Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:3211

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-09-2019
Datum publicatie
04-09-2019
Zaaknummer
200.263.353/01 en 200.263.353/02
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Familierecht. Verzoek om gezag van bij de geboorte minderjarige moeder. Door de rechtbank vastgestelde opbouwende omgangsregeling is niet in het belang van de minderjarige. Vernietiging en terugverwijzing naar de rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Zaaknummers: 200.263.353/01 en 200.263.353/02

Zaaknummer rechtbank: C/13/660604 / FA RK 19-337

Beschikking van de meervoudige kamer van 3 september 2019 inzake

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam,

gevestigd te Amsterdam

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI,

advocaat: mr. J.K. van den Heuvel te Amsterdam,

en

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. N. Rastegar te Amsterdam.

Als belanghebbende is aangemerkt:

- [de vader] (hierna te noemen: de vader).

Als informanten zijn aangemerkt:

- [de pleegvader] en [de pleegmoeder] (hierna te noemen: de pleegouders).

In zijn adviserende taak is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

locatie: Amsterdam,

hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Amsterdam (hierna te noemen: de rechtbank) van 24 juli 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De GI is op 26 juli 2019 in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking van 24 juli 2019. De GI heeft tevens verzocht de werking van die beschikking te schorsen.

2.2

De moeder heeft op 31 juli 2019 een verweerschrift ingediend.

2.3

De zaak is op 1 augustus 2019 ter zitting behandeld. Verschenen zijn:

- de GI, vertegenwoordigd door een waarnemer van de gezinsmanager en bijgestaan door haar advocaat;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat die pleitnotities heeft overgelegd;

- de vader, vergezeld door zijn begeleider de heer [X] ;

- de raad, vertegenwoordigd door de heer V. Aelbers;

- mevrouw [de pleegmoeder] (hierna te noemen: de pleegmoeder);

- mevrouw [Y] , pleegzorgwerker van Spirit.

3 De feiten

3.1

Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de vader is geboren:

- [dochter] (hierna te noemen: [de minderjarige] ), [in] 2015.

De GI is bij beschikking van 5 januari 2016 belast met de voogdij over [de minderjarige] , omdat de moeder, geboren [in] 1998, minderjarig was op het moment van de geboorte van [de minderjarige] . De vader heeft [de minderjarige] erkend.

3.2

Vanaf haar geboorte tot oktober 2018 heeft [de minderjarige] bij de moeder gewoond. In oktober 2018 is zij door de GI geplaatst in een (netwerk)pleeggezin. Aanvankelijk was dat bij mevrouw [Z] . Vanaf 1 februari 2019 woont zij bij de huidige pleegouders. Vanaf de uithuisplaatsing in een pleeggezin is er door de GI een beperkte begeleide omgangsregeling tussen de moeder en [de minderjarige] bepaald. Vanaf februari 2019 is deze omgangsregeling verder beperkt tot eens in de drie weken anderhalf uur begeleide omgang.

4 De omvang van het geschil

4.1

De moeder heeft in eerste aanleg bij verzoekschrift, ingekomen op 18 januari 2019 verzocht:

primair, uitvoerbaar bij voorraad, de voogdij van de GI te beëindigen en haar voortaan alleen te belasten met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] ;

subsidiair een omgangsregeling vast te stellen waarin wordt bepaald dat [de minderjarige] de helft van de tijd bij haar mag verblijven, althans om de week bij haar mag verblijven, althans de helft van elke week bij haar mag verblijven, althans in de weekenden bij haar mag verblijven, welke omgang vervolgens wordt opgebouwd, of een door de rechtbank te bepalen omgangsregeling.

4.2

Bij beschikking van (zo begrijpt het hof) 4 april 2019 heeft de rechtbank een voorlopige omgangsregeling vastgesteld, inhoudende dat de moeder wekelijks voor de duur van anderhalf uur omgang zal hebben met [de minderjarige] onder begeleiding van, bij voorkeur, Spirit. De beslissing met betrekking tot het gezag is aangehouden.

4.3

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, de volgende omgangsregeling vastgesteld:

- vanaf de week van 29 juli 2019 zal [de minderjarige] wekelijks vier uur onbegeleide omgang hebben met de moeder;

- vanaf de week van 12 augustus zal [de minderjarige] wekelijks op zaterdag van 10.00 uur tot 17.00 uur onbegeleide omgang hebben met de moeder;

- vanaf de week van 26 augustus 2019 zal [de minderjarige] wekelijks onbegeleid bij de moeder verblijven van zaterdag 10.00 uur tot zondag 17.00 uur;

- vanaf de week van 23 september 2019 zal [de minderjarige] wekelijks bij de moeder verblijven van vrijdagavond tot maandagochtend;

- vanaf de week van 7 oktober 2019 zal [de minderjarige] wekelijks bij de moeder verblijven van donderdagavond tot dinsdagochtend. Deze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

De beslissing met betrekking tot het gezag is opnieuw aangehouden.

4.4

De GI verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, het inleidende (subsidiaire) verzoek van de moeder tot vaststelling van een omgangsregeling inhoudende dat [de minderjarige] de helft van de tijd bij de moeder mag verblijven, althans in de weekenden bij de moeder mag verblijven, welke omgang vervolgens wordt opgebouwd, af te wijzen en te bepalen dat [de minderjarige] in het huidige pleeggezin zal verblijven en in dat kader een passende omgangsregeling tussen de moeder en [de minderjarige] vast te stellen. De GI verzoekt tevens de werking van de bestreden beschikking te schorsen.

4.5

De moeder verzoekt de GI niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep, dan wel het verzoek van de GI af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen. Tevens strekt het verweer van de moeder tot afwijzing van het schorsingsverzoek van de GI.

5 De motivering van de beslissing

In de zaak met zaaknummer 200.263.353/01

Ontvankelijkheid

5.1

Volgens de moeder is de bestreden beschikking een tussenbeschikking waarvan tussentijds hoger beroep niet openstaat. De moeder voert aan dat zij geen verzoek tot vaststelling van een tijdelijke omgangsregeling heeft ingediend, zodat niet kan worden gesproken van een deelbeschikking waarbij reeds op één van de verzochte punten in het dictum een eindbeslissing is gegeven. De rechtbank heeft zelf een tijdelijke omgangsregeling vastgesteld om zo tot een weloverwogen oordeel te kunnen komen over de verzoeken van de moeder. De gehele beeldvorming en oordeelsvorming valt of staat met de bepaalde omgangsregeling, zonder welke de rechtbank nimmer tot toewijzing van de verzoeken van de moeder zal of zal kunnen overgaan. Om die reden dient het hoger beroep van de GI niet ontvankelijk te worden verklaard, aldus de moeder.

5.2

De GI is van mening dat hoger beroep openstaat tegen de bestreden beschikking en verwijst daarbij naar rechtspraak van de Hoge Raad.

5.3

Het hof overweegt als volgt. In het dictum van de bestreden beschikking heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, een omgangsregeling tussen de moeder en [de minderjarige] bepaald en tevens bepaald dat de behandeling betreffende het gezag pro forma zal worden aangehouden tot 17 oktober 2019. Volgens vaste jurisprudentie (vgl. HR 12 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD7077) is in een geval als dit voor de ontvankelijkheid van het hoger beroep doorslaggevend of de beslissing een onherroepelijk karakter heeft in die zin dat de beschikking, eenmaal geëffectueerd, niet meer in haar gevolgen ongedaan kan worden gemaakt. Het hof is van oordeel dat waar de rechtbank in de bestreden beschikking een beslissing heeft gegeven waarin voor een bepaalde tijd een omgangsregeling is vastgesteld, deze beslissing naar zijn aard onomkeerbaar is en niet meer in zijn gevolgen ongedaan kan worden gemaakt. In zoverre is de bestreden beschikking een eindbeschikking, nog daargelaten dat zij ook tegemoet komt aan het subsidiair door de moeder verzochte. Dat het resultaat van de door de rechtbank bepaalde omgang mede een rol zal spelen bij de beoordeling van het primaire verzoek van de moeder, maakt dit alles niet anders. De GI is ontvankelijk in haar hoger beroep. Die ontvankelijkheid brengt voorts mee, dat de GI thans ook grieven kan ontwikkelen tegen overwegingen in het interlocutoire deel van de bestreden beschikking (vgl. o.a. HR 20 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU7513).

5.4

De GI verzoekt in hoger beroep onder meer dat het hof bepaalt dat [de minderjarige] in het huidige pleeggezin zal verblijven. In dat verzoek is de GI niet-ontvankelijk, omdat het niet op de wet is gebaseerd. Zolang de GI voogdes over [de minderjarige] is, heeft zij de bevoegdheid te bepalen waar [de minderjarige] zal verblijven. De uitzonderingen op dit recht hebben slechts betrekking op de rechtspositie van pleegouders en op de plaatsing van een kind in het buitenland. Die uitzonderingen doen zich in deze zaak niet voor.

Perspectief van [de minderjarige] en omgangsregeling met de moeder

5.5

De GI is van mening dat een terugkeer van [de minderjarige] bij haar moeder niet veilig en verantwoord is en dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, op dit moment niet beslist kan worden dat het perspectief van [de minderjarige] bij de moeder zal zijn. De beslissing van de rechtbank tot terugplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder, waartoe de omgang wordt uitgebreid en opgebouwd, is schadelijk voor de verdere ontwikkeling van [de minderjarige] . Door wat [de minderjarige] heeft meegemaakt, heeft zij een opvoeder nodig die te allen tijde emotioneel beschikbaar is en meer dan enkel genoeg ouderschap kan bieden.

De moeder heeft weliswaar een aantal praktische zaken aangepakt en opgelost, maar de opvoedsituatie is onveranderd. De onderliggende zorgen zijn niet weggenomen en er zijn nog steeds grote zorgen over wat er gaat gebeuren met [de minderjarige] als zij teruggaat naar haar moeder. Er moeten geen onnodige risico’s met [de minderjarige] genomen worden.

De moeder moet eerst laten zien dat zij de hulpverlening intrinsiek kan accepteren, inzicht kan geven in haar problematiek en de behandeling daarvan bij de Viersprong en dat zij meewerkt met de nabespreking van de omgangsmomenten. In oktober 2019 kan worden gekeken welke vooruitgang is gemaakt. Tot die tijd kan de huidige begeleide omgangsregeling van eenmaal per week worden voortgezet, aldus de GI.

5.6

Volgens de moeder is door de rechtbank niet beslist dat [de minderjarige] bij haar teruggeplaatst zal worden, maar dat aan de hand van de vastgestelde omgangsregeling zal kunnen worden beoordeeld of de huidige inschatting van de rechtbank dat het perspectief van [de minderjarige] bij de moeder moet liggen, juist is. Een schorsing of vernietiging van deze beschikking maakt het onmogelijk voor de rechtbank om een eindbeslissing te nemen op het verzochte. De rechtbank wil eerst met eigen ogen zien en overtuigd raken van het feit dat de moeder [de minderjarige] kan opvoeden en de perikelen het hoofd kan bieden, zonder dat [de minderjarige] daardoor in haar ontwikkeling en veiligheid wordt geschaad. De GI heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat [de minderjarige] in gevaar komt, wordt geschaad in haar ontwikkeling en bij de moeder onveilig zou zijn.

Uit de verklaring van Altra van 26 juli 2019 blijkt dat de situatie van de moeder stabiel genoeg is om haar woning op haar eigen naam te krijgen. De moeder stelt dat haar woning schoon is en dat zij reeds geruime tijd grip op haar financiële situatie en uitgavenpatroon heeft. De opleiding van moeder verloopt goed en begin 2020 behaalt zij naar verwachting haar diploma, waarna zij gecertificeerd kapster is en een vaste baan aangeboden zal krijgen.

De moeder erkent haar persoonlijkheidsproblematiek en is hiervoor in behandeling. Deze problematiek is echter niet zo ernstig dat [de minderjarige] de eerste drie jaren van haar leven niet bij de moeder heeft kunnen wonen. Ten tijde van de uithuisplaatsing van [de minderjarige] waren er geen concrete aanwijzingen voor gevaar voor de ontwikkeling en veiligheid van [de minderjarige] .

De conclusie van het uitgevoerde onderzoek door middel van de hulpverleningsmodule NIKA (hierna NIKA), juni 2019, is dat de moeder emotioneel beschikbaar is voor haar dochter en haar dochter kan opvoeden. De moeder kan zich voldoende verplaatsen in [de minderjarige] , is voldoende emotioneel beschikbaar voor [de minderjarige] en in staat hulpvragen voor zichzelf te formuleren en te stellen. Ook concludeert NIKA dat de moeder heeft aangetoond dat zij in staat is haar gedrag aan te passen en dus gestuurd kan worden. Zij beschikt over voldoende opvoedvaardigheden.

De GI neemt de vooruitgang die de moeder heeft laten zien, namelijk dat zij de stressfactoren kan beperken en dat zij de grootste oorzaken van de stress reeds het hoofd heeft geboden, ten onrechte niet mee. De moeder betwist dat de omgangsmomenten niet goed zijn verlopen en stressvol zijn.

5.7

De raad heeft ter zitting geconcludeerd dat het niet in het belang van [de minderjarige] is om toe te werken naar een terugplaatsing bij de moeder. Dit betekent dat er geen uitbreiding van de omgangsregeling moet plaatsvinden. Hoewel de moeder een positieve lijn laat zien, constateert de raad dat er onvoldoende positieve veranderingen zijn bij de moeder in de mogelijkheden om daadwerkelijk in de opvoeding gebruik te maken van de hulp die haar geboden wordt. De behandeling van de moeder in verband met haar persoonlijke problematiek kan daarbij helpen, mits er zicht komt op de voortgang van de behandeling.

De gedachte van een proefperiode waarin de moeder de kans krijgt om aan te tonen dat zij de opvoeding van [de minderjarige] aan kan, is, hoewel begrijpelijk, niet in [de minderjarige] belang. [de minderjarige] is een kwetsbaar meisje dat heftig reageert op veranderingen, zo is gebleken. Bovendien is zij nog erg jong waardoor de ontwikkelingstaken zich in snel tempo opvolgen. Voor [de minderjarige] is het van belang dat zij een basisvertrouwen krijgt in de volwassenen om haar heen. Op het moment dat dit onvoorspelbaar en instabiel is, heeft dat effect op het vertrouwen dat zij zal hebben in haar omgeving. Hoewel de moeder één van de belangrijkste personen in het leven van [de minderjarige] is, moet voor de omgangsfrequentie worden aangesloten bij de mogelijkheden van [de minderjarige] . Het is belangrijk dat de moeder zich daarin laat begeleiden om daar zo goed mogelijk bij aan te kunnen sluiten.

De Raad heeft ter zitting aangegeven dat het mogelijk is een onderzoek te doen naar de vraag of de moeder met het gezag kan worden belast.

5.8

Het hof overweegt als volgt. Het primaire inleidende verzoek van de moeder is gegrond op artikel 1:253b lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Zij beoogt daarmee het gezag over [de minderjarige] te verkrijgen en, kennelijk, daarmee de mogelijkheid te hebben om de verblijfplaats van [de minderjarige] bij haar te bepalen. Ingevolge artikel 253b lid 5 BW wordt een dergelijk verzoek slechts afgewezen indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging daarvan de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd. Daarvan kan sprake zijn indien inwilliging van het verzoek zou leiden tot of bijdragen aan een ernstige ontwikkelingsbedreiging van het kind in de zin van artikel 1:255 BW (vgl. HR 7 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT6847).

Blijkens de bestreden beschikking heeft de rechtbank tot uitgangspunt genomen dat er in de huidige situatie geen noodzaak is om [de minderjarige] niet bij de moeder te laten opgroeien. Het perspectief van [de minderjarige] zal dan ook bij de moeder moeten liggen, aldus de rechtbank. De rechtbank is dus kennelijk voorshands van oordeel dat de hiervoor genoemde gegronde vrees zich niet voordoet, zodat de moeder met het gezag zou kunnen worden belast. In dat licht heeft de rechtbank een omgangsuitbreiding ontworpen om te kunnen beoordelen of deze inschatting juist is. Tegen dit alles komt de GI in hoger beroep op.

5.9

Uit de stukken en de ter zitting gegeven informatie is het hof gebleken dat [de minderjarige] een kwetsbaar meisje is dat gevoelig is voor veranderingen. Zij heeft in haar korte leven al veel meegemaakt. Zij is getuige geweest van huiselijk geweld tussen haar ouders. Daarnaast was er in 2018 sprake van oplopende stress bij de moeder, waardoor haar schulden en haar middelengebruik toenamen en er sprake was van een soms sterk vervuilde woning. Deze stress had ook tot gevolg dat [de minderjarige] gedurende langere tijd geen emotioneel voldoende beschikbare opvoeder heeft gehad. Door de toenemende zorgen omtrent de veiligheid van [de minderjarige] heeft de GI haar op 2 oktober 2018 in een netwerkpleeggezin geplaatst bij de - voor de moeder bekende en bij haar betrokken - pleegmoeder mevrouw [Z] .

Voor zover de moeder de GI verwijt onrechtmatig te hebben gehandeld, doordat zij zonder voorafgaande rechterlijke toetsing [de minderjarige] uit huis heeft geplaatst, overweegt het hof, zoals ook hiervoor al is overwogen, dat de GI als voogdes de bevoegdheid heeft dergelijke beslissingen te nemen. De wet voorziet niet in een rechtsingang voor de GI om die beslissing voorafgaand door de rechter te laten toetsen.

5.10

Na de uithuisplaatsing zijn de zorgen met betrekking tot de ontwikkeling van [de minderjarige] bevestigd. Mevrouw [Z] heeft geconstateerd dat er bij [de minderjarige] veel zorgelijke signalen waren. Enkele van de door haar in haar mail van 12 juli 2019 genoemde voorbeelden zijn: oververmoeidheid, separatieangst wat zich uitte in claimgedrag, nachtmerries en een verstoord slaapritme, ongevoeligheid voor gezag, verstoord eetritme, zichzelf krabben. Pas na vier maanden intensieve verzorging en aandacht is het volgens mevrouw [Z] gelukt om de zorgen te verminderen.

Uit het verslag van NIKA volgt dat [de minderjarige] , doordat zij in haar korte leven al veel heeft meegemaakt, sneller ontregeld is en minder capaciteit heeft om hier mee om te gaan, dan kinderen die deze bagage niet hebben. Dat vergt bijzonder reflectieve ouders, van wie ‘meer dan goed genoeg ouderschap’ wordt gevergd, hetgeen door de GI ook wel ‘opvoeder plus’ wordt genoemd.

Dat [de minderjarige] snel kan ontregelen is ook gebleken na haar overplaatsing op 1 februari 2019 naar het huidige pleeggezin. Pleegzorgwerker mevrouw [Y] heeft beschreven dat [de minderjarige] erg terugviel in haar oude gedrag. Door een duidelijke structuur en veiligheid uit te stralen ging het na een tijd beter en is [de minderjarige] steeds meer gaan exploreren en leren zichzelf te vermaken. De verhoging van de frequentie van de bezoekregeling met haar moeder in april 2019 leverde echter weer sterke reacties op bij [de minderjarige] . De wijziging in perspectief, zoals die tot uitdrukking komt in de bestreden beschikking, leverde eveneens heftige reacties op bij [de minderjarige] . Ter zitting heeft de huidige pleegmoeder naar voren gebracht dat bij [de minderjarige] momenteel een sterke terugval in haar gedrag zichtbaar is. Rond mei 2019 was er een stijgende lijn te zien waarbij het heel goed ging met [de minderjarige] , maar direct na het eerste omgangsmoment na de zitting van de rechtbank van 3 juli 2019 heeft de pleegmoeder geconstateerd dat [de minderjarige] weer hetzelfde gedrag vertoont als toen zij in februari 2019 bij het pleeggezin kwam, alleen dan nog heftiger. Zo was zij niet meer zindelijk en poepte zij meermalen per dag in haar broek. Ook begon zij weer grenzeloos te eten en accepteerde zij geen grenzen meer, waar zij die eerder wel accepteerde. [de minderjarige] gedraagt zich thans soms als een baby en is dan ineens aanhankelijk of gebruikt brabbeltaal. Desgevraagd heeft de moeder ter zitting in hoger beroep beaamd dat zij na de zitting van de rechtbank van 3 juli 2019 uitingen richting [de minderjarige] heeft gedaan die bij haar de indruk zouden kunnen wekken dat zij weer bij de moeder zal gaan wonen.

5.11

Het hof constateert dat de bij moeder en [de minderjarige] betrokken professionals en pleegouders veel zorgen hebben over de vraag of de moeder voldoende in staat is om een beschikbare opvoeder te zijn, die sensitief en responsief opvoedt, zelfreflectie heeft en de duidelijkheid en structuur kan bieden die [de minderjarige] nodig heeft, zoals omschreven in het NIKA-rapport. Uit de stukken blijkt dat tussen de moeder en haar eigen moeder sprake is van een gedesorganiseerde hechting. Dit is een risicofactor voor de hechtingsstijl tussen de moeder en [de minderjarige] . De moeder heeft in haar eigen opvoeding onvoldoende sensitiviteit en responsiviteit ervaren. Dat levert risico’s op voor de opvoeding van [de minderjarige] . De GI heeft gezien dat de moeder voorafgaand en tijdens de uithuisplaatsing in geval van stress geen beschikbare en voorspelbare opvoeder is geweest. De moeder overzag haar taken niet meer, het huishouden werd verwaarloosd, er zijn financiële problemen ontstaan en het middelengebruik was toegenomen. De stressfactoren, zoals de persoonlijke problematiek van moeder, het moeizame contact tussen de moeder en de vader en het beperkte weekbudget zijn nog onverkort aanwezig. Er is bij de GI geen netwerk bekend dat de moeder kan ondersteunen in de opvoeding, dat stresssignalen bij de moeder kan herkennen en dat een basis biedt waarop zij en [de minderjarige] terug kunnen vallen. Het risico dat de moeder bij stress terugvalt in haar oude patroon wordt dan ook als hoog ingeschat door de GI. Gelet op de over haar gestelde diagnose borderline persoonlijkheidsstoornis is moeder bovendien meer gevoelig voor stresssituaties.

Hoewel uit het verslag van NIKA volgt dat de moeder (als er geen of matige stress is) voldoende in staat is om zich te verplaatsen in [de minderjarige] en voldoende emotioneel beschikbaar is, kan echter geen uitspraak worden gedaan over het handelen ten tijde van grote stress.

5.12

Spirit, pleegzorg, heeft op verzoek van de GI een Nulmeting ingezet om te bepalen of nader onderzoek omtrent terugkeer naar de moeder een reële optie is. In het verslag van 19 juni 2019 wordt geconcludeerd dat hoewel de moeder veel van haar dochter houdt, affectie laat zien en aangeeft dat zij haar kan verzorgen en opvoeden, zij volgens de GI en Spirit op dit moment (nog) niet over de benodigde vaardigheden beschikt om haar dochter een stabiel en veilig ontwikkelingsklimaat te bieden. Genoemd worden in het verslag: het ontbreken van zelfreflectie bij de moeder, het niet erkennen van de zorgen, de invloed van stress op haar functioneren en haar wantrouwen jegens de hulpverlening.

Ook mevrouw [Z] heeft haar zorgen geuit over een mogelijke terugplaatsing. Zij is teleurgesteld, omdat de moeder niet ‘met een noodvaart aan de bak’ is gegaan. Volgens haar heeft de moeder zich niet goed aan afspraken gehouden om haar leven op de rit te krijgen en was ze vooral boos en gefrustreerd. Volgens mevrouw [Z] lukt het de moeder niet om mee te werken aan de hulpverlening die haar wordt aangeboden.

Verder is het hof gebleken dat, in weerwil van hetgeen de rechtbank heeft overwogen bij haar beschikking van 4 april 2019, de moeder zeer recent tijdens de omgang bij [de minderjarige] de indruk heeft gewekt dat zij op korte termijn weer bij de moeder komt wonen. Gebleken is dat [de minderjarige] hier heftig op heeft gereageerd en dat dit tot veel onrust, onduidelijkheid en een ernstige terugval bij [de minderjarige] heeft geleid.

5.13

Op grond van het bovenstaande volgt het hof de rechtbank niet in haar overweging dat er in de huidige situatie geen noodzaak is om [de minderjarige] niet bij de moeder te laten opgroeien en dat het perspectief van [de minderjarige] bij de moeder moet liggen. Die conclusie is op zijn minst genomen prematuur. De GI heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de moeder op dit moment nog niet voldoende opvoedingsvaardigheden in huis heeft om [de minderjarige] te kunnen bieden wat zij nodig heeft. Hoewel de moeder op diverse terreinen vooruitgang heeft geboekt en de woning inmiddels op haar naam staat en zij bezig is haar opleiding af te ronden, heeft zij tot nu toe onvoldoende gebruik gemaakt van de aangeboden hulpverlening. Ook uit de omgangsverslagen valt op te maken dat er zeker een en ander na te bespreken is na de omgangsmomenten, maar de medewerking van de moeder daaraan is tot nu toe te minimaal gebleken. Ter zitting heeft de moeder ook verklaard het belang van dergelijke nabesprekingen niet in te zien.

De moeder zal de komende periode een behandeling starten bij de Viersprong voor haar eigen trauma’s en borderline trekken. Het hof constateert dat dit een intensief behandelingstraject zal zijn dat veel van de moeder zal vragen. De groepstherapie zal pas eind 2019 van start gaan. Op dit moment lijkt het illustratief dat de moeder slechts toestemming geeft voor zeer beperkte informatie-uitwisseling tussen de Viersprong en de GI, omdat zij de GI niet vertrouwt. Hierbij stelt zij haar eigen belang boven dat van haar dochter. Immers, op deze wijze kan de GI geen inschatting maken van de verbetering van de emotionele beschikbaarheid van de moeder voor [de minderjarige] en van passende hulpverlening om haar opvoedingsvaardigheden te versterken.

De toezegging van de moeder ter zitting dat zij open staat voor hulpverlening en wil meewerken als blijkt dat zij geen ‘opvoeder plus’ is, is in het licht van het bovenstaande onvoldoende overtuigend. Het hof is met de GI van oordeel dat het van belang is dat de moeder de komende periode gaat gebruiken om aan zichzelf te werken en dat zij openheid van zaken zal geven over de behandeling door de Viersprong, zodat getoetst kan worden of zij een veilige opvoedomgeving voor [de minderjarige] kan creëren. Daarnaast zal zij de samenwerking met de hulpverlening moeten aangaan en serieus mee moeten werken aan de omgangsevaluaties.

5.14

Nu momenteel niet kan worden geoordeeld dat het perspectief van [de minderjarige] bij de moeder ligt, en gelet op de heftige reactie van [de minderjarige] op de recente signalen van de moeder dat zij weer bij haar zal komen wonen, is het hof voorts van oordeel dat het door de rechtbank vastgestelde traject tot uitbreiding van de omgangsregeling op dit moment niet in het belang van [de minderjarige] is. De bestreden beschikking zal daarom met betrekking tot de omgangregeling worden vernietigd. Dit betekent dat de voorlopige omgangsregeling van eenmaal per week gedurende anderhalf uur onder begeleiding, zoals bepaald in de beschikking van de rechtbank van 4 april 2019, van kracht blijft en gecontinueerd kan worden. Tegen die beschikking is geen hoger beroep ingesteld en de GI acht die regeling haalbaar.

5.15

Hoewel daartegen geen grief is gericht, overweegt het hof ten overvloede dat geen wettelijke basis bestaat voor de bepaling in de bestreden beschikking dat de pleegouders een schriftelijk verslag van het verloop van de omgangsmomenten aan de rechtbank en de advocaat (en, naar het hof wil aannemen, de GI) zullen verstrekken. Een dergelijk op artikel 22 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) gebaseerd bevel kan slechts worden gegeven aan een partij. De pleegouders zijn geen partij, maar informant.

5.16

Het hof zal geen gebruik maken van de ter zitting besproken mogelijkheid om de zaak aan zich te houden op de voet van artikel 356 Rv. Dat betekent dat het hof de zaak zal terugverwijzen naar de rechtbank ter verdere afdoening in de staat waarin deze zich thans bevindt.

Schorsingsverzoek in de zaak met zaaknummer 200.263.353/02

5.17

Nu het hof heden uitspraak in de hoofdzaak doet, heeft de GI geen belang meer bij het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van (een deel van) de bestreden beschikking, zodat dit verzoek zal worden afgewezen.

6 De beslissing

Het hof:

in de zaak met zaaknummer 200.263.353/01:

verklaart de GI niet-ontvankelijk in haar verzoek te bepalen dat [de minderjarige] in het huidige pleeggezin zal verblijven;

vernietigt de bestreden beschikking, voor zover de rechtbank daarbij een omgangsregeling heeft vastgesteld;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

verwijst de zaak naar de rechtbank Amsterdam om op de hoofdzaak te worden beslist;

in de zaak met zaaknummer 200.263.353/02:

wijst af het verzoek tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.V.T. de Bie, mr. G.W. Brands-Bottema en mr. M. Perfors, in tegenwoordigheid van mr. A. Blijleven als griffier en is op 3 september 2019 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.