Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:3221

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-09-2019
Datum publicatie
10-09-2019
Zaaknummer
200.235.764/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Publicaties over een persoon. Vennootschap. Naar aanleiding van krantenberichten over mogelijke misstanden bij een vennootschap heeft een onderzoeksbureau in opdracht van de raad van commissarissen een rapport uitgebracht. De raad van commissarissen heeft conclusies uit dat rapport getrokken die mede betrekking hebben op een ex-bestuurder, en die conclusies gepubliceerd in een persbericht en later ook in een jaarverslag. Het hof oordeelt dat de vennootschap daarmee niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens de ex-bestuurder.

Zie ECLI:NL:GHAMS:2018:4158.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-1097
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.235.764/01

zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/623295 / HA ZA 17-129

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 3 september 2019

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. D. Poot te Leiden,

tegen

GVB HOLDING N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. R.J. van Agteren te Amsterdam.

1 Verder verloop van het geding

Partijen worden hierna opnieuw [appellant] en GVB genoemd.

In deze zaak heeft het hof op 6 november 2018 een tussenarrest uitgesproken. Voor het verloop van het geding tot die datum wordt verwezen naar dat arrest.

Daarna is opnieuw arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en

– uitvoerbaar bij voorraad – zijn in hoger beroep gewijzigde eis zal toewijzen, met veroordeling van GVB in de kosten van het geding in beide instanties.

GVB heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellant] – uitvoerbaar bij voorraad – in de kosten van het geding in hoger beroep, met rente en nakosten.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1-2.7 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen ook het hof tot uitgangspunt. Het zijn de volgende feiten, aangevuld met andere vaststaande feiten.

2.1

[appellant] is van 1 januari 2002 tot 1 mei 2010 bestuurder (algemeen directeur) geweest van thans GVB. Hij was bestuursvoorzitter. In de voor dit geding relevante periode bestond het bestuur uit drie personen, te weten [appellant] , [A] (hierna: [A] ) en [B] (hierna: [B] ).

2.2

In 2012 verschenen berichten in De Telegraaf over mogelijke misstanden bij GVB. In die publicaties wordt – kort gezegd – gesuggereerd dat bij GVB was gefraudeerd en dat sprake was van onregelmatigheden binnen GVB. Naar aanleiding van de eerste publicaties in de media heeft de Raad van Commissarissen (die op basis van de statuten de bestuurders van GVB benoemt, hierna: de RvC) op 10 april 2012 opdracht gegeven aan BDO Investigations B.V. (hierna: BDO) tot een feitelijk onderzoek naar de in de media vermelde kwesties.

2.3

[appellant] is in de gelegenheid gesteld zijn visie op de onderzoeksresultaten van BDO te geven. De opmerkingen van [appellant] zijn als bijlage bij het rapport gevoegd voordat het (op 7 juni 2012) aan de RvC werd verstrekt.

2.4

De RvC heeft op 8 en 9 juni 2012 vergaderd over het rapport. Tijdens die vergaderingen is de RvC geadviseerd door prof. dr. M. Pheijffer, hoogleraar accountancy. Deze heeft een "normatief kader" ter beschikking gesteld (hierna: het normatieve kader, zie ook rov. 3.10 hierna). Bijgestaan door prof. Pheijffer heeft de RvC de bevindingen van BDO getoetst aan het normatieve kader. Dat heeft geresulteerd in conclusies van de RvC.

2.5

Naar aanleiding hiervan heeft GVB op 12 juni 2012 het volgende persbericht gepubliceerd (hierna: het persbericht):

"De Raad van Commissarissen heeft op zaterdag 9 juni j.l. conclusies getrokken op basis van het onderzoeksrapport naar de aantijgingen van fraude zoals gepubliceerd in de Telegraaf op 31 maart en 5 mei 2012. De conclusies zijn op 10 juni besproken met de aandeelhouder [de gemeente Amsterdam, hof]. (…)

Conclusies Raad van Commissarissen GVB Holding NV (…), 9 juni 2012

Het onderzoek

Het onafhankelijke BDO-onderzoek is conform de opdracht van de Raad van Commissarissen uitgevoerd.

De hoor- en wederhoor procedure is gevolgd.

Een samenvatting toevoegen veroorzaakt verlies van nuance.

Het onderzoek geeft geen aanleiding verder onderzoek te laten uitvoeren.

Fraude

- Het BDO rapport weerlegt de aantijgingen van fraude zoals gepubliceerd in De Telegraaf.

- Behoudens een relatief klein en indertijd meteen door directie afgewikkeld incident is geen fraude vastgesteld.

Naleving wet- en regelgeving

- Er zijn feiten vastgesteld van (het vermoeden van) het opzettelijk negeren van geldende wet- en regelgeving en/of het negeren van interne GVB regels.

- Meerdere malen blijken doelredeneringen gevolgd te zijn in het kader van Europese, nationale en/of interne aanbestedingsregels.

Good governance

- Uit het feitencomplex blijkt dat er structureel sprake is geweest van bestuurlijk gedrag dat niet voldoet aan de regels van good governance. Dit betreft aspecten van regels van integriteit, rechtmatigheid, doelmatigheid en verantwoordelijkheid.

- Deze constatering betreft de toenmalige directie.

- M.b.t. een functionaris heeft een indertijd afgewikkeld integriteitsissue gespeeld.

Consequenties

- Gezien de uitdagingen (o.a. aanbesteding) waarvoor het GVB gesteld staat, in combinatie met voorgaande conclusies, moet geconcludeerd worden dat de heren [A] en [B] als (statutair) directeuren niet gehandhaafd kunnen worden. Een passende oplossing voor de afwikkeling hiervan zal worden gezocht."

2.6

In het jaarverslag van GVB over het boekjaar 2012 (hierna: het jaarverslag 2012) is over deze kwestie opgenomen:

"Kernpunten in verslagjaar

Het belangrijkste agendapunt in het verslagjaar was het gereedmaken van GVB voor de nieuwe concessieperiode, (…). Tevens heeft de RvC in het verslagjaar, naast het reguliere toezicht, de meeste aandacht besteed aan het in opdracht van de RvC uitgevoerde forensisch onderzoek in verband met de veronderstelde fraude, het hieruit resulterende actieplan, de hieruit resulterende wijzigingen in de directiesamenstelling, (…).

Vermeende onregelmatigheden

Op 31 maart 2012 werd er in De Telegraaf een artikel gepubliceerd waarin een aantal veronderstelde fraudes en vermeende onregelmatigheden werden beschreven binnen GVB.

Opdracht tot forensisch onderzoek

In april 2012 heeft de RvC, naar aanleiding van deze berichtgeving, opdracht gegeven tot een forensisch onderzoek. Deze opdracht, die primair de periode 2006 tot en met 2008 betrof, is uitgevoerd door onafhankelijk accountantsbureau BDO. (…)

Conclusies RvC

De RvC heeft uit dit onderzoek geconcludeerd dat van fraude, zoals in de media werd gesuggereerd, geen sprake is geweest, maar dat er wel feiten zijn vastgesteld van (het vermoeden van) het opzettelijk negeren van geldende wet- en regelgeving en/of het negeren van interne regels. Meerdere malen blijken doelredeneringen te zijn gevolgd in het kader van Europese, nationale en/of interne aanbestedingsregels. Bovendien blijkt dat er structureel sprake is geweest van bestuurlijk gedrag dat niet voldoet aan de regels van goede governance. Dit betreft aspecten van regels van integriteit, rechtmatigheid, doelmatigheid en verantwoordelijkheid die alle betrekking hebben op de toenmalige directie.

Consequenties directie

Gezien de uitdagingen waarvoor GVB gesteld stond – waaronder de destijds nog actueel zijnde aankomende aanbesteding – in combinatie met voorgaande conclusies, heeft de RvC geconcludeerd dat de heren [A] en [B] , ondanks de waardering voor de prestaties die zij in de voorafgaande jaren hebben geleverd, niet konden aanblijven als statutair directeuren."

2.7

Het jaarverslag 2012 is medio 2013 gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel te Amsterdam en is toen ook op de website van GVB geplaatst.

3 Beoordeling

3.1

In eerste aanleg heeft [appellant] – verkort weergegeven – gevorderd dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- voor recht verklaart dat GVB met het trekken en publiceren van de conclusies zoals gepubliceerd in het jaarverslag 2012 onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellant] en zijn collega's;

- GVB beveelt de onrechtmatige publicatie te rectificeren in een persbericht, op de website van GVB en in het eerstvolgende jaarverslag, op straffe van verbeurte van dwangsommen; en

- GVB veroordeelt tot betaling van € 10.000,00 aan vergoeding van immateriële schade, € 9.156,48 aan vergoeding van buitengerechtelijke kosten, met rente, en vergoeding van materiële schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met veroordeling van GVB in de proceskosten.

De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen.

Hiertegen is [appellant] in hoger beroep gekomen met zes grieven.

Bij akte na memoriewisseling in hoger beroep heeft [appellant] zijn eis gewijzigd, in die zin dat de gevorderde verklaring voor recht is komen te luiden dat GVB jegens [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld door de gewraakte conclusies te publiceren middels verspreiding van het persbericht op 12 juni 2012 en publicatie in het jaarverslag 2012.

Bij arrest van 6 november 2018 heeft het hof het bezwaar van GVB tegen deze eiswijziging ongegrond verklaard.

3.2

GVB heeft een beroep gedaan op verjaring. Dat zal het hof eerst beoordelen.

Bij memorie van antwoord heeft GVB aangevoerd dat de op het persbericht van 12 juni 2012 gebaseerde vordering op of rond 13 juni 2017 is verjaard.

Bij akte tot eiswijziging heeft [appellant] een beroep gedaan op stuiting door een brief van 27 juni 2014 van de advocaat van [appellant] aan de advocaat van GVB, waarin onder meer staat:

"Cliënt (...) beoogt met deze brief (...) een gang naar de rechter te voorkomen. (...)

Cliënt is door de Raad van Commissarissen van GVB niet gehoord voordat de vergaande en voor hem beschadigende conclusies werden getrokken en waarin zijn 'bewindsperiode' werd gekwalificeerd als één waarin structureel sprake was van bestuurlijk gedrag dat niet voldeed aan de regels van good governance. Daaraan werd toegevoegd dat dit aspecten van regels van integriteit, rechtmatigheid, doelmatigheid en verantwoordelijkheid betrof en dat die constatering de heren [appellant] , [B] en [A] betrof; voorwaar een ernstige aantijging die in het in 2013 gepubliceerde jaarverslag over 2012 letterlijk is overgenomen, zij het dat in het jaarverslag geen namen worden genoemd. (...)

De conclusie dat er onder het bewind van cliënt binnen GVB structureel sprake was van bestuurlijk gedrag dat niet voldeed aan de regels van good governance voor wat betreft aspecten van integriteit, rechtmatigheid, doelmatigheid en verantwoordelijkheid wordt niet door de onderzoeksresultaten van BDO gedragen. (...).

Kort samengevat is het trekken van de gewraakte conclusies, het publiceren en het overeind houden daarvan jegens cliënt onrechtmatig. Cliënt heeft daardoor schade geleden en hij lijdt daardoor schade."

3.3

GVB heeft niet eerder dan bij memorie van antwoord een beroep gedaan op verjaring. [appellant] heeft zich daartegen niet eerder kunnen verweren dan bij de akte tot eiswijziging. Onder die omstandigheden is het door [appellant] gedane beroep op stuiting niet in strijd met de tweeconclusieregel.

Het beroep op stuiting slaagt. De verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een wettelijke verbintenis tot schadevergoeding kan onder meer worden gestuit door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt (art. 3:317 lid 1 BW). Deze schriftelijke mededeling moet de strekking hebben van een voldoende duidelijke waarschuwing aan de schuldenaar, zodat hij, ook na het verstrijken van de verjaringstermijn, rekening ermee kan houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal, opdat hij zich tegen een dan mogelijkerwijs alsnog door de schuldeiser ingestelde vordering behoorlijk kan verweren. Bij de beoordeling of de mededeling aan de in art. 3:317 lid 1 BW gestelde eisen voldoet, dient niet alleen te worden gelet op de formulering daarvan, maar ook op de context waarin de mededeling wordt gedaan en op de overige omstandigheden van het geval (HR 28 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:111).

In de hiervoor weergegeven passage uit de brief komt voldoende duidelijk tot uitdrukking dat [appellant] niet alleen de publicatie in het jaarverslag 2012 onrechtmatig acht, maar ook de eerdere perspublicatie. Dit blijkt uit de woorden "het publiceren en het overeind houden" en moet in de context van de gang van zaken (zie rov. 2.5-2.7 hiervoor) voldoende duidelijk voor GVB zijn geweest.

3.4

[appellant] stelt zich ten eerste op het standpunt dat GVB onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door de gewraakte conclusies te publiceren middels verspreiding van het persbericht op 12 juni 2012.

In dit verband heeft [appellant] in hoger beroep aangevoerd:

- de RvC had [appellant] moeten horen voordat hij zijn conclusies trok;

- de conclusies van de RvC worden niet gedragen door de feiten in het BDO-rapport;

- de RvC had het normatieve kader niet of minder rigide mogen hanteren;

- de conclusies hadden neutraler moeten zijn;

- GVB had een interne procedure moeten voeren voordat zij mededelingen zou doen aan de pers;

- het persbericht had neutraler geformuleerd moeten zijn; er had daarbij meer rekening moeten worden gehouden met de belangen van [appellant] .

3.5

De hiervoor genoemde standpunten heeft [appellant] voldoende kenbaar voor GVB en het hof in hoger beroep aangevoerd. Die standpunten zijn daarmee binnen de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep gebracht. Zij zijn van belang voor de beoordeling van de toewijsbaarheid van de vorderingen en moeten daarom in de beoordeling worden betrokken. Alle processuele bezwaren van GVB daartegen zijn ongegrond.

3.6

Het persbericht vermeldt als eerste conclusie van de RvC dat het BDO-rapport de in De Telegraaf gepubliceerde aantijgingen weerlegt. Deze conclusie is niet nadelig voor de eer en goede naam van [appellant] . De overige conclusies van de RvC zijn dat wel en dat moet voor GVB duidelijk zijn geweest. Dit brengt mee dat GVB bij het publiceren van deze conclusies de in het maatschappelijk verkeer vereiste zorgvuldigheid jegens [appellant] in acht diende te nemen.

3.7

De bevindingen van BDO hielden onder meer in dat er in ieder geval vijf schendingen zijn geweest – op ongeveer 100 gevallen – van de regels ten aanzien van de aanbesteding en daarmee ook van de interne inkoopregels. GVB heeft hierover opgemerkt dat BDO diverse beslissingen om niet aan te besteden heeft aangetroffen met als reden "blijft onder de grens", terwijl duidelijk was dat deze beslissingen enkel zo genomen konden worden door het "opknippen" van opdrachten.

[appellant] heeft dit een en ander niet betwist.

3.8

Zoals uit het rapport blijkt, heeft BDO [appellant] gehoord. De RvC mocht ervan uitgaan dat het onderzoek van BDO in die zin volledig was geweest dat de RvC op verantwoorde wijze conclusies aan het rapport kon verbinden zonder ook zelf [appellant] te horen. [appellant] heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld voor een ander oordeel. Er bestaat geen algemene rechtsplicht voor een vennootschap (of voor een raad van commissarissen) om een ex-bestuurder te horen voordat de raad van commissarissen conclusies verbindt aan een rapport dat (mede) betrekking heeft op het functioneren van het voormalige bestuur waarvan de ex-bestuurder deel uitmaakte. Onvoldoende is gesteld om aan te nemen dat in dit geval voor GVB (of voor de RvC) een dergelijke plicht voortvloeide uit de jegens [appellant] in acht te nemen zorgvuldigheidsplicht.

3.9

De RvC had de taak zich een oordeel te vormen over de ernst van de bevindingen van BDO. Hierbij had hij in beginsel beoordelingsvrijheid. Zoals hiervoor in rov. 3.7 is overwogen, waren er in ieder geval vijf schendingen van aanbestedingsregels geconstateerd. De RvC had de vrijheid om te oordelen dat schending van aanbestedingsregels ernstig is, omdat het een schending is van een wettelijke plicht en/of omdat hij een zwaar gewicht hechtte aan de belangen die met aanbestedingsregels worden gediend. Hij had de vrijheid om het aantal van vijf schendingen ernstig te achten, om de bevindingen over het "opknippen" van opdrachten op te vatten als blijk of vermoeden van opzet, en om te oordelen dat (ook) de bestuursvoorzitter een belangrijke verantwoordelijkheid had om dergelijke schendingen te voorkomen. Gelet op dit alles is de RvC in redelijkheid tot het oordeel kunnen komen dat de hiervoor in rov. 3.7 weergegeven bevindingen zo ernstig waren dat hij daaraan de hiervoor in rov. 2.5 weergegeven conclusies verbond, voor zover van belang voor [appellant] (de daarbij vermelde consequenties voor [A] en [B] zijn nu niet aan de orde).

Hieraan doet niet af dat de jaarverslagen over 2009 en 2010 van GVB lovende woorden over [appellant] bevatten.

De RvC behoefde zich van zijn oordeel niet te laten weerhouden door de omstandigheid dat een van de commissarissen op 8 juni 2012 ontslag had genomen (om welke reden dan ook).

Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat de toenmalige directie destijds meende dat er goede redenen waren om niet altijd de regels van het inkoopbeleid van de gemeente Amsterdam te volgen en dat rekening moest worden gehouden met "de wereld waarin GVB moest opereren".

Indien naleving van Europese aanbestedingsregels door andere instanties in Nederland in de desbetreffende periode problematisch was, behoefde ook dit de RvC niet van zijn oordeel te weerhouden.

Dit alles laat immers onverlet dat de RvC de vrijheid had om de geconstateerde schendingen zo ernstig te achten dat de door hem getrokken conclusies gerechtvaardigd waren.

3.10

Het normatieve kader is in het geding gebracht: het bestaat uit vijf kolommen onder de opschriften "Fraude", "Integriteit", "Rechtmatigheid", "Doelmatigheid" en "Verantwoordelijkheid en Zorgvuldigheid". Aan de hand van deze vijf categorieën zijn de bevindingen van BDO geclassificeerd met groene en rode vakjes, afhankelijk van de vraag of uit het onderzoek feiten en omstandigheden naar voren zijn gekomen die een overtreding van de normen in het toetsingskader betreffen.

De omstandigheid dat de RvC het normatieve kader als toetsingsinstrument heeft gebruikt, doet niet af aan hetgeen het hof hiervoor in rov. 3.9 heeft overwogen. In het midden kan daarom blijven of het normatieve kader te rigide is of anderszins ongeschikt om bij de oordeelsvorming te worden gebruikt.

3.11

GVB heeft dus niet onrechtmatig jegens [appellant] gehandeld doordat de RvC voornoemde conclusies heeft getrokken.

3.12

Gelet op de suggesties van misstanden, fraude en onregelmatigheden bij GVB die reeds in De Telegraaf waren gepubliceerd, had GVB er belang bij om te publiceren dat hiernaar onderzoek was gedaan, dat hierover was gerapporteerd, dat de RvC conclusies uit het rapport had getrokken en om daarbij te vermelden hoe die conclusies luidden. GVB mocht dit belang redelijkerwijs als zwaarwegend en spoedeisend kwalificeren.

Bij de wijze van formuleren van de conclusies in het persbericht mocht GVB voornoemde belangen van haarzelf betrekken, maar diende zij ook rekening te houden met de belangen van [appellant] . Dat heeft zij in zoverre gedaan dat het persbericht zijn naam niet vermeldt. Het vermeldt wel "de toenmalige directie" als collectief, maar zonder specifiek te verwijzen naar de algemeen directeur of de bestuursvoorzitter of anderszins naar [appellant] als individuele toenmalige bestuurder. Onvoldoende is gesteld om aan te nemen dat GVB, hoewel zij meende en mocht menen dat ook [appellant] verantwoordelijkheid droeg voor de door BDO vastgestelde feiten, geen enkele naar [appellant] te herleiden verwijzing in het persbericht mocht opnemen.

Gelet op dit alles heeft GVB niet onrechtmatig gehandeld door de conclusies van de RvC in de gekozen bewoordingen in het persbericht te publiceren.

3.13

Er is geen rechtsregel die meebrengt dat GVB [appellant] had moeten horen, voordat zij tot publicatie van het persbericht zou overgaan. [appellant] heeft niet toegelicht welke (andere) interne procedure GVB volgens hem had moeten voeren voordat zij tot publicatie zou overgaan. Daarom is de wijze van voorbereiding en totstandkoming van de beslissing van GVB om het persbericht te publiceren, evenmin onrechtmatig.

3.14

GVB heeft dus niet onrechtmatig jegens [appellant] gehandeld door de gewraakte conclusies te publiceren middels verspreiding van het persbericht op 12 juni 2012.

3.15

[appellant] stelt zich verder op het standpunt dat GVB onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door de gewraakte conclusies ongewijzigd te publiceren in het jaarverslag 2012. Ook hierover heeft [appellant] in hoger beroep voldoende kenbaar standpunten betrokken die beoordeeld moeten worden. De hiertegen door GVB aangevoerde procedure bezwaren zijn evenmin gegrond.

3.16

Op 18 juni 2012 heeft de ondernemingsraad advies uitgebracht over het voornemen tot ontslag van [A] en [B] . Op 21 september 2012 heeft de kantonrechter een beschikking uitgesproken in de ontbindingszaak van [B] . Aangenomen moet worden dat de RvC dit advies en deze beschikking kende toen de hiervoor in rov. 2.6 weergegeven passage in het jaarverslag 2012 werd geformuleerd.

3.17

Uit het advies van de ondernemingsraad blijkt, samengevat weergegeven, dat de ondernemingsraad van mening was (onder meer) dat de RvC de bevindingen van het BDO-rapport (over schendingen van aanbestedingsregels en interne inkoopregels) niet in de juiste context had geplaatst, dat de conclusies van de RvC niet door het BDO-rapport werden gedragen en dat het gehanteerde normatieve kader ondeugdelijk was. Zoals hiervoor overwogen, had de RvC echter de taak zich een eigen oordeel te vormen en had hij daarbij in beginsel beoordelingsvrijheid. Kennelijk achtte de RvC het advies van de ondernemingsraad niet overtuigend. Het advies van de ondernemingsraad behoefde er niet toe te leiden dat de RvC zijn uit het BDO-rapport getrokken conclusies zou wijzigen.

Hetgeen de kantonrechter in de ontbindingszaak van [B] heeft overwogen over het BDO-rapport en de daaruit door de RvC getrokken conclusies, heeft betrekking op de vraag of een ontslagvergoeding aan [B] toekomt, en zo ja, van welke hoogte. Deze overwegingen behoefden er evenmin toe te leiden dat de RvC zijn uit het BDO-rapport getrokken conclusies zou wijzigen.

Ook na kennisneming van het advies van de ondernemingsraad en de overwegingen van de kantonrechter kon de RvC dus redelijkerwijs zijn oordeel handhaven dat de door hem uit het BDO-rapport getrokken conclusies gerechtvaardigd waren.

3.18

Ten tijde van de publicatie van het jaarverslag kon de RvC dus redelijkerwijs nog steeds van oordeel zijn dat de door hem uit het BDO-rapport getrokken conclusies gerechtvaardigd waren. Mede gelet op de omstandigheid dat GVB verplicht was in het jaarverslag een getrouw beeld te geven van de ontwikkelingen binnen GVB, is het daarom niet onrechtmatig jegens [appellant] dat GVB de hiervoor in rov. 2.6 weergegeven conclusies in het jaarverslag heeft gepubliceerd.

3.19

Op grond van het voorgaande dient het vonnis waarvan beroep te worden bekrachtigd en dient hetgeen in hoger beroep meer of anders is gevorderd, te worden afgewezen. Hetgeen over en weer verder nog is aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden en kan onbesproken blijven. [appellant] zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

wijst af hetgeen in hoger beroep meer of anders is gevorderd;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot op heden aan de zijde van GVB begroot op € 726,- aan verschotten en € 1.611,- voor salaris en op € 157,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 82,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.C. Faber, G.C.C. Lewin en C.M. Stokkermans en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 3 september 2019.