Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:3188

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-08-2019
Datum publicatie
23-09-2019
Zaaknummer
23-000028-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor overval op clubgebouw van een golfbaan, afpersing, wapen- en munitiebezit en deelname aan een criminele organisatie. Vrijspraak van betrokkenheid bij een schietpartij bij een bakkerij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000028-18

datum uitspraak: 1 augustus 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 21 december 2017 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-650350-15 (hierna aangeduid als zaak A) en 13-659212-16 (hierna aangeduid als zaak B) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1982,

adres: [adres 1],

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Lelystad te Lelystad.

Onderzoek van de zaak

De verdachte en het openbaar ministerie hebben hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 2, 4 en 18 juli 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Ontvankelijkheid van de verdachte en het openbaar ministerie in het hoger beroep

De verdachte is in eerste aanleg vrijgesproken van hetgeen in zaak A onder 2 en in zaak B onder 1 en 2 is ten laste gelegd. De verdachte heeft onbeperkt hoger beroep ingesteld en dit is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, Sv staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven beslissingen tot vrijspraak.

Door de officier van justitie is onbeperkt hoger beroep ingesteld. De advocaat-generaal heeft op de terechtzitting in hoger beroep te kennen gegeven dat het openbaar ministerie geen bezwaren heeft tegen de beslissing van de rechtbank tot vrijspraak van het in zaak A onder 2 ten laste gelegde (diefstal van de personenauto van [slachtoffer 1] in Almere). Het hof zal ten aanzien van dat feit toepassing geven aan het bepaalde in artikel 416, derde lid, Sv en het openbaar ministerie in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep, aangezien ook overigens niet is gebleken van enig rechtens te respecteren belang dat is gediend met enig nader onderzoek van dat feit.

Tenlasteleggingen

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte – voor zover inhoudelijk nog aan de orde in hoger beroep – ten laste gelegd dat hij:

in zaak A onder 1
op of omstreeks 23 april 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een kluis (inhoudende een tot op heden onbekend geldbedrag) en/of een of meer sleutels en/of een of meer mobiele telefoon(s), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [brasserie] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren en/of

- met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot de afgifte van een kluis (inhoudende een tot op heden onbekend geldbedrag) en/of een of meer sleutels en/of een of meer mobiele telefoon(s), in elk geval van enig goed geheel of ten dele toebehorende aan [brasserie] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en), dat verdachte en/of zijn mededader(s)

- ( een op) een (vuur)wapen (gelijkend voorwerp) heeft/hebben gericht op en/of getoond aan die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] en/of

- ( daarbij) heeft/hebben gezegd: "Ik maak jullier dood" en/of "Waar is de kluis" en/of "Waar is het geld", althans (telkens) woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking en/of

- die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] in een kast heeft/hebben opgesloten;

in zaak A onder 3

op of omstreeks 30 juni 2015 te Amsterdam een of meer wapens van categorie II, te weten een aanvalsgeweer, merk Zastava, kaliber 7.62x39 millimeter, en/of munitie van categorie II , te weten 27 pantserdoorborende en/of brandstichtende patronen en/of munitie van categorie III, te weten 281 stuks, voorhanden heeft gehad;

in zaak A onder 4

op of omstreeks 10 mei 2015 te Amsterdam (in een boxengang) van perceel [adres 2]) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een portemonnee en/of 2 bankpassen en/of een geldbedrag van 25 euro en/of een mobiele telefoon, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 4], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren en/of

- met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 4] heeft gedwongen tot de afgifte van een portemonnee en/of 2 bankpassen en/of een geldbedrag van 25 euro en/of een mobiele telefoon, in elk geval van enig goed geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4] in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en), dat hij, verdachte en/of zijn mededaders

- die [slachtoffer 4] naar perceel [adres 2] heeft/hebben gelokt en/of

- ( vervolgens) toen en/of nadat de [slachtoffer 4] het perceel was binnengegaan (een op) en (vuur)wapen (gelijkend voorwerp heeft/hebben gericht op en/of getoond aan die [slachtoffer 4] en/of

- ( daarbij tegen die [slachtoffer 4] heeft/hebben gezegd dt hij zou worden neergeschoten en/of

- met dat (op een) (vuur)wapen (gelijkend voorwerp) op/tegen het hoofd van die [slachtoffer 4] heeft/hebben geslagen en/of

- één of meer knietje(s) tegen het lichaam heeft/hebben gegeven;


in zaak B onder 1 primair
op of omstreeks 23 april 2015 te Almere, in elk geval in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen meermalen, althans eenmaal met een vuurwapen één of meer kogels in de richting van het lichaam van voornoemde [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] heeft/hebben geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

in zaak B onder 1 subsidiair
op of omstreeks 23 april 2015 te Almere, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk dreigend meermalen, althans eenmaal met een vuurwapen één of meer kogels in de richting van het lichaam van voornoemde [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] geschoten;

in zaak B onder 2

op meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 12 december 2014 tot en met 31 juli 2015 te Amsterdam, en/of Almere en/of Ouderkerk aan de Amstel en/of Rotterdam, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband tussen [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van diefstallen met geweld en/of afpersingen en/of diefstallen door middel van braak en/of verbreking en.of valse sleutel en/of het voorhanden hebben van (vuur)wapens en/of het plegen van valsheid in geschrift en/of het witwassen van crimineel vermogen, welke deelneming (onder meer) bestaat uit het uitvoeren van bovengenoemde misdrijven en/of het onderhouden van (telefonische) contacten met zijn mededader(s) en/of het maken van afspraken met zijn mededader(s) en/of het doorgeven van berichten aan zijn mededader(s) en/of verrichten van (voor)verkenning(en).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof ten aanzien van de bewijsvraag met betrekking tot het in zaak A onder 1 tenlastegelegde (overval golfbaan) en in zaak B onder 2 tenlastegelegde (deelname aan een criminele organisatie) en de strafoplegging komt tot andere beslissingen dan de rechtbank.

Vrijspraak van het in zaak B onder 1 tenlastegelegde (schietpartij [bakkerij])

Op 23 april 2015 heeft even na 1.30 uur een schietpartij plaatsgevonden bij bakkerij [bakkerij] in Almere. Daarbij hebben zich twee donkergetinte mannen bij de bakkerij gemeld en daar voorgewend dat zij voor 60 personen brood wilden kopen en om water gevraagd. Nadat één van de eigenaren van de bakkerij een flesje water had gehaald werd hij vastgepakt. Nadat hij zich had losgerukt werd om onopgehelderde redenen meermalen geschoten met een groot en zwart vuurwapen. Hierna zijn de donkergetinte mannen weggerend en in een auto vertrokken.

Aangenomen kan worden dat drie van de in de bakkerij aangetroffen hulzen zijn verschoten met het in de woning van de verdachte aangetroffen aanvalsgeweer. Verder is bij de bemonstering van één van de in de bakkerij gevonden hulzen een mengprofiel verkregen waarvan de verdachte de donor kan zijn geweest. Dat de verdachte één daders is geweest die zich bij de bakkerij hebben gemeld kan echter niet met een voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid worden vastgesteld, waarbij een belangrijke rol speelt dat hij niet in voldoende mate is te passen in de van die daders bekende signalementen. Dit geldt ook voor het signalement van de lange en slanke dader, omdat de verdachte in die tijd een opvallend baardje had en die dader naar opgave van de aangever [slachtoffer 5] geen baard had. De zojuist genoemde resultaten van het forensisch onderzoek geven weliswaar voer aan de gedachte dat de verdachte op enigerlei wijze betrokken is bij de schietpartij, maar dat hij daaraan opzettelijk zo’n wezenlijke bijdrage heeft geleverd dat hij als medepleger heeft te gelden, kan niet worden bewezen. De overige resultaten van het opsporingsonderzoek hebben te weinig zeggingskracht om andere conclusies te kunnen rechtvaardigen. Daarom zal het hof, net als de rechtbank heeft gedaan, de verdachte vrijspreken van het in zaak B onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde.

Bewijsoverwegingen

Ten aanzien van het in zaak A onder 1 tenlastegelegde (overval op het clubgebouw van de golfbaan)

Op 23 april 2015 heeft in de vroege ochtenduren een overval plaatsgevonden op het clubgebouw van golfbaan [clubgebouw] in Amsterdam Zuidoost en de aldaar gevestigde [brasserie]. De aanwezige schoonmakers, [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], zijn door twee mannen bedreigd met een grote mitrailleur en een klein pistool. Eén van de mannen sprak met de schoonmakers in het Engels en daarna in het Nederlands, gebrekkig en met een accent. Uit de brasserie is een kluis met inhoud ontvreemd.

Na de overval is in de brasserie een blauw horloge aangetroffen. Gelet op de plaats waar het horloge is aangetroffen – bij de plek waar de kluis had gestaan – en het niet aan het personeel of aan een klant toebehoort, moet het door de daders zijn achtergelaten. Van de bemonsteringen van de boven- en onderzijde van het horloge zijn DNA-mengprofielen verkregen. Daarin bevonden zich DNA-kenmerken van meer donoren. Met betrekking tot beide sporen kon daaruit een combinatie van DNA-kenmerken van een hoofddonor worden afgeleid. Het DNA-profiel van de verdachte matchte met een maximale zeldzaamheid met deze kenmerkencombinatie. Op een SD-kaart die in een portemonnee van de verdachte is aangetroffen stond een op 21 maart 2015 gemaakte foto waarop hij een blauw horloge draagt dat sterk lijkt op het uurwerk dat in de brasserie is gevonden.

Bij de overval is gebruik gemaakt van een zwarte Citroën C3 met kenteken [kenteken]. Op camerabeelden is te zien dat deze auto om 5.33 uur het terrein van de golfbaan is opgereden. Om 6.11 uur zijn daaruit twee mannen gestapt die zich naar het clubgebouw begaven. Omstreeks 6.25 uur hebben de mannen het gebouw met de buitgemaakte kluis verlaten en deze naar de Citroën C3 getild. Om 6.28 uur heeft het voertuig het golfbaanterrein verlaten en is het weggereden in de richting van Abcoude.

Omstreeks 10.15 uur is de Citroën C3 aangetroffen op een strandje op de Strandweg te Almere. Er was tevergeefs getracht dit voertuig en de zich daarin bevindende voorwerpen in brand te steken. Aan de bovenzijde van de deurstijl aan de passagierszijde zijn vingersporen aangetroffen die overeenkomen met de linker ring- en wijsvinger van [medeverdachte 2]. Bij de bestuurdersstoel van de auto stond een tas. Daarin zat een zwarte pet met witte stiksels met het opschrift ‘City of Amsterdam’. Uit het monster dat is genomen aan de binnenrand van de pet is een enkelvoudig DNA-profiel verkregen dat met een maximale zeldzaamheid matcht met dat van [medeverdachte 2]. De pet vertoont grote gelijkenissen met de pet die blijkens camerabeelden door één van de daders is gedragen.

De overvaller met het pistool (hierna: de eerste overvaller) betrof naar opgave van de schoonmakers een negroïde man met een tamelijk donkere huidskleur, een lichte baard met een sikje, korte dreads en een geschatte lengte van 180 tot 190 centimeter. [slachtoffer 2] heeft de leeftijd van deze man geschat op 33 jaar. De kenmerken van de verdachte voldoen aan dit signalement. Immers, zijn huidskleur is redelijk donker, hij droeg in 2015 een korte baard/sik en had zijn haar in korte vlechten. Verder beschikte de verdachte, die destijds 33 jaar oud was, over lichtbruine schoenen met een witte streep boven de zool. De schoenen die de eerste overvaller blijkens de camerabeelden droeg, hebben dezelfde eigenschappen.

De overvaller die in het bezit was van de mitrailleur (hierna: de tweede overvaller) was naar opgave van de schoonmakers een negroïde man met een geschatte lengte van 180 tot 190 centimeter, met een lichtere huidskleur dan die van de eerste overvaller en een pokdalig gezicht. [slachtoffer 2] schatte de leeftijd van deze man ‘rond de 35/36 jaar’. De kenmerken van [medeverdachte 2] voldoen aan dit signalement. Hij heeft een donkergetinte huidskleur, maar lichter dan die van de verdachte, is 185 centimeter lang en was indertijd 38 jaar oud. Verder heeft hij aan de rechterzijde van het gezicht opvallende littekens met kleine, puntvormige littekens van hechtingen. Het hof is van oordeel dat die gezichtskenmerken bij derden gemakkelijk de indruk kunnen wekken van een pokdalige huid.

Met het bij de verdachte in gebruik zijnde telefoonnummer, eindigend op *[nummer 1], is tussen 5.41 en 6.08 uur gebruik gemaakt van een zendmast die zich op het AMC in Amsterdam-Zuidoost in de nabije omgeving van de golfbaan bevindt. Voorafgaand aan de overval bevond de Citroën C3 zich om 2.00 uur op de Ring A10 in Amsterdam-Noord ter hoogte van de Buikslotermeerdijk, terwijl in de omgeving daarvan, te weten de Hilversumstraat in Amsterdam-Noord, om 1.59 uur een zendmast is aangestraald met behulp van het bij [medeverdachte 2] in gebruik zijnde telefoonnummer, eindigende op *[nummer 2]. Om 2.09 uur bevond de Citroën C3 zich bij een afslag van de A10 ter hoogte van de Staalmeesterslaan in Amsterdam-West. Op datzelfde tijdstip en om 2.14 uur werd met het nummer van [medeverdachte 2] contact gemaakt van een zendmast op de Staalmeesterslaan, terwijl met het nummer van de verdachte om 2.20 uur een mast werd aangestraald aan de Baarsjesweg in Amsterdam-West. Eerder die nacht, rond 0.00 uur, werd met behulp van elk van beide telefoonnummers gebruik gemaakt van een zendmast op de Kerkstraat in Almere. De bij de verdachte en [medeverdachte 2] in gebruik zijnde telefoonnummers maakten na overval om 7.05 uur onderscheidenlijk 7.43 uur gebruik van een zendmast in de Kerkstraat te Almere; vanaf dat laatste tijdstip hadden beide telefoonnummers diverse malen contact met elkaar. Dat de verdachte op 23 april 2015 de gebruiker is geweest van het telefoonnummer eindigend op *[nummer 1] en [medeverdachte 2] van dat eindigde op *[nummer 2], blijkt uit een verklaring van [medeverdachte 2] van 2 september 2015, inhoudende dat de verdachte hem op 23 april 2015 vaak heeft gebeld, dat hij de verdachte toen telefonisch ook heeft gesproken en dat hij het dossier heeft gelezen en daarin is vermeld hoe laat de verdachte hem heeft gebeld.

Uit deze gegevens leidt het hof af dat a) de verdachte en [medeverdachte 2] de bewuste nacht met grote regelmaat, zo niet doorlopend, in elkaars nabijheid zijn geweest; b) de Citroën C3 die bij de overval is gebruikt zich die nacht op relevante tijdstippen bevond in de nabijheid van de plaats waar de telefoon van [medeverdachte 2] aanstraalde en c) de verdachte en [medeverdachte 2] na de overval telefooncontact met elkaar hebben gehad.

Op basis van het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, staat voor het hof buiten redelijke twijfel vast dat de verdachte (als de eerste overvaller) en [medeverdachte 2] (als de tweede overvaller) de overval hebben gepleegd.

Daarnaast is naar het oordeel van het hof vast komen te staan dat [medeverdachte 1] ook bij de overval betrokken is geweest. Dat oordeel berust op het volgende.

Net als de telefoonnummers van de verdachte en [medeverdachte 2] maakte het bij [medeverdachte 1] in gebruik zijnde telefoonnummer, eindigende op *[nummer 3], rond 0.00 uur gebruik van een mast op de Kerkstraat in Almere. Op dat moment en vervolgens op een veelheid aan andere tijdstippen werd die nacht met behulp van dat nummer gebeld naar het telefoonnummer van de verdachte. Met het nummer van [medeverdachte 1] is om 2.37 uur, net als kort daarvoor met het nummer van de verdachte, een zendmast gebruikt aan de Baarsjesweg in Amsterdam. Verder is vanaf het nummer van [medeverdachte 1] om

- 5.41 uur gedurende 185 seconden,

- 6.00 uur gedurende 103 seconden,

- 6.08 uur gedurende 224 seconden en

- 6.38 uur gedurende 31 seconden

gebeld naar het telefoonnummer van de verdachte. Daarbij werd met het nummer van [medeverdachte 1] telkens gebruik gemaakt van een zendmast aan de Hofgeest te Amsterdam Zuidoost. Via het nummer van de verdachte werd om 6.38 uur gebruik gemaakt van een zendmast in buurt van de A9. Toen de politie eerder die nacht om 1.26 uur in Almere een controle uitvoerde op een witte Audi A4 bleek [medeverdachte 1] de bestuurder van dat voertuig te zijn. Dit voertuig bevond zich, naar gevoeglijk mag worden aangenomen, met [medeverdachte 1] als bestuurder, om 2.35 uur op de Cornelis Lelylaan/Haarlemmerstraat te Amsterdam-West en om 6.52 uur op de Gooiseweg in Amsterdam.

Hieruit leidt het hof af dat [medeverdachte 1] (i) zich de bewuste nacht diverse malen in de omgeving van de overvallers heeft bevonden, (ii) die nacht reisbewegingen heeft gemaakt die in de pas lopen met die van de overvallers, (iii) zich voor en na de overval een groot aantal malen in verbinding heeft gesteld met de eerste overvaller, de verdachte, waaronder kort voor aanvang van de overval en bovendien, meer specifiek:

- om 5.41 uur, kort nadat de verdachte en [medeverdachte 2] om 5.33 uur het terrein van de Golfbaan waren opgereden;

- om 6.08 uur, gedurende ruim drie minuten, onmiddellijk aansluitend op het tijdstip waarop de verdachte en [medeverdachte 2] bij de Citroën C3 zijn weggelopen en zich naar het clubgebouw hebben begeven (om 6.11 uur) en

- om 6.38 uur, tien minuten nadat de de verdachte en [medeverdachte 2] met de Citroën het terrein van de golfbaan hadden verlaten.

Deze opvallende tijdstippen waarop [medeverdachte 1] contact met de eerste overvaller heeft gehad en de omstandigheid dat hij zich op de momenten waarop dat contact plaatsvond in de omgeving van de golfbaan heeft bevonden, acht het hof redengevend voor het bewijs in die zin dat daarin een sterke aanwijzing wordt gevonden dat [medeverdachte 1] betrokken is geweest bij de voorbereidingen voor en de afwikkeling van de overval. De verdachte noch [medeverdachte 1] heeft opgehelderd waarom evenbedoelde communicatie in de nachtelijke uren noodzakelijk was en wat de onderwerpen van gesprek zijn geweest.

Deze communicatie tussen [medeverdachte 1] en de verdachte krijgt kleur door uitlatingen van [naam 1]. Daarbij heeft het hof het oog op het volgende.

Op 3 mei 2015 is om 17.10 uur met het telefoonnummer van [medeverdachte 1] contact gezocht met het nummer van [naam 2], die werkzaam is als kok bij de brasserie. Verder staat vast dat [naam 1], die ‘[bijnaam]’ als bijnaam heeft, een bekende van [medeverdachte 1] is.

[naam 2] heeft verklaringen afgelegd waaruit het volgende kan worden afgeleid. [naam 2] heeft op 7 oktober 2015 een ontmoeting gehad met [naam 1]. Daarbij bleek dat het telefoonnummer dat op 3 mei 2015 contact met [naam 2] heeft gezocht in de telefoon van [naam 1] stond. Ook bleek dat [naam 1] het nummer van [naam 2] heeft gegeven aan de persoon die naar [naam 2] heeft gebeld. [naam 2] heeft aan [naam 1] gevraagd of hij meer wist over de overval. Hierop heeft [naam 1] hem beschreven hoe de overval is verlopen. Daarbij heeft [naam 1] bijzonderheden genoemd die naar het oordeel van het hof moeten worden gezien als daderkennis, zoals dat de daders bewapend op een schoonmaker zijn afgegaan, zich hebben voorgedaan als buitenlanders en Engels hebben gesproken, zij een kluis hebben gepakt en een vluchtroute via Abcoude hadden uitgedacht. Uit de uitlatingen van [naam 1] kan verder worden opgemaakt dat het plan voor de overval is beraamd door vier personen, waaronder [naam 1] én degene die naar [naam 2] heeft gebeld. Vast staat dat die laatste persoon [medeverdachte 1] is. Bij de verklaringen van [naam 2] past het gegeven dat [medeverdachte 1] op 3 mei 2015 een uur voor zijn belpoging naar [naam 2] telefooncontact heeft gehad met [naam 1] en acht minuten na die belpoging met de verdachte.

Mede op grond van de (tegenover [naam 2] gedane) uitlatingen van [naam 1] komt het hof, anders dan de advocaat-generaal en de rechtbank, tot de conclusie dat [medeverdachte 1] met drie anderen betrokken is geweest bij het uitdenken van een plan voor de overval op de golfbaan, hij zich kort voor en gedurende de overval in de nabijheid van de overval heeft opgehouden en hij zich - bij gebrek aan een andere aannemelijke verklaring - in die tijdspanne doorlopend in verbinding heeft gesteld met één van de personen die de overval daadwerkelijk heeft gepleegd, de verdachte, om ervoor te zorgen dat de overval volgens plan werd uitgevoerd. Hieruit volgt dat ook [medeverdachte 1] zich in nauwe en bewuste samenwerking met anderen schuldig heeft gemaakt aan de overval op de golfbaan en daaraan een wezenlijke bijdrage heeft geleverd.

Uit het voorgaande spreekt dat de tot vrijspraak strekkende verweren van de verdediging falen. Daaromtrent overweegt het hof als volgt.

Anders dan de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard en door de verdediging is gesteld acht het hof niet aannemelijk dat de verdachte zijn mobiele telefoon en zijn blauwe horloge kort voor de overval heeft uitgeleend aan een derde. Die verklaring kan reeds op grond van de al genoemde verklaring van [medeverdachte 2] van 2 september 2015 naar het rijk der fabelen worden verwezen. Daarbij komt dat de verdachte over de bedoelde persoon in geen enkel stadium van de procedure informatie heeft willen verstrekken, zodat zijn verklaring niet te verifiëren is. Bovendien heeft de verdachte zichzelf tegengesproken. Zo heeft hij ten overstaan van de politie verklaard dat hij de telefoon en het horloge heeft gegeven aan een persoon die deze voorwerpen een dag later weer heeft teruggebracht, tegelijk met een tas waarin zich later een vuurwapen bleek te bevinden, terwijl hij op de terechtzitting in hoger beroep heeft benadrukt dat de persoon aan wie hij het horloge en de telefoon had uitgeleend een ander is dan degene die de tas is komen brengen. Tot slot heeft de verdachte in een door de politie afgeluisterd gesprek met [medeverdachte 1], met betrekking tot de golfbaan gezegd dat zijn horloge daar was en ‘mijn telefoon daar gevonden was’ en daarbij toen niet aangetekend dat hij die voorwerpen had uitgeleend.

De raadsman heeft een proces-verbaal van 6 mei 2015 onder de aandacht gebracht, waarin politieambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] aan de hand van de camerabeelden en de schrootjes in het clubgebouw van de golfbaan de vermoedelijke lengte van de ene dader is geschat op 170 tot 180 centimeter en die van de andere dader op 165 tot 175 centimeter. Daarbij heeft de raadsman erop gewezen dat de verdachte een lengte heeft van 186 centimeter.

Anders dan de raadsman kent het hof aan dit proces-verbaal geen ontlastende betekenis toe, omdat het niet kan uitgaan van de juistheid van de inhoud daarvan. Immers, uit een proces-verbaal van 20 juni 2016 van [verbalisant 3], die in het clubgebouw is geweest, is beschreven dat de betreffende camera hoog bij de entree van de golfbaan is geplaatst en een zogenaamde dome-camera betreft, hetgeen een vertekend beeld oplevert, en dat [verbalisant 1] en [verbalisant 2] geen rekening hebben gehouden met de afstand van de camera ten opzichte van de daders. Voor de suggestie van de raadsman dat in dit tweede proces-verbaal moedwillig een onjuiste voorstelling van zaken is gegeven en het louter bedoeld is geweest om de verdachte als één van de daders te kunnen blijven aanmerken, ziet het hof geen enkel concreet aanknopingspunt.

De raadsman heeft het hof tot slot uitgenodigd om te kijken naar beeldmateriaal dat van de overvaller met de donkere kleding beschikbaar is, omdat hij de verdachte daarop niet herkent. Daaraan heeft het hof gevolg gegeven. Aan de hand van de camerabeelden van de hoofdingang en de daarvan vervaardigde stills is het hof tot de conclusie gekomen dat de – ter terechtzitting in hoger beroep verschenen – verdachte de overvaller die om 6.13 en 6.15 uur als eerste het clubgebouw betrad en in het donker was gekleed, goed kan zijn geweest. Daarbij is gekeken naar de gelaatstrekken van de dader, die om 6.13 uur met zijn gezicht in de richting van de camera kijkt, en diens tengere postuur, overeenkomend met dat van de verdachte.

Ten aanzien van het in zaak A onder 3 tenlastegelegde (wapen- en munitiebezit)

Bij een doorzoeking in de woning aan de [adres 3] in Amsterdam-West zijn op 30 juni 2015 in een kast in een bij de verdachte in gebruik zijnde kamer aangetroffen:

- een zwarte sporttas met daarin een volautomatisch militair aanvalsgeweer van het merk Zastava,

- een met patronen gevulde patroonhouder en

- een tas van [winkel] met daarin de volgende met patronen gevulde voorwerpen: een plastic doosje met opschrift ‘Ekol Volga’, een blauw tasje van ‘[naam 3]’ en een toilettas met opschrift ‘[naam 4]’.

Het vingerspoor dat aan de binnenzijde van doosje met opschrift ‘Ekol Volga’ is veiliggesteld komt overeen met de vingerafdruk van de linker duim van de verdachte. De verdachte heeft op de terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij wel vaker munitie in handen heeft en dat hij het tasje met patronen van ‘[naam 3]’ daar (het hof begrijpt: in de kast) heeft neergelegd.

De verdachte heeft op de terechtzitting in hoger beroep verder verklaard dat de zwarte tas met het aanvalsgeweer, na een telefonische afspraak en met zijn instemming, in de kast is gelegd door een man wiens naam hij niet wenst te noemen. Hij was er niet bij aanwezig toen de man dit deed; een ander heeft de deur van de woning voor de man open gedaan.

De raadsman heeft op deze verklaring gewezen en daarnaast de stelling betrokken dat de verdachte niet altijd in de woning aan de [adres 3] verbleef, maar hier slechts af en toe was. Niet uitgesloten kan worden dat het aanvalsgeweer en de 27 patronen die daarbij zijn aangetroffen van [huisgenoot], de huisgenoot van de verdachte, waren. Omdat in dit licht niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat tussen de verdachte en dat vuurwapen en de 27 patronen die daarbij zijn aangetroffen een zekere machtsrelatie bestond, dient de verdachte in zoverre van het tenlastegelegde te worden vrijgesproken, aldus de raadsman.

Het hof verwerpt dit verweer in alle onderdelen. Het hof neemt allereerst als vaststaand aan dat de verdachte op 30 juni 2015 op de [adres 3] woonachtig was en daar niet slechts af en toe verbleef. Dit blijkt niet alleen uit verklaringen van huisgenoot [huisgenoot] en die van [medeverdachte 1], maar ook de verdachte heeft in een verhoor van 16 november 2015 verklaard dat hij aan de [adres 3] in Amsterdam woont. Daarnaast heeft hij op 13 juni 2015 vanaf de op dat adres geregistreerde huislijn een telefoongesprek gevoerd waarin hij heeft meegedeeld thuis te zijn.

Verder acht het hof de op de terechtzitting in hoger beroep over de zwarte tas afgelegde verklaring ongeloofwaardig. Zoals hierboven al is geconstateerd, is de verdachte in de verschillende verklaringen niet consequent gebleken over de vraag of de man die zijn horloge en telefoon zou hebben geleend dezelfde man is als die verantwoordelijk zou zijn voor de zwarte tas. Daarbij komt dat de verdachte op de terechtzitting in eerste aanleg heeft verklaard dat de man die de tas in de kast heeft gezet hem een doosje uit die tas heeft laten zien en dat de verdachte dat doosje heeft vastgehouden. In dat scenario zou de verdachte dus wél thuis zijn geweest toen de man de zwarte tas kwam brengen. Daarnaast is zijn verklaring niet te verifiëren, omdat hij om hem moverende redenen de identiteit van de man die de zwarte tas zou hebben gebracht niet heeft willen prijsgeven.

[huisgenoot] heeft verklaard dat hij of anderen niet in de eigen kamer van de verdachte komen en dat [huisgenoot] geen vuurwapens in huis heeft liggen. Het hof ziet, anders dan de raadsman, geen solide aanknopingspunt voor de gedachte dat van de verklaringen van [huisgenoot] in zoverre niet kan worden uitgegaan en al helemaal niet voor de veronderstelling dat [huisgenoot] de eigenaar van het wapentuig is geweest. Het hof merkt overigens nog op dat de suggestie van de raadsman met betrekking tot [huisgenoot] niet strookt met de verklaring van de verdachte in hoger beroep, waarin besloten ligt dat [huisgenoot] degene is geweest die de man met de zwarte tas de woning heeft binnengelaten.

Gelet op het bovenstaande is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zich op 30 juni 2015 (ten volle) bewust is geweest van de aanwezigheid van het aanvalsgeweer en de in de bewezenverklaring genoemde munitie op zijn kamer, hierover zeggenschap had en dat wapentuig dus voorhanden heeft gehad.

Ten aanzien van het in zaak A onder 4 tenlastegelegde (beroving in kelderboxen [adres 2])

[slachtoffer 4] is op 10 mei 2015 in een gang met kelderboxen, behorende bij woningen aan het [adres 2] in Amsterdam, door de verdachte beroofd van zijn telefoon, geld en portemonnee met inhoud. [slachtoffer 4] heeft verklaard dat hem daarbij een vuurwapen is getoond en dat hij daarmee op het hoofd is geslagen.

[naam 5] heeft de portiekdeur voor de verdachte geopend.

De raadsman heeft het hof op terechtzitting in hoger beroep verzocht vrij te spreken van de tenlastegelegde bedreiging met een vuurwapen, omdat de verklaring van [slachtoffer 4] op dit punt niet door andere bewijsmiddelen ondersteund. Het letsel dat [slachtoffer 4] aan het incident heeft overgehouden is volgens de verdachte door duwen en trekken ontstaan. Daarom kan niet zonder enige twijfel worden vastgesteld of [slachtoffer 4], zoals ten laste is gelegd, met dat vuurwapen op het hoofd is geslagen, zodat de verdachte ook van dat onderdeel moet worden vrijgesproken. De raadsman heeft ten slotte gesteld dat niet bewezen kan worden dat de verdachte de beroving met [medeverdachte 1] heeft medegepleegd, omdat niet blijkt dat het opzet van die laatste op diefstal (met geweld) of afpersing was gericht.

Het hof overweegt als volgt.

De verklaring van [slachtoffer 4] wordt in toereikende mate ondersteund door andere bewijsmiddelen. Het hof ziet geen aanleiding aan zijn verklaring te twijfelen en zal deze voor het bewijs bezigen. Daarbij merkt het hof in het bijzonder nog het volgende op.

De verklaring van [slachtoffer 4] dat de verdachte in het bezit is geweest van een vuurwapen, past bij de omstandigheid dat [naam 5], vóórdat hij deze portiekdeur voor de verdachte opende, in de auto bij [medeverdachte 1] heeft gewacht en uit een telefoongesprek dat [medeverdachte 1] toen voerde heeft afgeleid dat er een beroving of ripdeal zou gaan plaatsvinden. Van algemene bekendheid is dat een beroving of ripdeal veelal gepaard pleegt te gaan met het vertoon of gebruik van een vuurwapen. Daarnaast komt uit de bewijsvoering met betrekking tot het in zaak A onder 1 en 3 tenlastegelegde naar voren dat vuurwapenbezit de verdachte bepaald niet vreemd is. De lezing van [slachtoffer 4] dat hij tijdens de beroving met een vuurwapen op het hoofd is geslagen, wordt eveneens ondersteund door de omstandigheid dat politieambtenaren hem na het incident met een bebloed gezicht hebben aangetroffen.

Het hof is bovendien van oordeel dat de verdachte de gewelddadige beroving van [slachtoffer 4] tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] heeft begaan. Dat oordeel berust op het volgende.

[medeverdachte 1] is intensief betrokken geweest bij de voorbereidingen van de ontmoeting tussen de verdachte en [slachtoffer 4]. Hij heeft de locatie voor die ontmoeting bepaald en geïnspecteerd; de verdachte naar die locatie vervoerd en hem verdere routeaanwijzingen gegeven; [naam 5] de portiekdeur van het complex voor de verdachte laten openen en [naam 5] onmiddellijk daaraan voorafgaand in zijn auto laten wachten; [slachtoffer 4] via de verdachte geruime tijd telefonisch begeleid in de route naar die locatie, de verdachte erover ingelicht dat [slachtoffer 4] was gearriveerd en over het signalement van [slachtoffer 4]. [medeverdachte 1] is vervolgens (kennelijk op de verdachte) in de buurt blijven wachten. Ten slotte blijkt uit de opgenomen telefoongesprekken dat de verdachte op diverse tijdstippen, terwijl hij met zijn telefoon eindigend op *[nummer 1] contact had met [medeverdachte 1], tevens via zijn andere nummer eindigend op *[nummer 4] telefonisch contact had met [slachtoffer 4] en dat deze gesprekken verband met elkaar hielden.

Deze buitengewoon intensieve betrokkenheid in het voortraject laat redelijkerwijs geen andere conclusie toe dan dat [medeverdachte 1] op de hoogte moet zijn geweest van de ophanden zijnde beroving van [slachtoffer 4] en de wijze waarop deze zou worden uitgevoerd en dus opzet op één en ander had.

Voor die conclusie bestaat temeer aanleiding gelet op hetgeen [naam 5] heeft afgeleid uit het door [medeverdachte 1] gevoerde telefoongesprek en aangezien:
- een half uur voordat [naam 5] de portiekdeur voor hem openmaakte, de verdachte aan [medeverdachte 1] heeft gevraagd: “Mag die man van dat ding afweten? Mag die ervan af weten of moet ik die andere man weg laten gaan?” en er geen enkele concrete aanwijzing is dat met ‘die andere man’ iemand anders is bedoeld dan [naam 5];

- [medeverdachte 1] tegen de verdachte na hun beider aanhouding in een afgeluisterd gesprek heeft gezegd: “Ik heb gezegd dat je een zakelijke afspraak had, je weet toch (…). Ik breng je naar een zakelijke plek om een afspraak te maken voor gewoon een zakelijk bespreking over tafels.”, waarna de verdachte verbaasd heeft gevraagd: “Tafels?”;
- de verdachte tegen [medeverdachte 1] in dat gesprek heeft gezegd: “Ik zeg je van die [naam 6]. We kunnen eruit komen. Er is geen enkele camera” en even later “Ik ga die mannen [het hof begrijpt: de politie] niks zeggen van die [naam 6] hoor. Ik heb die man niet gezien, ik ken die man niet. Het is mijn woord tegen zijn woord”, waarop [medeverdachte 1] heeft gereageerd met de tekst: “Ons verhaal moet krachtiger zijn dan die van hem. Mijn verhaal was van … ik heb die plek geregeld, die binnentuin, voor een zakelijke bespreking”;

- de verdachte in datzelfde gesprek heeft opgemerkt: “Ik ga gewoon zeggen: ‘Ik heb die man niet gezien. Ik ken die man niet. Ik ken hem niet’. Jij en ik zijn daarheen gesnord om iets heel anders te zien”, waarop [medeverdachte 1] heeft gereageerd met de tekst: “Jaaaa man” en de verdachte heeft gezegd: “We hebben die man niet aangeraakt. Zomaar hoor ik dat ik…wie ik?... ik?... ik?”, waarna zij beiden moesten lachen;

- [medeverdachte 1] in dat gesprek heeft gezegd: “Ik heb tegen die mannen gezegd dat ik jou zo niet [ken] en dat ik jou nooit met een wroko [het hof begrijpt: een vuurwapen] gezien heb”;

- de verdachte en [medeverdachte 1] in dit gesprek klaarblijkelijk bezig waren een strategie uit te zetten om niet te hoeven opdraaien voor de beroving van ‘die [naam 6]’.

Uit het voorgaande volgt tevens dat het niet anders kan zijn dan dat [medeverdachte 1] ook op de hoogte is geweest van het gebruik van het vuurwapen en opzet heeft gehad op het gebruik daarvan. Die conclusie wordt tevens geschraagd door de volgende omstandigheden. [medeverdachte 1] is op 16 december 2014 in het bijzijn van de verdachte bezig geweest met een aanvalsgeweer. De verdachte en [medeverdachte 1] hebben dat aanvalsgeweer op 29 juni 2015 meegenomen toen [medeverdachte 1] de verdachte bij diens huis kwam ophalen. Kennelijk schuwden zij dus het voorhanden hebben van een vuurwapen in elkaars aanwezigheid bepaald niet.

Gelet op het bovenstaande is met betrekking tot de gewelddadige beroving van [slachtoffer 4] sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en [medeverdachte 1] en is de bijdrage die [medeverdachte 1] daaraan heeft geleverd van voldoende gewicht is om hem als medepleger aan te merken. Daaraan doet niet af dat hij zich tijdens de uitvoering daarvan door de verdachte op enige afstand heeft gehouden.

De tot partiële vrijspraak strekkende verweren worden verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1, 3 en 4 en in zaak B onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:

in zaak A onder 1

op 23 april 2015 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een kluis inhoudende een geldbedrag, toebehorende aan [brasserie], en sleutels en mobiele telefoons, toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken,

- een vuurwapen hebben getoond aan die [slachtoffer 2] en die [slachtoffer 3] en

- daarbij hebben gezegd: “Ik maak jullie dood” en

- die [slachtoffer 2] en die [slachtoffer 3] in een kast hebben opgesloten;


in zaak A onder 3

op 30 juni 2015 te Amsterdam een wapen van categorie II, te weten een aanvalsgeweer, merk Zastava, kaliber 7.62x39 millimeter, en munitie van categorie II, te weten 27 pantserdoorborende en/of brandstichtende patronen en munitie van categorie III, te weten 281 stuks, voorhanden heeft gehad;

in zaak A onder 4

op 10 mei 2015 te Amsterdam in een boxengang van perceel [adres 2] tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 4] heeft gedwongen tot de afgifte van een portemonnee, 2 bankpassen, een geldbedrag van 25 euro en een mobiele telefoon, toebehorende aan [slachtoffer 4], welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestond, dat hij:

- een vuurwapen heeft gericht op die [slachtoffer 4] en

- daarbij tegen die [slachtoffer 4] heeft gezegd dat hij zou worden neergeschoten en

- met dat vuurwapen op het hoofd van die [slachtoffer 4] heeft geslagen en knietjes tegen het lichaam heeft gegeven;

in zaak B onder 2

in de periode van 12 december 2014 tot en met 30 juni 2015 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband tussen [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van diefstallen met geweld en afpersingen en diefstallen door middel van braak en/of verbreking en/of valse sleutel en het voorhanden hebben van vuurwapens, welke deelneming bestond uit het uitvoeren van bovengenoemde misdrijven, het onderhouden van (telefonische) contacten met zijn mededaders, het maken van afspraken met zijn mededaders, het doorgeven van berichten aan zijn mededader(s) en/of het verrichten van voorverkenningen.

Hetgeen in zaak A onder 1, 3 en 4 en in zaak B onder 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in zaak A onder 1, 3 en 4 en in zaak B onder 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het in zaak A onder 1 bewezen verklaarde levert op:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Het in zaak A onder 3 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie II

en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Het in zaak A onder 4 bewezen verklaarde levert op:

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door een of meer verenigde personen.

Het in zaak B onder 2 bewezen verklaarde levert op:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde (medeplegen van de overval op het clubgebouw van de golfbaan, het medeplegen van de beroving op het [adres 2] en het bezit van een vuurwapen en munitie) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het in zaak A onder 1, 3 en 4 en in zaak B onder 1 primair en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Daarbij is in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een overval op het clubgebouw van een golfbaan. De schoonmakers die daar vroeg in de ochtend aanwezig waren moesten onder bedreiging van vuurwapens, waaronder een wapen dat leek op een mitrailleur, hun telefoons en sleutels afgeven en in een werkkast op hun knieën gaan zitten en werden gesommeerd te zeggen waar de kluis van het bedrijf zich bevond. Vervolgens hebben de overvallers naar de kluis gezocht en deze gevonden, terwijl de schoonmakers in de kast moesten blijven zitten en zich stil moesten houden. Uiteindelijk is de kluis met daarin een geldbedrag buitgemaakt. Door zo te handelen heeft de verdachte blijk gegeven van een volstrekt disrespect voor de persoonlijke vrijheid, lichamelijke integriteit en eigendomsrechten van anderen. Voor de schoonmakers is dit een ingrijpende en traumatiserende ervaring geweest. Van één van hen is bekend dat hij psychisch letsel heeft opgelopen en arbeidsongeschikt is geraakt. Bovendien heeft het vergrijp de eigenaar van de in het clubgebouw gevestigde brasserie financiële schade bezorgd. De verdachte heeft geen oog gehad voor dergelijke gevolgen en heeft zich kennelijk slechts laten leiden door zijn zucht naar ‘snel geld’.

Daarnaast heeft de verdachte zich met een ander schuldig gemaakt aan afpersing, waarbij het slachtoffer onder het mom van een etentje naar de plaats des onheils is gelokt, is meegenomen naar een gang met kelderboxen en daar is beroofd van zijn mobiele telefoon, geld en portemonnee met inhoud. Daarbij is hij met een vuurwapen bedreigd en op zijn hoofd geslagen, waardoor hij een bloedende hoofdwond heeft opgelopen. Het slachtoffer heeft deze gebeurtenis als buitengewoon bedreigend en beangstigend ervaren en gelet op de door hem ingediende schriftelijke verklaring valt te verwachten dat hij nog geruime tijd zal lijden onder de gevolgen van wat hem is aangedaan. Ook voor deze consequenties heeft de verdachte zijn ogen gesloten.

Verder heeft de verdachte een zeer gevaarlijk vuurwapen en munitie voorhanden gehad. Het ging om een volautomatisch aanvalswapen en een forse hoeveelheid munitie, onder meer bestaande uit pantserdoorborende en/of brandstichtende patronen. Vuurwapens en munitie vormen vanwege het risico op het gebruik daarvan een groot gevaar en een aanzienlijke bedreiging voor een veilige samenleving.

De voorgaande misdrijven voeden gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving en maken een ernstige inbreuk op de rechtsorde.

Tot slot heeft de verdachte gedurende een aantal maanden een prominente rol gespeeld binnen een criminele organisatie, die zich bezighield met ernstige vermogensdelicten en het bezit van vuurwapens en munitie. Een criminele organisatie ondermijnt het openbaar gezag en de rechtsorde.

De verdachte heeft op geen enkele wijze inzicht willen geven in (de achtergronden van) de door hem begane misdrijven en hij neemt daarvoor op die wijze ook geen verantwoordelijkheid. Gezien de aard en de ernst van deze strafbare feiten komt geen andere straf in aanmerking dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 27 juni 2019 is hij eerder ter zake van geweldsdelicten veroordeeld, welke veroordeling ten tijde van het in zaak A onder 1 3 en 4 bewezenverklaarde onherroepelijk was. Dit weegt in zijn nadeel.

Bijzondere omstandigheden die in het voordeel van de verdachte spreken zijn gesteld noch aannemelijk geworden.

De raadsman heeft verzocht de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van maximaal vijf jaren op te leggen ingeval het hof zou komen tot eenzelfde bewezenverklaring als de rechtbank. Die straf doet echter geen recht aan het bewezenverklaarde en de recidive van de verdachte, mede omdat de verdachte in hoger beroep bovendien wordt veroordeeld voor de deelname aan een criminele organisatie.

Alles afwegend acht het hof in beginsel een gevangenisstraf van zeven jaren passend en geboden.

Het hof stelt echter vast dat er in eerste aanleg sprake is geweest van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De verdachte is immers op 30 juni 2015 in verzekering gesteld, terwijl de rechtbank eerst op 21 december 2017 vonnis heeft gewezen en de verdachte gedetineerd was. Hierin wordt aanleiding gezien de verdachte in plaats van een gevangenisstraf van zeven jaren een vrijheidsstraf van zes jaren en 10 maanden op te leggen. Deze straf is lager dan de advocaat-generaal heeft gevorderd, omdat het hof - anders dan de advocaat-generaal - niet bewezen acht dat de verdachte op de tenlastegelegde wijze betrokken is geweest bij de schietpartij bij [bakkerij] en ook overigens de gevorderde straf te hoog is.

Beslag

Inleiding en standpunten partijen

Onder de verdachte zijn in beslag genomen en nog niet teruggeven:

een patroon (5004979);

een computertas (4970655);

een bril, kleur oranje (4994493);

een micro SD-kaart (5004909);

een [naam 7] microsimkaart (5004897);

een mobiele telefoon, type Samsung; mini (5004876);

een heuptas (5004978);

een toilettas (5004985);

een vuurwapen, type AK47 (4004945);

een horloge, kleur blauw (4965493);

een sporttas (5004986);

kopieën van identiteitsbewijzen (5004940);

een brief (5245730) en

een foto (5245732).

De rechtbank heeft beslist dat het patroon, de micro SD-kaart, de [naam 7] microsimkaart, de mobiele telefoon, de heuptas, de toilettas, de mitrailleur en de sporttas dienen te worden onttrokken aan het verkeer, dat het horloge moet worden teruggegeven aan de verdachte en dat de overige goederen dienen te worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof met betrekking tot het beslag dezelfde beslissingen neemt als de rechtbank heeft gedaan. De raadsman heeft zich in hoger beroep op dit onderdeel gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Oordeel van het hof

Het hof zal de onttrekking aan het verkeer gelasten van het vuurwapen en het patroon, omdat het in zaak A onder 3 bewezenverklaarde met betrekking tot die voorwerpen is begaan en deze van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

Daarnaast zullen de aan de verdachte toebehorende heuptas, toilettas, sporttas en micro SD-kaart verbeurd worden verklaard, de eerste drie voorwerpen omdat daarin het vuurwapen en de munitie als in zaak A onder 3 bewezenverklaard verpakt zijn geweest en dat laatste voorwerp omdat deze voor het in zaak B onder 2 bewezenverklaarde bestemd is geweest. Het aan de verdachte toebehorende horloge treft hetzelfde lot, omdat het in zaak A onder 1 bewezenverklaarde kennelijk met behulp daarvan is begaan.

De bewaring ten behoeve van de rechthebbende worden gelast van de computertas, de bril, de brief en de foto, nu bij voortzetting van de inbeslagname daarvan geen strafvorderlijk doel is gediend en de rechthebbende op deze voorwerpen onbekend is.

Van de kopieën van identiteitsbewijzen, de microsimkaart en de mobiele telefoon zal de teruggave aan de beslagene, de verdachte, worden gelast.

Vorderingen van de benadeelde partijen

[slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft zich in eerste aanleg terzake van het in zaak A onder 1 tenlastegelegde in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 15.170,48, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.500,00 aan immateriële schade en voor het overige is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen tot

€ 1.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft in hoger beroep te kennen gegeven zich bij een bewezenverklaring van het in zaak A onder 1 tenlastegelegde te kunnen vinden in de beslissing van de rechtbank.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak A onder 1 bewezen verklaarde handelen van de verdachte immateriële rechtstreeks schade heeft geleden. Het hof schat de omvang daarvan op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid op het gevorderde bedrag van € 1.500,00. Daarbij is in aanmerking genomen (i) de aard en de ernst van de inbreuk die mede door de verdachte op de persoonlijke vrijheid van de benadeelde partij is gemaakt, (ii) dat de benadeelde partij ten gevolge van dit misdrijf psychisch letsel heeft bekomen, zich onder behandeling van een psychiater en psycholoog heeft moeten stellen en arbeidsongeschikt is geraakt en (iii) de schadevergoeding die in soortgelijke gevallen is toegekend. De verdachte is hoofdelijk met zijn mededaders tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Het hof zal het toe te wijzen bedrag vermeerderen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

[slachtoffer 7]

heeft naar aanleiding van het in zaak A onder 1 tenlastegelegde in eerste aanleg een ‘Voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces’ ingediend, maar uit zijn schriftelijke toelichting blijkt dat zijn verzekeraar de door hem opgevoerde (materiële) schade heeft vergoed. De benadeelde partij heeft de schade die hij in het strafproces wil vorderen in genoemd formulier op € 0,00 gesteld. Nu hij feitelijk geen schadevergoeding heeft gevorderd, hoeft het hof daarover geen beslissing te nemen en blijft deze ‘vordering’ verder onbesproken.

[slachtoffer 4]

De benadeelde partij [slachtoffer 4] heeft zich met betrekking tot het in zaak A onder 4 tenlastegelegde in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze vordering bedroeg destijds € 4.288,93 te vermeerderen met wettelijke rente en bestond uit de volgende posten:

a. a) portemonnee € 380,00

b) kosten voor de aanschaf van kaarten en passen, waaronder 184,80

€ 119,80 aan kosten voor aanschaf van een identiteitsbewijs

c) bebloede kleding en schoenen 595,56

d) boodschappen 19,57

e) weggnomen geldbedrag 25,00

f) iPhone 799,00

g) immateriële schade 2.285,00

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2.915,21, waaronder een bedrag van € 1.000,00 ter compensatie van immateriële schade. Voor het overige is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd en de vordering verminderd tot een bedrag van € 4.200,21, bestaande uit € 1.915,21 aan materiële schade en € 2.285,00 aan immateriële schade. De vermindering komt voort uit een verlaging van de onder b) genoemde kosten voor de aanschaf van een identiteitsbewijs tot een bedrag van € 50,65 en het schrappen van de onder d) genoemde post.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering wordt toegewezen tot een bedrag van € 3.420,21, waarvan € 1.500,00 aan immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft op de terechtzitting in hoger beroep te kennen gegeven dat hij zich bij een bewezenverklaring van het onder 4 tenlastegelegde kan vinden in toewijzende beslissingen van de rechtbank, met uitzondering van de toewijzing van de onder c) genoemde vergoeding.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak A onder 4 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot € 1.915,21 en immateriële schade heeft geleden tot € 1.000,00. Met betrekking tot de onder c) genoemde post is, gezien de bebloede toestand waarin de benadeelde partij door de politie is aangetroffen, voldoende vast komen te staan dat zijn kleding bebloed en daardoor beschadigd is geraakt. Het hof heeft de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid geschat op een bedrag van € 1.000,00. Daarbij zijn in aanmerking genomen (i) de aard en de ernst van de inbreuk die mede door de verdachte op de persoonlijke vrijheid van de benadeelde partij is gemaakt, (ii) dat de benadeelde partij ten gevolge van dit misdrijf letsel heeft ondervonden en met psychische klachten is komen te kampen die gevolgen hebben gehad voor zijn privéleven en (iii) de schadevergoeding die in soortgelijke gevallen is toegekend. Hetgeen ter compensatie van immateriële schade meer is gevorderd zal worden afgewezen, omdat dat deel van de vordering de grenzen van de billijkheid te buiten gaat.

De verdachte is hoofdelijk met zijn mededader tot een bedrag van € 3.415,21 tot vergoeding gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Het hof zal het toe te wijzen bedrag vermeerderen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

[slachtoffer 6]

De benadeelde partij [slachtoffer 6] heeft zich in eerste aanleg naar aanleiding van het in zaak B onder 1 tenlastegelegde in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 2.000,00. Hij is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering. De benadeelde partij heeft bij brief van 16 juli 2018 te kennen gegeven zijn schade vergoed te willen krijgen via de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. Het hof leidt uit deze brief af dat de benadeelde partij zich in hoger beroep opnieuw heeft willen voegen voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De vordering is in hoger beroep daarom in volle omvang aan de orde. Echter, ook het hof verklaart de verdachte niet schuldig ter zake van het in zaak B onder 1 ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom ook in hoger beroep niet in de vordering worden ontvangen.

Verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis

De raadsman heeft het hof op de terechtzitting in hoger beroep verzocht het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte uiterlijk bij dit arrest op te heffen. Gelet op het voorgaande en nu ook de gronden voor de voorlopige hechtenis nog bestaan, ziet het hof geen aanleiding voor de opheffing van de voorlopige hechtenis, zodat het verzoek zal worden afgewezen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 33a, 33b, 36b, 36c, 36f, 57, 63, 140, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals deze golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissingen ter zake van het in zaak A onder 2 en in zaak B onder 1 en 2 ten laste gelegde.

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in zaak A onder 2 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover in hoger beroep nog inhoudelijk aan de orde, en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in zaak B onder 1 primair en 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1, 3 en 4 en in zaak B onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in zaak A onder 1, 3 en 4 en in zaak B onder 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren en 10 (tien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: een vuurwapen (4004945) en een patroon (5004979).

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

  • -

    een heuptas (5004978);

  • -

    een toilettas (5004985);

  • -

    een sporttas (5004986).

  • -

    een micro SD-kaart (5004909);

  • -

    een horloge (4965493).

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

  • -

    een computertas (4970655);

  • -

    een bril (4994493);

  • -

    een brief (5245730);

  • -

    een foto (5245732).

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

  • -

    kopieën van identiteitsbewijzen (5004940);

  • -

    een microsimkaart (5004897);

  • -

    een mobiele telefoon (5004876).

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het in de zaak A onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededaders hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2], ter zake van het in zaak A onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededaders aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 23 april 2015.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 4] ter zake van het in zaak A onder 4 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.915,21 (tweeduizend negenhonderdvijftien euro en eenentwintig cent) bestaande uit € 1.915,21 (duizend negenhonderdvijftien euro en eenentwintig cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 4], ter zake van het zaak A onder 4 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 2.915,21 (tweeduizend negenhonderdvijftien euro en eenentwintig cent) bestaande uit € 1.915,21 (duizend negenhonderdvijftien euro en eenentwintig cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 39 (negenendertig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 10 mei 2015.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 6] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat de verdachte en de benadeelde partij ieder hun eigen kosten dragen.

Wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.J.I. de Jong, mr. W.M.C. Tilleman en mr. C.N. Dalebout, in tegenwoordigheid van

mr. L.M. Schoutsen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

1 augustus 2019.

mr. C.N. Dalebout is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]