Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:3187

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-08-2019
Datum publicatie
20-09-2019
Zaaknummer
23-000018-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor overval op clubgebouw van een golfbaan, poging tot een pintransactie met een bankpas die is buitgemaakt bij een brute beroving en deelname aan een crimi¬nele organisatie. Vrijspraak van betrokkenheid bij een schietpartij bij een bakkerij

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000018-18

datum uitspraak: 1 augustus 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 21 december 2017 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-650356-15 (hierna aangeduid als zaak A) en 13-659213-16 (hierna aangeduid als zaak B) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1976,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 2, 4 en 18 juli 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

Omvang van het hoger beroep en ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in het hoger beroep

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hoger beroep is bij akte beperkt tot de beslissingen die de rechtbank naar aanleiding van het in zaak A onder 1 en 3 ten laste gelegde heeft genomen.

Tegen het vonnis is ook door de officier van justitie hoger beroep ingesteld. De advocaat-generaal op de terechtzitting in hoger beroep te kennen gegeven dat het openbaar ministerie geen bezwaren heeft tegen de beslissing van de rechtbank tot vrijspraak van het in zaak A onder 2 ten laste gelegde (diefstal van de personenauto van [benadeelde 1] in Almere). Het hof zal ten aanzien van dat feit toepassing geven aan het bepaalde in artikel 416, derde lid, Sv en het openbaar ministerie in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in het door de officier van justitie onbeperkt ingestelde hoger beroep, aangezien ook overigens niet is gebleken van enig rechtens te respecteren belang dat is gediend met enig nader onderzoek van dat feit.

Tenlasteleggingen

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte – voor zover inhoudelijk nog aan de orde in hoger beroep – ten laste gelegd dat hij:

in zaak A onder 1
op of omstreeks 23 april 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een kluis (inhoudende een tot op heden onbekend geldbedrag) en/of een of meer sleutels en/of een of meer mobiele telefoon(s), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [brasserie] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde 2] en/of die [benadeelde 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren en/of

- met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] heeft gedwongen tot de afgifte van een kluis (inhoudende een tot op heden onbekend geldbedrag) en/of een of meer sleutels en/of een of meer mobiele telefoon(s), in elk geval van enig goed geheel of ten dele toebehorende aan [brasserie] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3],, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en), dat verdachte en/of zijn mededader(s)

- ( een op) een (vuur)wapen (gelijkend voorwerp) heeft/hebben gericht op en/of getoond aan die [benadeelde 2] en/of die [benadeelde 3] en/of

- ( daarbij) heeft/hebben gezegd: "Ik maak jullier dood" en/of "Waar is de kluis" en/of "Waar is het geld", althans (telkens) woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking en/of

- die [benadeelde 2] en/of die [benadeelde 3] in een kast heeft/hebben opgesloten;

in zaak A onder 3
op of omstreeks 10 mei 2015 te Almere ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen een geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en dat weg te nemen geldbedrag onder zijn/hun bereik te brengen door middel van een valse sleutel, met bij een diefstal met geweld weggenomen bankpas heeft getracht (bij een geld/pinautomaat van de ABN-Amrobank) geld op te nemen/ te pinnen;

in zaak B onder 1 primair
op of omstreeks 23 april 2015 te Almere, in elk geval in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [benadeelde 5] en/of [benadeelde 6] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen meermalen, althans eenmaal met een vuurwapen één of meer kogels in de richting van het lichaam van voornoemde [benadeelde 5] en/of [benadeelde 6] heeft/hebben geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

in zaak B onder 1 subsidiair
op of omstreeks 23 april 2015 te Almere, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [benadeelde 5] en/of [benadeelde 6] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk dreigend meermalen, althans eenmaal met een vuurwapen één of meer kogels in de richting van het lichaam van voornoemde [benadeelde 5] en/of [benadeelde 6] geschoten;

in zaak B onder 2
op meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 12 december 2014 tot en met 31 juli 2015 te Amsterdam en/of Almere en/of Ouderkerk aan de Amstel en/of Rotterdam, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband tussen [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van diefstallen met geweld en/of afpersingen en/of diefstallen door middel van braak en/of verbreking en/of valse sleutel en/of het voorhanden hebben van (vuur)wapens en/of het plegen van valsheid in geschrift en/of het witwassen van crimineel vermogen, welke deelneming (onder meer) bestaat uit het uitvoeren van bovengenoemde misdrijven en/of het onderhouden van (telefonische) contacten met zijn mededader(s) en/of het maken van afspraken met zijn mededader(s) en/of het doorgeven van berichten aan zijn mededader(s) en/of verrichten van (voor)verkenning(en).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal – voor zover in hoger beroep inhoudelijk nog aan de orde – worden vernietigd, omdat het hof ten aanzien van de bewijsvraag met betrekking tot het in zaak B onder 2 tenlastegelegde (deelname aan een criminele organisatie) en de strafoplegging komt tot andere beslissingen dan de rechtbank.

Vrijspraak van het in zaak B onder 1 tenlastegelegde (schietpartij [bakkerij])

Op 23 april 2015 heeft even na 1.30 uur een schietpartij plaatsgevonden bij bakkerij [bakkerij] in Almere. Daarbij hebben zich twee donkergetinte mannen bij de bakkerij gemeld en daar voorgewend dat zij voor 60 personen brood wilden kopen en om water gevraagd. Nadat één van de eigenaren van de bakkerij een flesje water had gehaald werd hij vastgepakt. Nadat hij zich had losgerukt werd om onopgehelderde redenen meermalen geschoten met een groot en zwart vuurwapen. Hierna zijn de donkergetinte mannen weggerend en in een auto vertrokken.

Het hof is tot de conclusie gekomen dat niet met een voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de verdachte één van de donkergetinte mannen is. Daarbij speelt een rol dat het signalement van één van die mannen, waarin de verdachte op zich wel valt te passen, weinig specifiek is en dat de overige resultaten van het opsporingsonderzoek onvoldoende zeggingskracht hebben om een andere conclusie op te kunnen baseren. Evenmin heeft het hof kunnen vaststellen dat de verdachte op een andere wijze bij de schietpartij is betrokken. Daarom zal het hof, net als de rechtbank heeft gedaan, de verdachte vrijspreken van het in zaak B onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde.

Voorwaardelijk getuigenverzoek

De raadvrouw heeft ter terechtzitting van 4 juli 2019 verzocht [benadeelde 5] en [benadeelde 7] als getuigen te horen indien het hof ten aanzien van het in zaak B onder 1 ten laste gelegde tot een bewezenverklaring zou komen. Nu het hof de verdachte zal vrijspreken van dit feit, is aan de voorwaarde van het verzoek niet voldaan en kan dit verder onbesproken blijven.

Bewijsoverwegingen

Ten aanzien van het in zaak A onder 1 tenlastegelegde (overval op het [clubgebouw])

Op 23 april 2015 heeft in de vroege ochtenduren een overval plaatsgevonden op het [clubgebouw] in Amsterdam Zuidoost en de aldaar gevestigde [brasserie]. De aanwezige schoonmakers, [benadeelde 2] en [benadeelde 3], zijn door twee mannen bedreigd met een grote mitrailleur en een klein pistool. Eén van de mannen sprak met de schoonmakers in het Engels en daarna in het Nederlands, gebrekkig en met een accent. Uit de brasserie is een kluis met inhoud ontvreemd.

Na de overval is in de brasserie een blauw horloge aangetroffen. Gelet op de plaats waar het horloge is aangetroffen – bij de plek waar de kluis had gestaan – en het niet aan het personeel of aan een klant toebehoort, moet het door de daders zijn achtergelaten. Van de bemonsteringen van de boven- en onderzijde van het horloge zijn DNA-mengprofielen verkregen. Daarin bevonden zich DNA-kenmerken van meer donoren. Met betrekking tot beide sporen kon daaruit een combinatie van DNA-kenmerken van een hoofddonor worden afgeleid. Het DNA-profiel van [medeverdachte 2] matchte met een maximale zeldzaamheid met deze kenmerkencombinatie. Op een SD-kaart die in een portemonnee van [medeverdachte 2] is aangetroffen stond een op 21 maart 2015 gemaakte foto waarop hij een blauw horloge draagt dat sterk lijkt op het uurwerk dat in de brasserie is gevonden.

Bij de overval is gebruik gemaakt van een zwarte Citroën C3 met kenteken [kenteken]. Op camerabeelden is te zien dat deze auto om 5.33 uur het terrein van de golfbaan is opgereden. Om 6.11 uur zijn daaruit twee mannen gestapt die zich naar het clubgebouw begaven. Omstreeks 6.25 uur hebben de mannen het gebouw met de buitgemaakte kluis verlaten en deze naar de Citroën C3 getild. Om 6.28 uur heeft het voertuig het golfbaanterrein verlaten en is het weggereden in de richting van Abcoude.

Omstreeks 10.15 uur is de Citroën C3 aangetroffen op een strandje op de Strandweg te Almere. Er was tevergeefs getracht dit voertuig en de zich daarin bevindende voorwerpen in brand te steken. Aan de bovenzijde van de deurstijl aan de passagierszijde zijn vingersporen aangetroffen die overeenkomen met de linker ring- en wijsvinger van de verdachte. Bij de bestuurdersstoel van de auto stond een tas. Daarin zat een zwarte pet met witte stiksels met het opschrift ‘City of Amsterdam’. Uit het monster dat is genomen aan de binnenrand van de pet is een enkelvoudig DNA-profiel verkregen dat met een maximale zeldzaamheid matcht met dat van de verdachte. De pet vertoont grote gelijkenissen met de pet die blijkens camerabeelden door één van de daders is gedragen.

De overvaller met het pistool (hierna: de eerste overvaller) betrof naar opgave van de schoonmakers een negroïde man met een tamelijk donkere huidskleur, een lichte baard met een sikje, korte dreads en een geschatte lengte van 180 tot 190 centimeter. [benadeelde 2] heeft de leeftijd van deze man geschat op 33 jaar. De kenmerken van [medeverdachte 2] voldoen aan dit signalement. Immers, zijn huidskleur is redelijk donker, hij droeg in 2015 een korte baard/sik en had zijn haar in korte vlechten. Verder beschikte [medeverdachte 2], die destijds 33 jaar oud was, over lichtbruine schoenen met een witte streep boven de zool. De schoenen die de eerste overvaller blijkens de camerabeelden droeg, hebben dezelfde eigenschappen.

De overvaller die in het bezit was van de mitrailleur (hierna: de tweede overvaller) was naar opgave van de schoonmakers een negroïde man met een geschatte lengte van 180 tot 190 centimeter, met een lichtere huidskleur dan die van de eerste overvaller en een pokdalig gezicht. [benadeelde 2] schatte de leeftijd van deze man ‘rond de 35/36 jaar’. De kenmerken van de verdachte voldoen aan dit signalement. Hij heeft een donkergetinte huidskleur, maar lichter dan die van [medeverdachte 2], is 185 centimeter lang en was indertijd 38 jaar oud. Verder heeft hij aan de rechterzijde van het gezicht opvallende littekens met kleine, puntvormige littekens van hechtingen. Het hof is van oordeel dat die gezichtskenmerken bij derden gemakkelijk de indruk kunnen wekken van een pokdalige huid.

Met het bij [medeverdachte 2] in gebruik zijnde telefoonnummer, eindigend op *[nummer 1], is tussen 5.41 en 6.08 uur gebruik gemaakt van een zendmast die zich op het AMC in Amsterdam-Zuidoost in de nabije omgeving van de golfbaan bevindt. Voorafgaand aan de overval bevond de Citroën C3 zich om 2.00 uur op de Ring A10 in Amsterdam-Noord ter hoogte van de Buikslotermeerdijk, terwijl in de omgeving daarvan, te weten de Hilversumstraat in Amsterdam-Noord, om 1.59 uur een zendmast is aangestraald met behulp van het bij de verdachte in gebruik zijnde telefoonnummer, eindigende op *[nummer 2]. Om 2.09 uur bevond de Citroën C3 zich bij een afslag van de A10 ter hoogte van de Staalmeesterslaan in Amsterdam-West. Op datzelfde tijdstip en om 2.14 uur werd met het nummer van de verdachte contact gemaakt van een zendmast op de Staalmeesterslaan, terwijl met het nummer van [medeverdachte 2] om 2.20 uur een mast werd aangestraald aan de Baarsjesweg in Amsterdam-West. Eerder die nacht, rond 0.00 uur, werd met behulp van elk van beide telefoonnummers gebruik gemaakt van een zendmast op de Kerkstraat in Almere. De bij [medeverdachte 2] en de verdachte in gebruik zijnde telefoonnummers maakten na overval om 7.05 uur onderscheidenlijk 7.43 uur gebruik van een zendmast in de Kerkstraat te Almere; vanaf dat laatste tijdstip hadden beide telefoonnummers diverse malen contact met elkaar. Dat [medeverdachte 2] op 23 april 2015 de gebruiker is geweest van het telefoonnummer eindigend op *[nummer 1] en de verdachte van dat eindigde op *[nummer 2], blijkt uit een verklaring van de verdachte van 2 september 2015, inhoudende dat [medeverdachte 2] hem op 23 april 2015 vaak heeft gebeld, dat hij [medeverdachte 2] toen telefonisch ook heeft gesproken en dat hij het dossier heeft gelezen en daarin is vermeld hoe laat [medeverdachte 2] hem heeft gebeld.

Uit deze gegevens leidt het hof af dat a) [medeverdachte 2] en de verdachte de bewuste nacht met grote regelmaat, zo niet doorlopend, in elkaars nabijheid zijn geweest; b) de Citroën C3 die bij de overval is gebruikt zich die nacht op relevante tijdstippen bevond in de nabijheid van de plaats waar de telefoon van de verdachte aanstraalde en c) [medeverdachte 2] en de verdachte na de overval telefooncontact met elkaar hebben gehad.

Op basis van het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, staat voor het hof buiten redelijke twijfel vast dat [medeverdachte 2] (als de eerste overvaller) en de verdachte (als de tweede overvaller) de overval hebben gepleegd.

Daarnaast is naar het oordeel van het hof vast komen te staan dat [medeverdachte 1] ook bij de overval betrokken is geweest. Dat oordeel berust op het volgende.

Net als de telefoonnummers van [medeverdachte 2] en de verdachte maakte het bij [medeverdachte 1] in gebruik zijnde telefoonnummer, eindigende op *[nummer 3], rond 0.00 uur gebruik van een mast op de Kerkstraat in Almere. Op dat moment en vervolgens op een veelheid aan andere tijdstippen werd die nacht met behulp van dat nummer gebeld naar het telefoonnummer van [medeverdachte 2]. Met het nummer van [medeverdachte 1] is om 2.37 uur, net als kort daarvoor met het nummer van [medeverdachte 2], een zendmast gebruikt aan de Baarsjesweg in Amsterdam. Verder is vanaf het nummer van [medeverdachte 1] om

- 5.41 uur gedurende 185 seconden,

- 6.00 uur gedurende 103 seconden,

- 6.08 uur gedurende 224 seconden en

- 6.38 uur gedurende 31 seconden

gebeld naar het telefoonnummer van [medeverdachte 2]. Daarbij werd met het nummer van [medeverdachte 1] telkens gebruik gemaakt van een zendmast aan de Hofgeest te Amsterdam Zuidoost. Via het nummer van [medeverdachte 2] werd om 6.38 uur gebruik gemaakt van een zendmast in buurt van de A9. Toen de politie eerder die nacht om 1.26 uur in Almere een controle uitvoerde op een witte Audi A4 bleek [medeverdachte 1] de bestuurder van dat voertuig te zijn. Dit voertuig bevond zich, naar gevoeglijk mag worden aangenomen, met [medeverdachte 1] als bestuurder, om 2.35 uur op de Cornelis Lelylaan/Haarlemmerstraat te Amsterdam-West en om 6.52 uur op de Gooiseweg in Amsterdam.

Hieruit leidt het hof af dat [medeverdachte 1] (i) zich de bewuste nacht diverse malen in de omgeving van de overvallers heeft bevonden, (ii) die nacht reisbewegingen heeft gemaakt die in de pas lopen met die van de overvallers, (iii) zich voor en na de overval een groot aantal malen in verbinding heeft gesteld met de eerste overvaller, [medeverdachte 2], waaronder kort voor aanvang van de overval en bovendien, meer specifiek:

- om 5.41 uur, kort nadat [medeverdachte 2] en de verdachte om 5.33 uur het terrein van de Golfbaan waren opgereden;

- om 6.08 uur, gedurende ruim drie minuten, onmiddellijk aansluitend op het tijdstip waarop [medeverdachte 2] en de verdachte bij de Citroën C3 zijn weggelopen en zich naar het clubgebouw hebben begeven (om 6.11 uur) en

- om 6.38 uur, tien minuten nadat de [medeverdachte 2] en de verdachte met de Citroën het terrein van de golfbaan hadden verlaten.

Deze opvallende tijdstippen waarop [medeverdachte 1] contact met de eerste overvaller heeft gehad en de omstandigheid dat hij zich op de momenten waarop dat contact plaatsvond in de omgeving van de golfbaan heeft bevonden, acht het hof redengevend voor het bewijs in die zin dat daarin een sterke aanwijzing wordt gevonden dat [medeverdachte 1] betrokken is geweest bij de voorbereidingen voor en de afwikkeling van de overval. [medeverdachte 1] noch [medeverdachte 2] heeft opgehelderd waarom evenbedoelde communicatie in de nachtelijke uren noodzakelijk was en wat de onderwerpen van gesprek zijn geweest.

Deze communicatie tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] krijgt kleur door uitlatingen van [medeverdachte 4]. Daarbij heeft het hof het oog op het volgende.

Op 3 mei 2015 is om 17.10 uur met het telefoonnummer van [medeverdachte 1] contact gezocht met het nummer van Cornelis [medeverdachte 5], die werkzaam is als [beroep] bij de brasserie. Verder staat vast dat [medeverdachte 4], die ‘[bijnaam 1]’ als bijnaam heeft, een bekende van [medeverdachte 1] is.

[medeverdachte 5] heeft verklaringen afgelegd waaruit het volgende kan worden afgeleid. [medeverdachte 5] heeft op 7 oktober 2015 een ontmoeting gehad met [medeverdachte 4]. Daarbij bleek dat het telefoonnummer dat op 3 mei 2015 contact met [medeverdachte 5] heeft gezocht in de telefoon van [medeverdachte 4] stond. Ook bleek dat [medeverdachte 4] het nummer van [medeverdachte 5] heeft gegeven aan de persoon die naar [medeverdachte 5] heeft gebeld. [medeverdachte 5] heeft aan [medeverdachte 4] gevraagd of hij meer wist over de overval. Hierop heeft [medeverdachte 4] hem beschreven hoe de overval is verlopen. Daarbij heeft [medeverdachte 4] bijzonderheden genoemd die naar het oordeel van het hof moeten worden gezien als daderkennis, zoals dat de daders bewapend op een schoonmaker zijn afgegaan, zich hebben voorgedaan als buitenlanders en Engels hebben gesproken, zij een kluis hebben gepakt en een vluchtroute via Abcoude hadden uitgedacht. Uit de uitlatingen van [medeverdachte 4] kan verder worden opgemaakt dat het plan voor de overval is beraamd door vier personen, waaronder [medeverdachte 4] én degene die naar [medeverdachte 5] heeft gebeld. Vast staat dat die laatste persoon [medeverdachte 1] is. Bij de verklaringen van [medeverdachte 5] past het gegeven dat [medeverdachte 1] op 3 mei 2015 een uur voor zijn belpoging naar [medeverdachte 5] telefooncontact heeft gehad met [medeverdachte 4] en acht minuten na die belpoging met [medeverdachte 2].

Mede op grond van de (tegenover [medeverdachte 5] gedane) uitlatingen van [medeverdachte 4] komt het hof, anders dan de advocaat-generaal en de rechtbank, tot de conclusie dat [medeverdachte 1] met drie anderen betrokken is geweest bij het uitdenken van een plan voor de overval op de golfbaan, hij zich kort voor en gedurende de overval in de nabijheid van de overval heeft opgehouden en hij zich - bij gebrek aan een andere aannemelijke verklaring - in die tijdspanne doorlopend in verbinding heeft gesteld met één van de personen die de overval daadwerkelijk heeft gepleegd, [medeverdachte 2], om ervoor te zorgen dat de overval volgens plan werd uitgevoerd. Hieruit volgt dat ook [medeverdachte 1] zich in nauwe en bewuste samenwerking met anderen schuldig heeft gemaakt aan de overval op de golfbaan en daaraan een wezenlijke bijdrage heeft geleverd.

Uit het voorgaande spreekt dat de tot vrijspraak strekkende verweren van de verdediging falen. Daaromtrent overweegt het hof als volgt.

De verdachte heeft, ter verklaring van de omstandigheid dat zijn telefoon in de nachtelijke uren van 23 april 2015 gebruik heeft gemaakt van zendmasten in Amsterdam-West, op de terechtzittingen in eerste aanleg en in hoger beroep verklaard dat hij omstreeks middernacht met een pooier vanuit Almere naar Amsterdam-West is gereden, daar contact heeft gehad met een prostituee en daarna weer is teruggereden naar Almere. De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat die gang van zaken niet kan worden uitgesloten.

Het hof acht deze verklaring van de verdachte ongeloofwaardig. Allereerst is die niet verenigbaar met het gegeven dat met zijn telefoonnummer om 1.04 uur nog gebruik is gemaakt van een zendmast in Almere-Stad. Daarnaast is de verklaring niet te verifiëren, omdat de verdachte geen telefoonnummer van de pooier heeft, hem onbekend is waar deze persoon te vinden is en slechts weet dat deze de opmerkelijke (bij)naam ‘[bijnaam 2]’ (fonetisch) zou hebben, hetgeen, zo is van algemene bekendheid, een Pools scheldwoord voor ‘[scheldwoord]’ is. Daarbij komt dat de verdachte in eerste aanleg heeft beweerd dat de pooier in Almere-Haven zou wonen, terwijl hij op de terechtzitting in hoger beroep heeft gezegd dat deze uit Almere-Buiten kwam.

Op de terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte ook nog verklaard dat hij in de ochtend van 23 april 2015 alleen thuis was en omstreeks 7.30 uur zijn hond is gaan uitlaten en toen zijn telefoon niet heeft meegenomen. Vervolgens heeft hij de Citroën C3 aangetroffen, waarvan het portier aan de bijrijderszijde geopend was. Uit een oude gewoonte – de verdachte brak vroeger in auto’s in – is hij toen gaan kijken of in de auto iets van zijn gading te vinden was. Daarbij heeft hij met zijn rechterhand het portier aan de bijrijderszijde vastgepakt en met zijn linkerhand in de auto gegraaid. Hij is daarbij onder meer gestuit op een pet die hij heeft opgedaan en daarna heeft afgezet, omdat deze niet paste. Hij is een half uur van huis geweest. In het verlengde van deze verklaring heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat er een alternatief, niet aan de overval te relateren scenario is geschetst dat het aantreffen van de biologische sporen van de verdachte kan verklaren.

Het hof onderschrijft het standpunt van de raadsvrouw niet. Allereerst past de door de verdachte voorgespiegelde lezing, waarin hij het portier aan de bijrijderszijde met zijn rechterhand heeft vastgehad, niet bij het gegeven dat op de deurstijl van dat portier afdrukken van zijn linker ring- en wijsvinger zijn aangetroffen. Verder heeft hij op de terechtzitting in eerste aanleg over dit voorval verklaard dat hij de pet heeft aangetroffen in een doos en dat hij de pet, na deze gepast te hebben, weer terug in de doos heeft gegooid. Die onderdelen van zijn verklaring laten zich niet rijmen met het gegeven dat de pet in een leren tas, gewikkeld in drie doeken en onder een opgerolde witte jas is aangetroffen. Bovendien kan zijn verklaring dat hij vanaf 7.30 uur gedurende een half uur zonder zijn telefoon van huis is geweest niet worden verenigd met het feit dat hij om 7.43 en 7.47 uur telefooncontact heeft gehad met [medeverdachte 2]. Hiermee geconfronteerd heeft de verdachte zijn verklaring aangepast en gezegd dat het ook best kan zijn dat hij die ochtend om 7.15 uur van huis is vertrokken. Dit overtuigt het hof echter niet. Op grond van het voorgaande acht het hof het gepresenteerde alternatieve scenario niet aannemelijk.

Hetgeen de raadsvrouw omtrent de bewijswaarde van het DNA-mengprofiel dat na onderzoek door het NFI is verkregen uit een bemonstering van de witte jas, laat het hof buiten bespreking, omdat dat onderzoeksresultaat niet tot het bewijs wordt gebezigd.

De verdediging heeft tot slot aangevoerd dat niet met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening is gehandeld toen de schoonmakers sleutels en hun mobiele telefoons afhandig werden gemaakt. Deze stelling mist doel. [medeverdachte 2] en de verdachte hebben de sleutels van het clubgebouw bemachtigd, klaarblijkelijk teneinde zo ruim mogelijke toegang tot de vertrekken en kasten in het pand te hebben, en de telefoons, die door [medeverdachte 2] op een kast zijn gelegd, kennelijk om te voorkomen dat alarm zou kunnen worden geslagen. Onder deze omstandigheden is de conclusie gerechtvaardigd dat de verdachte en [medeverdachte 2] als heer en meester over de sleutels en telefoons hebben beschikt en deze hebben weggenomen met de bedoeling daarvan een zodanig gebruik te maken dat dit kan worden beschouwd als wegnemen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening. Daarbij merkt het hof ook in dit verband nog op dat uit het dossier niet blijkt dat de sleutels zijn teruggevonden.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1 en 3 en in zaak B onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:

in zaak A onder 1
op 23 april 2015 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een kluis inhoudende een geldbedrag, toebehorende aan [brasserie], en sleutels en mobiele telefoons, toebehorende aan [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [benadeelde 2] en [benadeelde 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en zijn mededaders:

- een vuurwapen hebben getoond aan die [benadeelde 2] en die [benadeelde 3] en

- daarbij hebben gezegd: “Ik maak jullie dood” en

- die [benadeelde 2] en die [benadeelde 3] in een kast hebben opgesloten;

in zaak A onder 3
op 10 mei 2015 te Almere ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een geldbedrag toebehorende aan [benadeelde 4], en dat weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik te brengen door middel van een valse sleutel, met een weggenomen bankpas heeft getracht bij een geldautomaat van ABN AMRO Bank geld op te nemen;

in zaak B onder 2
in de periode van 12 december 2014 tot en met 30 juni 2015 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van diefstallen met geweld en afpersingen en diefstallen door middel van braak en/of verbreking en/of valse sleutel en het voorhanden hebben van vuurwapens, welke deelneming bestaat uit het uitvoeren van bovengenoemde misdrijven, het onderhouden van (telefonische) contacten met zijn mededaders, het maken van afspraken met zijn mededaders, het doorgeven van berichten aan zijn mededader(s) en/of het verrichten van voorverkenningen.

Hetgeen in zaak A onder 1 en 3 en in zaak B onder 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het in zaak A onder 1 bewezen verklaarde levert op:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Het in zaak A onder 3 bewezen verklaarde levert op:

poging tot diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.

Het in zaak B onder 2 bewezen verklaarde levert op:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van de straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde (medeplegen van de overval op het [clubgebouw] en de pinpoging met een van misdrijf afkomstige bankpas) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het in zaak A onder 1 en 3 en in zaak B onder 1 primair en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een overval op het clubgebouw van een golfbaan. De schoonmakers die daar vroeg in de ochtend aanwezig waren moesten onder bedreiging van vuurwapens, waaronder een wapen dat leek op een mitrailleur, hun telefoons en sleutels afgeven en in een werkkast op hun knieën gaan zitten en werden gesommeerd te zeggen waar de kluis van het bedrijf zich bevond. Vervolgens hebben de overvallers naar de kluis gezocht en deze gevonden, terwijl de schoonmakers in de kast moesten blijven zitten en zich stil moesten houden. Uiteindelijk is de kluis met daarin een geldbedrag buitgemaakt. Door zo te handelen heeft de verdachte blijk gegeven van een volstrekt disrespect voor de persoonlijke vrijheid, lichamelijke integriteit en eigendomsrechten van anderen. Voor de schoonmakers is dit een ingrijpende en traumatiserende ervaring geweest. Van één van hen is bekend dat hij psychisch letsel heeft opgelopen en arbeidsongeschikt is geraakt. Bovendien heeft het vergrijp de eigenaar van de in het clubgebouw gevestigde brasserie financiële schade bezorgd. De verdachte heeft geen oog gehad voor dergelijke gevolgen en heeft zich kennelijk slechts laten leiden door zijn zucht naar ‘snel geld’. Dergelijke misdrijven voeden gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving en maken een ernstige inbreuk op de rechtsorde.

Daarnaast heeft de verdachte geprobeerd geld op te nemen met een bankpas die is buitgemaakt bij een brute beroving. Dat het bij een poging is gebleven, komt doordat de eigenaar van de pinpas een verkeerde pincode heeft opgegeven en deze bankpas na het invoeren van die code door de geldautomaat is ingenomen. Hiermee heeft de verdachte nogmaals getoond geen enkel respect te hebben voor het bezit van anderen en slechts uit te zijn op zijn eigen financiële voordeel.

Tot slot heeft de verdachte gedurende een aantal maanden een rol gespeeld binnen een criminele organisatie, die zich bezighield met ernstige vermogensdelicten en het bezit van vuurwapens en munitie. Een criminele organisatie ondermijnt het openbaar gezag en de rechtsorde. Het hof taxeert de rol van de verdachte in het criminele samenwerkingsverband als enigszins bescheidener dan die van de andere deelnemers. Daarom zal het hof dit vergrijp minder zwaar laten meewegen bij het bepalen van de op te leggen straf dan in de zaken tegen de twee medeverdachten.

De verdachte heeft op geen enkele wijze inzicht willen geven in (de achtergronden van) de door hem begane overval en zijn deelname aan een criminele organisatie. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte met betrekking tot de achtergronden van de poging tot geldopname ook maar beperkt openheid van zaken gegeven. Aldus neemt hij voor zijn misdrijven geen verantwoordelijkheid. Gezien de aard en de ernst van deze strafbare feiten komt geen andere straf in aanmerking dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 27 juni 2019 is hij eerder wegens (gekwalificeerde) vermogensdelicten en misdrijven met een geweldscomponent onherroepelijk veroordeeld, in het verdere verleden, maar ook in de jaren voorafgaand aan de thans bewezen feiten. Dit weegt het hof in zijn nadeel.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de toepassing van voorlopige hechtenis in deze zaak voor de verdachte veel gevolgen heeft gehad, zoals het kwijtraken van zijn woning en het oplopen van schulden.

Dit brengt het hof niet tot matiging van de op te leggen straf. Dergelijke gevolgen zijn voor iemand met de justitiële ervaring van de verdachte voorzienbaar; desondanks heeft hij er kennelijk voor gekozen opnieuw het criminele pad op te gaan.

De lichamelijke problemen van de verdachte die de raadsvrouw bij pleidooi heeft aangestipt en die op de terechtzitting van 13 juni 2018 uitgebreider zijn besproken, leiden evenmin tot strafvermindering. Op die laatste zitting is geoordeeld dat de klachten waarover de verdachte spreekt blijkens de overgelegde medische stukken veelal niet kunnen worden geobjectiveerd en dat, voor zover dat anders is, niet aannemelijk is dat de verdachte in een penitentiaire inrichting niet de behandeling kan krijgen die hij behoeft. Nadien zijn geen stukken overgelegd die in een andere richting wijzen. Aannemelijk is wel dat een verblijf in detentie de verdachte vanwege diens psychische problematiek iets zwaarder zal vallen dan gemiddeld. Daarmee wordt enigszins in strafmatigende zin rekening gehouden.

Het hof ziet geen enkele aanleiding aan de verdachte, zoals door de raadsvrouw is verzocht, een gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan de duur van zijn reeds ondergane voorarrest, omdat te zeer voorbij zou worden gegaan aan de aard van de thans bewezen feiten. Evenmin neemt het hof haar voorstel over om de op te leggen straf deels in voorwaardelijke vorm te gieten. Daartoe geeft het strafblad van de verdachte geen aanleiding en al helemaal niet de beperkte en grillige bereidheid van de verdachte om door de rechter gestelde voorwaarden na te leven, zoals daarvan blijkt uit het rapport van Reclassering Nederland van 27 juni 2019.

Alles afwegend acht het hof in beginsel een gevangenisstraf van vier jaren passend en geboden.

Het hof stelt echter vast dat er in eerste aanleg sprake is geweest van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De verdachte is immers op 29 juni 2015 in verzekering gesteld, terwijl de rechtbank eerst op 21 december 2017 vonnis heeft gewezen. Hierin wordt aanleiding gezien de verdachte in plaats van een gevangenisstraf van vier jaren een vrijheidsstraf van drie jaren en 11 maanden op te leggen. Deze straf is lager dan de advocaat-generaal heeft gevorderd, omdat het hof - anders dan de advocaat-generaal - niet bewezen acht dat de verdachte op de tenlastegelegde wijze betrokken is geweest bij de schietpartij bij [bakkerij] en ook overigens de gevorderde straf te hoog is, gelet op hetgeen in soortgelijke gevallen aan straf pleegt te worden opgelegd.

Beslag

Onder de verdachte zijn een halsketting (4970645), een toegangspas (5004161) en een ABN AMRO bankpas (5004180) in beslag genomen; deze voorwerpen zijn nog niet teruggegeven. De rechtbank heeft daarvan de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelast. De advocaat-generaal heeft gevorderd het beslag af te doen op de wijze zoals de rechtbank heeft gedaan. De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep medegedeeld dat zij geen andere visie heeft op de afdoening van het beslag dan de rechtbank.

Het hof zal gelasten dat de drie in beslag genomen goederen worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende, omdat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld aan wie deze toebehoren.

Vorderingen van de benadeelde partijen

[benadeelde 2]

De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft zich in eerste aanleg terzake van het in zaak A onder 1 tenlastegelegde in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 15.170,48, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.500,00 aan immateriële schade en voor het overige is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen tot een bedrag van € 1.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsvrouw heeft op de terechtzitting in hoger beroep te kennen gegeven dat zij zich in geval van een veroordeling voor het in zaak A onder 1 tenlastegelegde, met betrekking tot de vordering, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, refereert aan het oordeel van het hof.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak A onder 1 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Het hof schat de omvang daarvan op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid op het gevorderde bedrag van € 1.500,00. Daarbij is in aanmerking genomen (i) de aard en de ernst van de inbreuk die mede door de verdachte op de persoonlijke vrijheid van de benadeelde partij is gemaakt, (ii) dat de benadeelde partij ten gevolge van dit misdrijf psychisch letsel heeft bekomen, zich onder behandeling van een psychiater en psycholoog heeft moeten stellen en arbeidsongeschikt is geraakt en (iii) de schadevergoeding die in soortgelijke gevallen is toegekend. De verdachte is hoofdelijk met zijn mededaders tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Het hof zal het toe te wijzen bedrag vermeerderen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

[naam]

heeft naar aanleiding van het in zaak A onder 1 tenlastegelegde in eerste aanleg een ‘Voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces’ ingediend, maar uit zijn schriftelijke toelichting blijkt dat zijn verzekeraar de door hem opgevoerde (materiële) schade heeft vergoed. De benadeelde partij heeft de schade die hij in het strafproces wil vorderen in genoemd formulier op € 0,00 gesteld. Nu hij feitelijk geen schadevergoeding heeft gevorderd, hoeft het hof daarover geen beslissing te nemen en blijft deze ‘vordering’ verder onbesproken.

[benadeelde 4]

De benadeelde partij [benadeelde 4] heeft zich in eerste aanleg naar aanleiding van het in zaak A onder 3 tenlastegelegde in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 4.288,93. De benadeelde partij is in zijn vordering bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd en de vordering verminderd tot een bedrag van € 4.200,21, bestaande uit € 1.915,21 aan materiële schade en € 2.285,00 aan immateriële schade.

De advocaat-generaal heeft de afwijzing van de vordering gevorderd, omdat de opgevoerde schade niet door de pinpoging is ontstaan en de schade dus niet op deze verdachte is te verhalen.

De raadsvrouw heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat het noodzakelijke verband tussen de schade en het door de verdachte gepleegde delict ontbreekt en dat de vordering daarom dient te worden afgewezen, dan wel dat de benadeelde partij daarin niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Het hof is van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat de gestelde schade rechtstreeks door de in zaak A onder 3 bewezen verklaarde poging tot geldopname van de verdachte is veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom niet worden ontvangen in de vordering.

[benadeelde 6]

De benadeelde partij [benadeelde 6] heeft zich in eerste aanleg naar aanleiding van het in zaak B onder 1 tenlastegelegde in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 2.000,00. Hij is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering. De benadeelde partij heeft bij brief van 16 juli 2018 te kennen gegeven zijn schade vergoed te willen krijgen via de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. Het hof leidt uit deze brief af dat de benadeelde partij zich in hoger beroep opnieuw heeft willen voegen voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De vordering is in hoger beroep daarom in volle omvang aan de orde. Echter, de verdachte wordt ook door het hof niet schuldig verklaard ter zake van het in zaak B onder 1 ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom ook in hoger beroep niet in de vordering worden ontvangen.

Verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis

Het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte is in de loop van de strafprocedure verschillende malen geschorst, laatstelijk op 2 juli 2019 en wel tot aan de einduitspraak in deze strafzaak. De raadsvrouw heeft het hof bij pleidooi verzocht het bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen. Daarbij heeft zij erop gewezen dat de verdachte zich hangende de schorsingsperiodes, zij het met horten en stoten, aan de afspraken heeft gehouden en dat toepassing van voorlopige hechtenis niet noodzakelijk is en een eventueel cassatieberoep in vrijheid kan worden afgewacht.

Het hof zal het verzoek afwijzen. Daartoe wordt in het bijzonder overwogen dat de voorlopige hechtenis onder andere is bevolen voor de betrokkenheid van de verdachte bij de gewapende overval bij de golfbaan, dat dit feit thans door de hoogste feitenrechter bewezen wordt geacht en daarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van 12 jaar of meer is gesteld, en dat de rechtsorde, mede tegen de achtergrond van het in zaak B onder 2 bewezenverklaarde (deelname aan een criminele organisatie), ernstig geschokt zou zijn indien de verdachte thans langer in vrijheid zou blijven. Overigens is het hof, anders dan de raadsvrouw, van oordeel dat bepaald niet kan worden gezegd dat de verdachte zich gedurende de schorsingsperiodes in bevredigende mate aan de in het kader van het toezicht gemaakte afspraken heeft gehouden, gelet op de inhoud van het eerdergenoemde rapport van 27 juni 2019, maar ook op informatie van de reclassering in eerdere stadia van het strafproces.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 45, 57, 63, 140, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in zaak A onder 2 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover nog inhoudelijk aan de orde en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in zaak B onder 1 primair en 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1 en 3 en in zaak B onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in zaak A onder 1 en 3 en in zaak B onder 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren en 11 (elf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

  • -

    halsketting, kleur oranje (4970645);

  • -

    toegangspas, kleur wit (5004161);

  • -

    ABN AMRO bankpas (5004180).

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het in zaak A onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) bestaande uit immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededaders hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2], ter zake van het in zaak A onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) bestaande uit immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededaders aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 23 april 2015.

Verklaart de benadeelde partijen [benadeelde 4] en [benadeelde 6] in de vorderingen tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat de verdachte en de benadeelde partijen [benadeelde 4] en [benadeelde 6] ieder hun eigen kosten dragen.

Wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.J.I. de Jong, mr. W.M.C. Tilleman en mr. C.N. Dalebout, in tegenwoordigheid van

mr. L.M. Schoutsen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

1 augustus 2019.

mr. C.N. Dalebout is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]