1.649,- aan verschotten en € 16.503,- voor salaris en op € 157,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 82,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mr. J.W.M. Tromp, mr. A.L.M. Keirse en mr. J.F. Aalders en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 3 september 2019.

.